Watervallen, basketbalkooien en klimmuurtjes: de Perry Sport was het begin van de shopping experience. Nu is zelfs dat kennelijk niet meer genoeg.

Specialisten moet je serieus nemen. Ik zal dus de laatste zijn om retailspecialist Sabien Duetz tegen te spreken. Als zij de ondergang van Perry Sport logisch vindt, dan zal dat ongetwijfeld een haarscherpe analyse zijn. Maar ik schrok wel, van de kop boven haar uitspraken in de Telegraaf.

‘Er valt daar niets te lachen,’ stond er in vette letters. In het stukje zelf hamerde Duetz er nog wat harder op verder. ‘Het is net als met V&D, er valt daar niets te lachen.’ En: ‘Het is alleen maar prijs. En alleen maar prijs is niet genoeg. Dat is wat het is.’

Dát was het dus, wist ik nu. En dat het verwarrende tijden zijn, dat was me ook al wel duidelijk. De disruptie vliegt je bijkans om de oren. Zekerheden blijken keer op keer een leugen. Maar deze slag voelde ik oprecht niet aankomen.

Als er verdorie érgens iets te lachen viel, dan was het wel bij Perry Sport!

Natuurlijk: herinneringen moet je juist niet te serieus nemen. De gevallen gaten zijn te groot. En geweekt in de verstreken jaren druipen ze vaak van valse nostalgie. Misschien lag het ook aan mijn jeugd in een middelgrote provinciestad: te groot voor een directe noodzaak om weg te vluchten, te klein om echt spannend te zijn. Dan lijkt het al snel heel wat. Maar ik kán me tijden herinneren dat de Perry Sport een uitje was.

Het zal halverwege de jaren negentig zijn geweest, dat de winkel na een verbouwing heropende. De geruchtenmachine kwam al snel op gang. ‘Ben jij al bij de nieuwe Perry geweest,’ vroegen mensen elkaar. Een vriendin was meteen gegaan. Uitleggen kon ze het niet goed. ‘Je moet echt zelf even gaan kijken.’

Het was waar. De nieuwe Perry was het beloofde winkelland. Een waterval ruiste je bij binnenkomst al tegemoet en daarlangs slingerde een klimmuur zich omhoog. Daaroverheen liep de roltrap, waarmee je bij de badmode terecht kwam. Ook op die verdieping: een korte renbaan en een basketbalkooi, waar in mijn herinnering inderdaad randgroepjongeren (ook die had je toen nog) rond dribbelden. Net als in Amerika, dacht ik dan verrukt. De tweede verdieping was nog mooier, met een slingerend beeklandschap, houten bruggetjes en een grindveldje met wat tentjes. In de slaapzakken kon je vast proefliggen. Perry Sport, dat was de avant garde van de shopping-experience. Dit was winkelbeleving, láng voordat Albert Heijn kartonnen bekertjes met live opgewarmde boerenkoolsoep begon uit te delen.

Misschien was het mijn weinig opwindende jeugd. Bovendien: het waren de jaren negentig, gouden tijden van het kapitalisme, toen mensen het woord ‘funshoppen’ nog gewoon gebruikten en de winkelstraten nog gezellig waren. Maar ik kon echt rondhangen in de Perry Sport. Even kijken naar de basketballers. Een sprintje trekken op het renbaantje, of gewoon even luisteren naar de waterval.

Zo onheilspellend is de dood van Perry. Als dit al niet leuk genoeg was, dan kunnen we stadscentra misschien maar beter gelijk afgrendelen, als nucleair vervuild terrein uit vervlogen tijden. Je kunt er nog zoveel klimmuurtjes tegenaan gooien. Maar te lachen valt er in de winkelstraten allang niets meer.