De beste in zijn vak: Peter Vandertop
Waarom hij De beste in zijn vak is? Peter Vandertop (54) haalt zijn schouders op. Dat zou hij zo niet kunnen zeggen. ‘Eerlijk gezegd hecht ik ook niet veel waarde aan zo’n competitie. Het is aardig, maar niet meer dan dat.’ Als neurochirurg maakt hij deel uit van een van de kleinste beroepsgroepen van Nederland. Vandertop heeft maar honderdtien collega’s. De meeste neurochirurgen zijn verbonden aan een academisch centrum en werken daarnaast een of meer dagen per week in een niet-academisch perifeer ziekenhuis. ‘Daar doe je de eenvoudiger zenuwproblemen, maar zeker geen hersentumoren.’ Vandertop werkt de ene helft van de week in het VU medisch centrum en de andere in het AMC. Hij weet dat zijn vak door de buitenwereld soms wordt gezien als de eredivisie van de chirurgie. Maar dat is zwaar overdreven, vindt hij zelf. ‘Op straat heb je weinig aan ons. Wij zijn totaal niet goed in het redden van levens “in het wild”.’ Het is beslist waar dat hij zich beroepsmatig begeeft op letterlijk het snijvlak tussen leven en dood. Maar ook daar is hij nuchter in. ‘Natuurlijk: als ik een fout maak, gaat er iemand dood. Maar als een buschauffeur een fout maakt, gaan er veertig mensen dood.’
Vandertop is nog van de generatie neurochirurgen die als allrounder werd opgeleid. ‘Je moest nagenoeg alles kunnen. Overal waar zenuwen voorkomen, moest je kunnen opereren.’ Toch koos hij aanvankelijk voor de kinderneurochirurgie. Voor een deel ook vanwege contacten met collega’s. ‘Ik ben via de EANS, de Europese Neurochirurgenclub, wel eens op congressen in Oost-Europa geweest. Daar kwamen internationale hotshots vertellen hoe het moest. Verhalen om van te gruwen. Ging het bijvoorbeeld over een tumor boven de oogzenuw. Zeiden ze: “Het eerste wat je moet doen, is de hele rechtervoorkwab verwijderen.” Een jonge Duitse chirurg vroeg of dat niet wat ver ging. Die professor reageerde hoogst verbolgen: “Het is een kunstfout als je niet begint met een lobectomie.” Toen dacht ik: als dit de Europese cursus is waar ik het vak moet leren, geven ze mijn portie maar mooi aan Fikkie. Het jaar daarop ging ik naar een kinderneurochirurgie-congres. Heel kleinschalig en met zulke aardige mensen. Ik dacht: dit is iets voor mij.’ Vandertop begon als kinderneurochirurg bij het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht. Daar werd hij getroffen door de intense band die kinderartsen hebben met hun patiënten. ‘Dat is een onvoorstelbare betrokkenheid; alsof je hún pijn doet wanneer je aan hun patiënten komt. Ze denken dus wel tien keer na voordat ze een kind afstaan aan een chirurg.’
Kunt u zich de eerste operatie van een kind herinneren?
‘Niet de eerste, maar wel een zware operatie die veel indruk maakte. Het ging om een jongen van elf die opgegeven was. Hij had een hersenstamtumor die bijna zo groot was als de helft van zijn hoofd. Of het nou jeugdige overmoed was of niet: ik dacht dat het wel te doen moest zijn. Ik was vlak daarvoor een paar maanden in Toronto geweest om extra expertise op te doen, had net een aantal artikelen geschreven over hersenstamtumoren. Dit was een van mijn aandachtsgebieden. Ik dacht: er is nooit serieus geprobeerd om er iets aan te doen, er is alleen gesleuteld in de marge. Het was een enorme operatie. Ik was er de hele dag mee bezig. ’s Middags om een uur of vier kwam mijn baas Kees Tulleken binnen: “Zo, en hoe gaat het hier?” Ik zei: “Ik weet niet zeker of dit het tectum is. Het zou toch wel heel vervelend zijn als die jongen straks dubbel gaat zien.” Tulleken zag alleen dat enorme gat in dat hoofd, zei niets en sloop weg. De volgende dag zei hij: “Jij had het maar over dat tectum. Terwijl ik alleen maar dacht: man, waar ben je aan begonnen”.’
Hoe is het met die jongen afgelopen?
‘Hij is er nog steeds. Al heb ik het er niet helemaal uitgekregen.’
Heeft hij een menswaardig bestaan?
Met een diepe zucht: ‘Dat is wel een heel gemene vraag in de neurochirurgie. Hij is ernstig gehandicapt, maar is op zijn eigen manier gelukkig en tevreden. Ik heb hem al tien jaar niet meer hoeven opereren.’
Hoe was het gelopen als u hem niet had geopereerd?
‘Dan was hij zeker dood geweest. Deze operatie is voor mij wel een keerpunt geweest. Als je echt ergens voor gaat, dan lukken dingen vaak. Niet op de manier van: alles mag en we zien wel waar het eindigt. Maar wie geen risico’s neemt, komt niet ver.’
U sluit vooraf een contract met de patiënt. Geldt dat vooral als bijsluiter bij de operatie of kunnen de patiënt en zijn familie u er echt aan houden?
‘De wet verplicht ons om aan te tonen wat er is afgesproken. Dat moeten we zwart op wit hebben. In Amerika moeten patiënten en artsen daadwerkelijk tekenen. Hier is het vooral gebaseerd op vertrouwen.’
Wat staat er precies in zo’n contract?
‘Daarin staan het doel van de operatie, de risico’s en de mogelijke complicaties. Het komt voort uit de toegenomen juridisering van de samenleving. Het komt regelmatig voor dat mensen, de patiënt of de nabestaanden, daadwerkelijk een advocaat inschakelen. Meestal komt dat voort uit onverwerkt verdriet. Dan blijken de complicaties erg te zijn tegengevallen.
Neurochirurgie is emotioneel en fysiek een zwaar vak. Tijdens de dagen waarop je hernia’s opereert, toch de bulk van de neurochirurgie, moet je continu staan. Bij ingrepen aan het hoofd zitten we, met een microscoop erboven. Ook dat is zwaar. Een operatie aan een hersenstamceltumor duurt een uur of acht. Om kwart voor acht ’s morgens gaat de patiënt naar de OK. Je begint om een uur of half tien en als het meezit, ben je voor zessen klaar. Dan is het een mooie dag geweest. Valt het tegen, dan kan het doorlopen tot acht, negen uur ’s avonds. En als het echt extreem is, dan kan het voorbij middernacht worden.’
Waar zit de emotionele belasting precies in?
‘In de onvoorspelbaarheid van de uitkomst. Ik kan een technisch perfecte operatie doen met een prachtige afloop. En ik kan de volgende dag exact dezelfde operatie doen met verschrikkelijke gevolgen voor de patiënt. Dan weet ik niet wat ik fout heb gedaan. Dat geeft druk.’
U praat vooraf uitvoerig met de patiënt. Bent u tijdens de operatie vervolgens bezig met ‘een hoofd’ of met ‘het hoofd van Hans’?
‘Voor 99 procent is het werkterrein. Ik laat Hans bewust niet te dichtbij komen. Dat is voor mijn eigen stressniveau niet goed. Dan ga je beslissingen nemen op basis van emoties. Onlangs zou ik een mevrouw opereren. Ik sprak haar voor de operatie nog even. Huilend zei ze: “Dokter, ik ben zo bang dat ik doodga. En ik wil niet dood.” Terwijl dat wel een reëel risico is. Als er wat misgaat, kan iemand doodgaan. Ik zei: “Mevrouw, ik ga echt ontzettend mijn best voor u doen.” Toen het tijdens de operatie opeens flink ging bloeden op een cruciale plek, flitste dat toch even door mijn hoofd: “Ze moet nu toch geen gelijk gaan krijgen!”‘
Hoe is het afgelopen?
Stralend: ‘Heel goed, gelukkig.’
De mortaliteit is in uw vak per definitie hoog.
‘Dat valt wel mee, hoor. In verhouding gaan er maar weinig mensen op de operatietafel dood. Halverwege de vorige eeuw ging nog dertig, veertig procent dood. Daarna ging het beter, met name door betere anesthesie. Niet eens aan ons te danken, maar bijvoorbeeld aan professor Bob Smalhout met zijn CO2-metingen. Tegenwoordig is het eigenlijk ongebruikelijk dat mensen doodgaan tijdens de operatie.’
Komt het voor dat u denkt: moet ik deze man nog wel redden?
‘Heel regelmatig. Dat zijn moeilijke beslissingen. Ik heb van Tulleken geleerd dat je nooit vooraf moet zeggen: voor deze man kunnen we niks doen. Vroeger zei men bijvoorbeeld: mensen van 85 met een bloeding opereren we bij voorbaat niet. Dat is niet meer zo. Het begint altijd met kijken naar de patiënt: hoe ligt hij erbij? Hoe zien de foto’s eruit? Dan pas kun je zeggen: hier help ik hem wel of niet mee. Voor een chirurg is niet opereren veel moeilijker dan wel opereren. Wij zijn opgeleid om mensen te helpen. Maar met niets doen help je soms het best.’
Zijn er operaties waar u tegenop ziet?
‘Nee. Ik heb er altijd veel zin in. Ik voel me uitgedaagd om er iets goeds van te maken.’
Wie daagt u dan uit? Die tumor?
‘Zeker. Dat is toch je tegenstander. Dat zeg ik ook tegen mijn assistenten: “Kom op, we pakken hem. We gaan winnen, we laten ons niet door dat ding kisten.” Vervolgens stort je je er met volle overgave op. Vaak loopt het goed, maar je hebt ook regelmatig dat je bezig bent en weet: dit gaat ‘m helaas niet worden. Dat noem ik toch een geval van karma.’
En ‘karma’ betekent in dit verband?
‘Dat is het lot dat je niet kunt bepalen. Dat zeg ik ook altijd tegen patiënten: “Het moet uw dag zijn, het moet mijn dag zijn. En die twee moeten ook nog samenvallen.” Dat weet je nooit van tevoren. Maar ook als het slecht loopt, ga je door. Niet tot in het oneindige, maar ik weet dat de aanhouder kan winnen.’
Waar let u op als u een nieuwe neurochirurg aanneemt?
‘Of hij of zij zich toetsbaar opstelt. We bespreken elke ochtend en avond hoe alles verlopen is en wat er beter had gekund. Wat ik van Kees Tulleken heb geleerd, is dat hij zich nooit te groot achtte om er iemand anders bij te halen voor advies, ook al was hij zelf het hoofd van de afdeling. Dat moet je tot op de laatste dag dat je opereert houden. Nooit denken: wie weet dit nou beter dan ik?’
Zijn er bij u collega’s die in sommige dingen duidelijk beter zijn dan u?
‘O, zeker. Bij een operatie aan een ruggenmergtumor waarbij de rugwervels niet sterk zijn, vraag ik een jonger staflid altijd om ze vast te zetten. Hij doet dat veel beter en vaker dan ik. Vroeger deed een neurochirurg zoiets zelf. Ook al zat het dan misschien maar iets slechter. Die tijd is voorbij.’
U noemde al een paar keer de naam van Kees Tulleken. Gaat het u aan het hart dat zijn naam door de affaire rond Friso besmeurd is geraakt?
‘Het is jammer dat het hem is overkomen. Maar hij heeft er bewust voor gekozen. Hij wist heel goed wat hij deed. Het viel me overigens op dat leken het veel minder erg vinden wat er is gebeurd dan dokters. Die vinden het allemaal een schande.’
U ook?
‘Ik begrijp niet waarom hij het heeft gedaan. Ik begrijp zijn motieven niet. Maar “een schande” gaat me te ver.’
Tulleken zei: ‘Hoopvol nieuws moet je brengen.’ Maar er wás geen hoopvol nieuws.
‘Dat tekent hem. Kees is een aartsoptimist. Toen wij hoorden wat hij zei, keken we elkaar aan: hoe wéét hij dit allemaal? Maar om ‘m nu voor de tuchtrechter te slepen, dat vind ik ook weer overdreven.’
Uw beroepsgroep is met honderdtien neurochirurgen opvallend klein. Waarom zijn dat er zo weinig?
‘Omdat de aandoeningen die wij bestrijken relatief weinig voorkomen. Er zijn om die reden ook nauwelijks patiëntenverenigingen. Er zijn niet veel patiënten en diegenen die er wel zijn, functioneren in het algemeen wat minder. Bovendien is je levensverwachting bij een hersentumor niet hoog. Dat is wezenlijk anders dan bij hart- of nierpatiënten. Die kunnen vaak nog tientallen jaren mee.’
Is de levensverwachting bij een hersentumor ook na een geslaagde operatie beperkt?
‘Helaas is dat zo. De perspectieven worden beter. Voor de kwaadaardigste tumor stond tien maanden. Dat is nu twee jaar aan het worden. Bij goedaardige tumoren praat je over een levensverwachting van negen tot twaalf jaar. En bij de heel goedaardige misschien wel over twintig jaar.’
Komt het dan weer terug?
‘Er is meestal geen kruid tegen gewassen. Een huidtumor kun je genezen met stralen. Bij hersenen is die mogelijkheid zeer beperkt. Je kunt maar zoveel straling geven als de gezonde hersenen aankunnen. Dat is niet genoeg voor de tumorcellen. Dus die komen vaak terug.’
U kunt ze er niet helemaal uithalen?
‘Bij de meeste hersentumoren kan dat niet omdat ze sprieterig groeien. Soms keren ze terug aan de andere kant. In de jaren tachtig haalden ze wel eens een hele hersenhelft weg. Dan was die tumor er tenminste uit. Kwam-ie vervolgens aan de andere kant terug.’
Denkt u na over de vraag wat u zelf zou doen als patiënt?
‘Ik zou me laten opereren totdat mijn kinderen volwassen en zelfstandig zijn. Dat is een belangrijk criterium om elke maand te willen pakken. Ik heb net een mevrouw geopereerd met uitzaaiingen in de hersenstam. Ze heeft jonge kinderen. Ze is nu ernstig gehandicapt maar dat is het haar waard als dat nog een half jaar oplevert.’
Bent u zich door uw vak extra bewust van uw eigen kwetsbaarheid?
‘Enorm. De dood kan zomaar om de hoek staan. Daar heb je als dokter misschien iets meer oog voor. Ik zet geen ladder tegen een boom om een tak af te zagen. Dat verdom ik. Een collega-chirurg deed dat ooit. Hij viel, brak zijn nek. Gewoon in zijn eigen tuin. Verschrikkelijk. Ik heb onwaarschijnlijk mazzel dat iedereen in mijn omgeving gezond is. Onze ouders leven nog, niemand is ziek. Dat is krankzinnig uitzonderlijk. Tot nu toe kom ik elke dag heel gelukkig thuis. Dat blijft een enorm contrast. Als je op vakantie drie weken alleen maar omringd bent geweest door gezonde mensen, dan komt het eerste ochtendrapport toch even keihard bij je binnen: weer 28 mensen van wie je weet dat ze nooit meer helemaal de oude worden.’
Er bestaat een boek over neurochirurgie: When the air hits your brain, you ‘ll never be the same. Worden mensen anders na een hersenoperatie?
‘Nee. Hooguit veranderen ze door de ziekte zelf. Als u binnenkomt na een auto-ongeluk met ernstig hersenletsel, dan wordt u nooit meer de oude. Maar dat komt door de schade van het ongeluk, niet door de operatie.’
U kunt zich met uw scalpel een halve centimeter vergissen. En dan kunnen de gevolgen desastreus zijn.
‘Ja, die kans bestaat. Al is een nabloeding na de operatie veel enger. Dat is veruit de meest gevreesde complicatie.’
Na hoeveel tijd na de ingreep denkt u: dit komt wel goed?
‘De bezorgdheid neemt met het uur af. Patiënten liggen de nacht na de operatie op de uitslaapkamer. Daar is de kans op een nabloeding al aanzienlijk gedaald.’
Staat u dan zenuwachtig op de drempel toe te kijken?
‘Ja, de hele tijd. We gaan niet naar huis voordat we weten dat hij wakker is. Dat gaat vóór alles. Het is jouw patiënt. Je voelt je nauw bij hem betrokken. Hij is toch degene die zijn leven in jouw handen heeft gelegd. Zo voel ik dat echt.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.