Hij heeft een witte, Nederlandse moeder en een bruine, van oorsprong Marokkaanse vader, en voortdurend kreeg mijn stiefzoon te horen dat hij Marokkaan is. Natuurlijk, stigmatisering is niet de schuld van alles, maar het is wel tijd dat we onze ogen openen voor racisme en andere vormen van uitsluiting.

Mijn stiefzoon (22) zit in de gevangenis. Dat is natuurlijk zijn eigen schuld, hij is vanaf zijn veertiende van het pad geraakt met drank, drugs en verkeerde vrienden, waarna hij ging stelen. Gelukkig gaat het de goede kant op met hem. Hij heeft op zijn sloffen een havodiploma gehaald en was begonnen aan een hbo-opleiding waarbij hij alleen achten en negens binnensleepte. Wás begonnen, want tijdens zijn laatste verlof stortte hij zich iets te grondig in het uitgaansleven. Hij dronk overmatig en kwam niet op tijd terug. De opleiding is stopgezet en of hij in januari vrijkomt, zoals de bedoeling was, is nu de vraag.

Zoals ik zei: eigen schuld en dat ziet hij zelf ook. Hij is de afgelopen tijd, toen hij nog wekelijks op verlof mocht, vaak bij ons thuis geweest en dan praatten we over de vraag hoe het zover met hem is gekomen. Hij stelde zich volwassen op, vond ik: hij had dit aan zichzelf te danken, hij had andere keuzen moeten maken. Maar hij vertelde nog iets dat mij trof. Voor het mis ging met hem, kwam hij al in aanraking met de criminele wereld. Hij woonde in de Amsterdamse Jordaan en als hij en zijn vriendjes aan het voetballen waren, stopte er soms een auto, een vette bak, waaruit een protserige figuur stapte die hen aansprak.

‘Zo jongens, willen jullie geld?’ vroeg zo’n type van een jaar of twintig dan aan de jochies. Ja, dat wilden ze wel. Uit zijn zak haalde de patser wat bankbiljetten, die hij als een goedheiligman verdeelde. Zo, dat vonden de voetballende jochies tof! Dat wilden zij ook: zo’n glanzende Audi of BMW op de weg, Gucci en Armani om het lijf en stapels papiergeld achteloos in de achterzak. Ze keken tegen deze stoere man op, óók omdat hij een Marokkaanse Nederlander was en datzelfde gold voor een aantal van hen. Kijk eens wat deze veel oudere Marokkaanse Nederlander had bereikt. Dat hij zijn geld verdiende met criminele transacties, daarvan hadden de voetballende jongens nog geen idee.

Zo begonnen de eerste contacten tussen mijn stiefzoon en de Mocro-onderwereld. Een kenmerk van hem en de vrienden die samen met hem deze weg gingen, zo analyseerde hij achteraf, was dat ze extreem geïnteresseerd waren in geld en mooie spullen. Al gauw was 20 euro niets, er moest veel meer komen om hun petjes van 180 euro per stuk te kunnen betalen. Waarom dat belangrijk was? Ze wilden iets voorstellen, zei mijn stiefzoon – waarbij hij achteraf zijn denkfout toegaf: ze hadden beter iets kunnen voorstellen met een opleiding en een baan. Maar destijds kwam die manier niet in hen op. Te saai, te vaag, te ver weg. Mijn stiefzoon zat op het gymnasium, maar deed al gauw niets meer. Hij wilde een instant metamorfose, à la minute wenste hij te veranderen van een rups in een vlinder.

Waarom hij zich een rups voelde? Zijn ouders scheidden toen hij drie jaar was, waarna hij bleef wonen bij zijn moeder en hij zijn vader af en toe zag. Uiteraard was deze situatie voor mijn stiefzoon een groot verdriet. Zijn ouders kregen allebei nieuwe partners en nieuwe kinderen en hij was het kind dat in beide gezinnen toch een ietwat aparte positie innam, ook al duwde niemand hem bewust in die rol. Daarmee begon het rupsgevoel.

Figuren op gezondheidsschoenen

Maar er was nog iets. Hij heeft een witte, Nederlandse moeder en een bruine, van oorsprong Marokkaanse vader. Mijn stiefzoon heeft een getinte huid en zwart haar en juist in de puberleeftijd veranderde hij qua uiterlijk van een niet nader te typeren schattig donker jongetje in een Marokkaan en dat kreeg hij voortdurend te horen. Toen hij wat ouder werd, vroegen mensen op feestjes zich af wat hij daar te zoeken had. Geregeld kwam hij uitgaansgelegenheden niet binnen. De politie hield hem zomaar aan – eenmaal gaf een agent toe dat het was om hoe hij eruitzag. Ook in zijn justitieel dossier kwam te staan dat hij Marokkaans is, in plaats van Nederlands.

Sommige van zijn vrienden waren ronduit anti-Nederlands. De meeste hekel hadden ze aan de prototype Nederlanders.

Mijn stiefzoon groeide overwegend op bij zijn oer-Hollandse moeder maar had op een goed moment zo vaak gehoord dat hij een Marokkaan was, dat hij liever met mensen omging bij wie hij geen uitzonderingspositie innam. Hij voelde zich thuis bij jongens die net als hij iets Marokkaans hadden. Ze praatten onderling vaak Marokkaans en als iemand hun vroeg waar ze vandaan kwamen, antwoordden ze: Nador of Al Hoceima of Meknes, in elk geval niet Nederland, waar ze in werkelijkheid waren geboren. Sommige van zijn vrienden gingen nog verder en waren ronduit anti-Nederlands. De meeste hekel hadden ze aan de prototype Nederlanders die ook Youp van ’t Hek bespot, de figuren op gezondheidsschoenen, in een windjack en met een rugzak om. ‘Als dat soort mensen ons aansprak, ook al was het vriendelijk, draaiden mijn vrienden zich gewoon om,’ aldus mijn stiefzoon.

Toen een aantal van hen bezweek voor de lokroep van de patserige criminelen met hun bankbiljetten, maakte de afwerende houding tegenover Nederland het hun makkelijker. Inbreken en roven in dit land, so what, maakten ze zichzelf wijs. Ze leefden in hun eigen wereldje. Ik kan me herinneren dat mijn man na de eerste vergrijpen van zijn oudste zoon aan hem vroeg: ‘Ken jij het verschil niet tussen goed en kwaad?’ Het hielp niet.

Jaren later, toen mijn stiefzoon in de gevangenis zat, vroeg ik hem of hij nooit last had gehad van zijn geweten. Hij antwoordde: ‘We zeiden tegen elkaar dat mensen die hun spullen kwijtraken, hun geld wel terugkrijgen van de verzekering.’ Ik: ‘Maar mensen zijn toch gehecht aan hun spullen? Weet je hoe erg het is dat iemand jouw persoonlijke eigendommen meeneemt?’ Mijn stiefzoon keek beschaamd. Ja, intussen besefte hij dat.

Het meeste recht van spreken

Ik kan het niet genoeg onderstrepen: ik zeg niet dat stigmatisering de schuld van alles is. Mijn stiefzoon heeft zelf de verkeerde conclusies getrokken uit zijn vervelende ervaringen. Maar ik denk wel dat het de allerhoogste tijd is dat iedereen zijn ogen opent voor racisme en andere vormen van uitsluiting. Zeg maar: het verdomde hokjesdenken, daar moeten we vanaf. Dat is niet het voortoveren van een onbereikbare heilstaat, daar vallen gerust wat stappen in te maken. In de VS is ook racisme, maar als je voor de wet een Amerikaan bent, ben je ook in het dagelijks leven een Amerikaan. Dat scheelt al een stuk.

Mij bekruipt het gevoel dat nog niet iedereen de ernst van het probleem inziet. Er zijn mensen die blijven zeggen dat racisme en aanverwante praktijken in Nederland wel meevallen. Zo concludeerde publicist Paul Scheffer een tijdje terug in NRC Handelsblad dat de plicht die veel Nederlanders momenteel voelen vluchtelingen op te vangen de weerspreking is van ‘alle clichés over het racistische Nederland’. Tja, volgens mij zijn er ook veel Nederlanders tégen de komst van vluchtelingen, zijn die in de redenering van Scheffer dan allemaal racist? Je moet het maar kunnen, berichten over racisme in een halve bijzin afdoen als ‘cliché’. Dream on, zou ik zeggen.

Intussen staat er een generatie op die het niet langer pikt, zoals laatst viel te lezen in het geruchtmakende interview in NRC Handelsblad met vier vrouwen die racisme aankaarten via Twitter. Goed, het debat erna verzandde vervolgens omdat een van de geïnterviewde vrouwen vond dat je witte mannen moet breken en dat de witte medemens in het algemeen zich niet met het racismedebat moet bemoeien – wat evengoed racistisch is en overigens sterk doet denken aan stalinistisch mondsnoeren.

Jammer, want nu had half Nederland het eindelijk over racisme, ging het over bijzaken. Er waren mensen die een rood waas voor de ogen kregen van het gehanteerde begrippenapparaat. Zo’n term als ‘white privilege’: wat nou privilege, was de ondertoon van veel reacties, ook blanken worden in hun leven tegengewerkt, of niet dan? Er brak zelfs even de pleuris uit onder mensen die racisme meemaken. De vraag was wie van hen nu het meeste recht van spreken heeft: de allerdonkersten vanwege het slavernijverleden of ook witte gehoofddoekte moslima’s die bijna dagelijks rotopmerkingen naar hun hoofd krijgen. Vervolgens luidde de kritiek van anderen weer dat de toonhoogte van het racismedebat niet in orde was.

‘Ik haat Nederland’

Waar gaat deze hele discussie nu om? Dat racisme stopt. Gelukkig komt dat geluid al wat langer vrij duidelijk door alle ruis heen en dat snijdt wel degelijk hout. In zijn pas gepubliceerde essay Nederland mijn vaderland betoogt historicus Zihni Özdil dat ook Özdil een Nederlandse naam is en het wordt tijd dat we dat snappen. Hij weigert nog langer uit te leggen dat zijn grootvader uit Turkije kwam, hij is een Nederlander.

Dat pleidooi kan ik van harte ondersteunen. Ik vind: er moet iets gebeuren. Niets doen is geen optie, want racisme maakt kwaad en uit die gemoedstoestand is zelden iets goeds geboren. Van een jeugdhulpverlener in Groningen hoorde ik vorig jaar over een zwart jongetje dat nooit mocht meespelen met de kinderen in zijn buurt. Het was hem verboden op een bepaald pleintje te komen; waagde hij zich er toch, dan hielden ze hem met zijn allen tegen. Op een dag gooiden ze hem in de sloot, terwijl hij niet kon zwemmen. Een buurtbewoner die het zag gebeuren, redde hem. De reden van dit alles? Zijn donkere huidskleur en dan was zijn moeder ook nog dik. Moeder en zoon lichtten de politie in, maar die deed niets. Toen de jeugdhulpverlener het joch sprak, stotterde hij van woede. ‘Ik haat Nederland,’ zei hij, terwijl hij hier toch is geboren.

Het is een extreem verhaal, maar ook minder ernstige gevallen vreten het goede humeur op den duur aan. Of het zelfvertrouwen – ik werd daar laatst nog in bevestigd bij mijn dertienjarige zoon. Zijn elftal moest voetballen en hij zat op de bank te wachten tot hij het veld in mocht. Naast hem zaten twee ploeggenoten die hem vroegen waar hij vandaan kwam. ‘Uit Nederland,’ zei mijn zoon. ‘Maar je bent bruin,’ zeiden de jongens. ‘Mijn vader is geboren in Marokko,’ antwoordde mijn zoon. ‘O, spreekt hij Nederlands?’ vroegen de jongens. ‘Ja, hij woont hier al meer dan vijfentwintig jaar,’ zei mijn zoon. Ik stond in de buurt van de bank en ving het gesprek op. Toen mijn zoon mocht spelen, bleven de twee anderen achter. ‘Oké,’ zei de een tegen de ander, ‘dan hebben we dus twee allochtonen in ons elftal.’ Ik speurde het veld af en zag nog een bruin kereltje, ik geloof met een Antilliaanse vader.

Illustratie: Gijs Kast

Ik zou dit eigenlijk geen racisme willen noemen. De voetbalvrienden van mijn zoon waren simpelweg nieuwsgierig naar de herkomst van zijn bruine kleur en merkten op dat ze maar liefst twee bruine kinderen in de gelederen hebben. Op zichzelf is er niet zoveel mis mee, het punt is alleen: het gaat totaal voorbij aan hoe mensen zoals mijn drie kinderen zich voelen. Zij voelen zich Nederlander en zien ook hun vader als een Nederlander, ook al heeft die lang geleden het levenslicht gezien in Marokko. Toch zien anderen hen als ‘allochtoon’. Dat komt vreemd op hen over en zij zijn nog niet oud genoeg om te beseffen dat degenen die hen allochtoon noemen de vreemde figuren zijn. Waarom kunnen Nederlanders na decennia van immigratie in hemelsnaam niet bruin of zwart zijn of Fatima of Robinio heten?

Ik heb eerder in dit blad geschreven over de lotgevallen van mijn kinderen en dat doe ik niet omdat ik denk dat zij bijzonder zijn. Korte samenvatting van dat verhaal: ik vertelde hoe zij ‘kut-Marokkaan’ worden genoemd en nogal eens in verband worden gebracht met criminaliteit en IS. Toen mijn artikel was gepubliceerd, vroeg ik mij af of ik niet had overdreven, want als de dingen gedrukt staan, hebben ze de neiging erger te lijken dan ze zijn. Maar mijn kinderen herkenden zich in alles wat er stond en afgaand op de reacties die ik kreeg, herkenden heel wat meer mensen zich erin. Mijn kinderen zijn op dit punt niet bijzonder, dat is het hem nu juist. Zoveel Nederlanders worden voortdurend met een verre afkomst in verband gebracht, eventueel met een stereotiep beeld eraan vast.

Niets doen is geen optie, want racisme maakte kwaad en uit die gemoedstoestand is zelden iets goeds geboren.

Hoe dat kan uitwerken, merkte ik laatst bij mijn dertienjarige zoon. Sinds een aantal maanden trekt hij op met twee jongens wier ouders zijn geboren in Algerije en Turkije, wat hem ineens verheugd deed constateren: ‘Ik vind het toch wel leuk dat ik Marokkaan ben.’ Ik snapte wat hij bedoelde: als islamitische jongens vormden ze op school een groepje en dat gaf hem een goed gevoel. Niet dat hij zich ooit eerder als islamitisch had gemanifesteerd, maar plotseling was dat een gemeenschappelijke noemer. Daar bleef het niet bij. De twee nieuwe vrienden vertelden mijn zoon dat bepaalde snoepjes varkensgelatine bevatten, dus toen die dingen laatst bij ons thuis in de kast lagen, vond hij ze ineens ‘haram’, verboden. De rest van ons gezin viel van z’n stoel. Waarom nam hij allerlei dogma’s van zijn vrienden aan? We hielden hem voor wat het doel van een geloof is: dat je een goed mens bent, dat je niet steelt, liegt, bedriegt of erger. Dáár gaat wat ons betreft het onderscheid tussen ‘halal’ en ‘haram’ over, goed en kwaad, en niet over het strikt hanteren van regeltjes over snoepjes.

Peptalk kan geen kwaad

Ik denk niet meteen dat mijn zoon afdrijft richting IS. Hij gaat nog steeds volop met anderen om en over varkensgelatine heb ik hem nooit meer gehoord. Maar sinds we dit hebben meegemaakt, praten we toch wat vaker met onze kinderen over de relaxte islam die mijn man aanhangt. Bovendien vertellen we ze uitdrukkelijk dat zij Nederlanders zijn. Nederland is hun land. ‘Vecht voor je plek hier,’ zeggen we. Natuurlijk, dat zal misschien moeilijker zijn dan voor mensen die Henk of Ingrid heten, daarover moeten we eerlijk zijn. Henk en Ingrid hebben misschien minder verstand dan mijn kinderen, maar ze hebben in het huidige tijdsgewricht de betere namen. Hoe dan ook: onze kinderen moeten hun best doen te bereiken wat ze willen en niet opgeven.

Onlangs wees ik mijn dertienjarige zoon op het boek van Zihni Özdil, ik liet hem zijn foto op de achterflap zien: ‘Kijk, hij heeft net als jij een lichtbruine huid en donker haar.’ Ik vertelde dat Özdil dankzij dat uiterlijk op zijn vijftiende was geweigerd bij een club. De rest van zijn gymnasiumklas mocht naar binnen om te dansen, hij moest in zijn eentje naar huis. Toen hij de universiteit had gedaan, kreeg hij geen werk. Dat had te maken met zijn naam, die veel Nederlanders héél eigenaardig vonden. Hij ging toch door met solliciteren en uiteindelijk accepteerde hij een baan onder zijn niveau, als vertaler. Van het een kwam het ander, en nu promoveert hij en zie je hem in kranten, op televisie, overal. ‘Hij heeft doorgezet,’ zei ik tegen mijn zoon. ‘Hij eist zijn plek in Nederland op, want het is ook zijn land. Dat moet jij ook doen. Laat je niet gek maken, Nederlanders wennen maar aan je kleur en je naam.’

Ik weet niet of het helpt, maar wat peptalk kan geen kwaad, denk ik dan maar. Naar mijn bescheiden mening kun je als moslimjongere tegenwoordig maar beter geen last hebben van te weinig zelfvertrouwen of andersoortige geestelijke labiliteit. Datzelfde geldt voor alle andere Nederlandse jongeren met een exotische naam en/of zwart haar en een niet-witte huid: steeds maar moeten voelen dat je een apart soort Nederlander bent, of helemaal geen Nederlander, frustreert, vooral als je jong bent en dringend op zoek naar een groep om bij te horen.

Nu zijn er mensen die vinden dat het leven wel heel politiek correct wordt als ze niets meer over afkomst of kleur mogen zeggen. ‘Zolang we erom kunnen lachen, is er toch niets aan de hand?’ zei eerder dit jaar een vader van een voetbalvriendje van mijn andere zoon (11). We stonden langs de lijn naar de prestaties van onze kinderen te kijken en hij maakte een zogenaamd lollige opmerking over een langslopende bruine vrouw, iets over haar kleur, godzijdank weet ik niet meer wat. ‘Ja, jij kan erom lachen,’ zei ik, ‘zij waarschijnlijk niet.’ Dat is het punt: witte Nederlanders mogen best vinden dat niet-witte Nederlanders wat luchtiger moeten doen over deze onderwerpen, ze bedoelen het absolúút niet racistisch, maar ik zou zeggen: bepaal niet voor een ander hoe die zich moet voelen.

Volgens mijn stiefzoon kunnen jongens en meisjes uit onvrede over hun buitenstaanderspositie vatbaar worden voor criminaliteit of moslimextremisme. Niet dat hij omging met moslimextremisten – toen ik het vroeg, moest hij lachen bij de gedachte. ‘Nee, die wilden nou juist niets te maken hebben met mij en mijn vrienden. Wij dronken alcohol,’ zei hij. Maar wat ze deelden was dit: hun gevoel nergens bij te horen, behalve bij een clubje geestverwanten. Ze blijven daarmee evengoed zelf verantwoordelijk voor hun ontsporing, maar het idee niet volwaardig mee te doen in je land is hoe dan ook ongunstig, lijkt mij.

Lees wat de Brusselse jihadexpert Montasser Alde’emeh onlangs in NRC Handelsblad zei. Hij onderhoudt nauw contact met jihadgangers en op de vraag of IS dit soort jongeren structuur biedt, antwoordde hij: ‘Als je geen enkele voeling hebt met waar je woont? Ja. Als je er niet aan de bak komt? Ja. Neem de jongens uit Molenbeek. Ze eten en voetballen samen. Op een dag vertrekt er een. Later helpt hij anderen, die zich ook aangesproken voelen door de droom van het kalifaat. Daarna gaat de radicalisering snel.’

In dezelfde krant stond het relaas van moslima Bouchra die na de aanslag op Charlie Hebdo in de supermarkt een harde duw kreeg en op de grond viel, en op het zebrapad bijna werd aangereden. Na de aanslagen in Parijs sloot ze zich thuis met haar kinderen op, ramen en deuren gesloten omdat ze bang was dat iemand iets naar binnen zou gooien. Ze zou zich graag thuis willen voelen in Nederland omdat hier haar wortels liggen en niet in Marokko, vertelde ze, waarna ze begon te huilen. ‘Als je het gevoel hebt dat je erbij hoort, kan je de wereld aan. Als je je ontheemd voelt, ben je kwetsbaar.

Het moet even schaamtevol worden om mensen af te wijzen op grond van hun naam of kleur als om hun geaardheid.

Diversiteit hoort niet in een apart hok

Laten we haast maken met een mentaliteitsverandering. Laten we ophouden te bekvechten over het begrippenapparaat dat we in het racismedebat hanteren, want met begrippen schaffen we racisme niet af. Laten we ook stoppen met discussies over wie wel en niet mogen meepraten. Nog even en we gaan meten wie het ergste discriminatoire leed heeft meegemaakt en dan zijn we voorlopig nog niet klaar. Reken maar dat ook een Groningse akkerbouwer uit Finsterwolde vindt dat hij buiten zijn provincie soms vreemd wordt aangekeken. Aan de slag, en dat hoeft niet moeilijk te zijn. Uit onderzoek blijkt dat het bedrijfsleven, en dan vooral het midden- en kleinbedrijf, al jarenlang liever geen personeel aanneemt met niet-Nederlands klinkende namen. Sterker: dergelijke kandidaten belanden vaak bij voorbaat in de prullenbak. Laat directies per decreet afkondigen dat dit onmiddellijk ophoudt. Het moet even schaamtevol worden om mensen af te wijzen op grond van hun naam of kleur als om hun geaardheid, waar laatst in het Friese Drachten nog ophef over was.

Hoofdredacteuren, die massaal klagen dat het zó moeilijk is goede ‘allochtone’ journalisten te vinden, stoppen daar per direct mee. Het is onzin dat redacties niet binnen een aantal jaren wat diverser van samenstelling kunnen zijn. Er hoeven geen commissies te worden opgetuigd om het probleem te tackelen. Een apart Radio 1-programma over diversiteit, waar NTR en NOS nu op studeren, is helemaal het verkeerde idee. Diversiteit hoort niet in een apart hok, alle redacties horen divers te zijn, pas dan zijn ze een afspiegeling van de wereld waarover ze berichten. Het probleem is volgens mij dit: hoofdredacteuren zoeken misschien wel ‘allochtonen’, maar die moeten dan altijd nog een beetje op henzelf lijken. Dat is menselijk, je omringt je het liefst met personeel waarvan je inschat dat je er goed mee kunt samenwerken, en dan kom je dus meestal uit bij een soort van kopieën van jezelf. Beste hoofdredacteuren, probeer eens een veelbelovende journalist uit met wie jullie je niet direct verwant voelen. Ik kan zo tien uitstekende jonge collega’s opnoemen, met namen die heel wat aantrekkelijker klinken dan Greta Riemers­ma.

Ook via het onderwijs valt veel te bereiken. Sinds 2012 zijn basisscholen wettelijk verplicht aandacht te besteden aan seksuele diversiteit, in de hoop dat discriminatie op dit vlak afneemt. Waarom doen we zoiets niet met diversiteit in het algemeen? Waarom niet lesgeven over racisme, vooroordelen, dat hele complex van mensen in een hoek duwen waar ze niet willen zitten? Is er een politicus die dit idee kan oppikken?

Zo zijn er meer concrete stappen te maken, waarvan het succes natuurlijk afhangt van welwillendheid. Mentaliteitsverandering ís een kwestie van welwillendheid, waarbij het helpt als witte Nederlanders zouden inzien dat zo’n verandering ook hún iets oplevert. Werkgevers moeten beseffen dat ze zeker in de Randstad de helft van de Nederlandse bevolking mislopen als ze bij sollicitaties de exotische namen overslaan.

Wat een potentieel ontzeggen ze zich, want van migrantenkinderen is het bekend dat ze het over het algemeen beter willen doen dan hun ouders. Voor veel andere Nederlandse kinderen met hun hoogopgeleide, tamelijk goedverdienende ouders is dat zo goed als onmogelijk geworden. Veel migrantenkinderen proberen het uiterste uit hun talenten te halen en dat ze nu steeds harder schreeuwen over racisme, toch niet het meest populaire onderwerp in Nederland, zegt iets over hun wil in dit land te slagen.

Voor de rest, of misschien wel om te beginnen, moeten ouders hun verantwoordelijkheid nemen. Ouders horen geen racistische taal uit te slaan én ze horen kun kinderen te beschermen tegen uitsluiting. Daarom zeg ik tegen mijn stiefzoon, wat ik niet vaak genoeg heb gedaan toen hij jonger was: weet dat je bij ons hoort, wij houden van jou. Ik hoop dat je gauw iets van je leven maakt.