Weg met Amerika! Dat is niet de boodschap die je verwacht bij de Oscar-uitreiking, de jaarlijkse viering van Hollywoods wereldheerschappij. En toch is dat de strekking van de titels die dit jaar zijn genomineerd voor de Oscar voor Beste Film, van American Hustle tot Nebraska, van The Wolf of Wall Street tot 12 Years a Slave. Deze films vertellen dat Amerika wordt gerund door oplichters. Door bedriegers, leugenaars en zwendelaars. Door rijken die het geen zak kan schelen dat de armen verrekken. Door mensenhandelaren en racisten. Door zakenmensen en bankiers die met dollartekens in de ogen en cocaïne in de neus over lijken gaan. Ze vertellen dat Amerika de maatschappelijke verbanden heeft verbroken tussen rijk en arm, tussen ouder en kind. En dat de kiemen daarvan al lang geleden zijn gelegd en de toekomst niet veel beter zal zijn.

Natuurlijk zal deze grimmige boodschap op de avond van de uitreiking zelf worden verpakt in glitter en glamour. De aandacht zal gaan naar de grappen van de presentator en de avondjurken der steractrices. Maar ondertussen kun je de jaaroogst van de Amerikaanse cinema wel degelijk zien als een weerslag van zijn tijd.
Maar zijn die films dan niet de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie? Nee, natuurlijk niet. Het kost jaren en veel geld om een film van de grond te krijgen. Een traag proces, waarin stap voor stap de scherpste randjes van een project worden geschaafd. In de laatste montage doseert de studio, na een serie proefvertoningen met publiek, zorgvuldig mogelijk aanstootgevende beelden en uitspraken. De studiohoofden mogen in Amerika tot de liberal elite worden gerekend, ze zijn bovenal zakelijk en behoudend. Hollywood schuwt de controverse.
En dat geldt ook voor de bijna zesduizend leden van de Academy of Motion Picture Arts and Sciences die de Oscars uitreiken, een verouderd gezelschap filmprofessionals die een product zijn van dezelfde conservatieve intuïties. Vooral witte mannen van in de zestig, zoals de Los Angeles Times in 2012 na onderzoek vaststelde.
Als dit systeem van behoudende liberals, van zakenmensen die geen geld willen verliezen, van een industrie die entertainment ook bij prestigeprojecten als het hoogste goed beschouwt, in de loop der jaren een reeks belangwekkende films aflevert over oplichters en egotrippers, over rijke klootzakken en arme sloebers, dan is dat omdat ze denken dat Amerikanen daar klaar voor zijn. En daarom mogen deze films worden beschouwd als een teken des tijds. En dan niet alleen van dit jaar, maar, gezien de lange productietijd, vanaf pak ’m beet de crisis van 2008.
Tom Hanks

Tom Hanks verwoordt het sentiment aan het begin van Captain Phillips, waarin hij de titelrol vervult. Phillips’ vrouw verzucht: ‘De wereld verandert zo snel.’ De kapitein antwoordt: ‘Ik maak me zorgen om onze kinderen.’ Het is het afkalvende geloof in de Amerikaanse Droom voor de volgende generatie. Als kort daarna een Amerikaanse vlag in beeld verschijnt, voelt dat niet als een trots machtssymbool. Kijk naar het leger, dat later in de film in actie komt, met marineschepen en een SEAL-team. Niet om de Russen of Afghanen te bestrijden, maar om één miezerig groepje arme sloebers uit te schakelen: Somalische piraten die het schip van kapitein Phillips hebben geënterd. Regisseur Paul Greengrass bedoelt het vast niet ironisch, zijn sexy helikoptershot van een marineschip dat door de golven klieft, maar zo komt het wel over. Het Amerikaanse leger, met al zijn macht en middelen, kan nog net, met moeite, vier piraten uitschakelen uit mogelijk het armste land ter wereld. Dat is geen overwinning, dat is een vernedering.

Captain Phillips lijkt zo bijna een parodie op Amerikaanse heldhaftigheid. Het is tekenend dat hoofdrolspeler Hanks, die de meest heroïsche rol speelt, niet werd genomineerd voor een Oscar. Het is een van de opvallendste snubs: algemeen verwachte Oscar-nominaties die niet kwamen. Dat geldt ook voor Hanks’ rol in Saving Mr. Banks, waarin hij overtuigend Walt Disney speelt: hét symbool van het vertrouwde, familievriendelijke Amerika van weleer. En voor Emma Thompson, die in dezelfde film schittert als P.L. Travers, de auteur van klassieker Mary Poppins. Ook gepasseerd: Robert Redford als zwijgzame zeeheld in de eenpersoonsfilm All is Lost. Helden, klassiek Hollywood – passé.
De meest opvallende snub is The Butler. Geen geweldige film, maar wel een die hard ‘Oscars!’ riep. Maar in plaats van deze historisch optimistische film over de zwarte butler Cecil Gaines (gespeeld door Forest Whitaker) die na het bedienen van acht opeenvolgende presidenten in het Witte Huis meemaakt dat Obama de verkiezingen wint, selecteerde de Academy 12 Years a Slave, die teruggrijpt op de meest duistere periode in de Amerikaanse rassenverhoudingen.
Echt gebeurd
Het gevoel dat filmmakers en de Academy iets willen zeggen over Amerika wordt versterkt doordat de meeste genomineerde films zijn gebaseerd op ware gebeurtenissen. Dat geldt voor 12 Years a Slave, Captain Phillips, American Hustle, Dallas Buyers Club, The Wolf of Wall Street en Philomena. Dit is echt, zegt de Academy met zijn selectie. Dit is Amerika. En dat Amerika is hard voor zijn onderdanen. Neem 12 Years a Slave en Philomena. Allebei gaan ze over menselijke handelswaar in een beladen verleden, in beide gevallen gesanctioneerd door de Kerk, en allebei zijn ze geregisseerd door een Brit – die op dit gebied kennelijk meer durven dan de Amerikanen zelf.

In Steve McQueens 12 Years a Slave wordt een vrije zwarte man dronken gevoerd, gekidnapt en als slaaf verkocht in het Amerikaanse Zuiden om na twaalf gruwelijke jaren, waarbij zijn eigenaar zich regelmatig beroept op de Bijbel, zijn vrijheid te heroveren. In Stephen Frears’ Philomena is het de Ierse katholieke kerk die buitenechtelijke kinderen, onder wie de zoon van het titelpersonage, voor duizend pond per stuk verkoopt aan bemiddelde Amerikanen. Geen wezen dus – de jonge moeder Philomena Lee (vertolkt door Judi Dench), die wordt vastgehouden in het klooster, weet niet dat haar kind wordt verhandeld. Jaren later ontdekt ze dat haar zoon in Amerika een succesvol medewerker van Bush en Reagan is geweest – maar daarvoor moest hij wel zijn seksuele geaardheid en aids-infectie verbergen voor de homofobe Republikeinen.
Die aids-gerelateerde homofobie keert terug, in combinatie met de machinaties van de farmaceutische industrie en het medische establishment, in Dallas Buyers Club van Jean-Marc Vallée, met de briljant acterende Matthew McConaughey als spil van een illegaal circuit voor experimentele medicatie aan het begin van de aids-epidemie in de jaren tachtig.

Het zijn voorbeelden van de kleine man die vecht tegen het systeem. Natuurlijk een standaardverhaal in Hollywood-films, maar dit keer wint de kleine man niet. Of niet echt. Twaalf jaar van je leven kwijtraken kun je geen winnen noemen. Je kind nooit meer terugzien ook niet. Net zo min als iets later aan aids creperen dan de artsen hadden gedacht.
In The Wolf of Wall Street en American Hustle proberen regisseurs Martin Scorsese en David O. Russell het gezelliger te houden, maar dat is juist wat deze films zo wrang maakt. De ‘wolf van Wall Street’ en de zwendelaars in American Hustle aarzelen niet om mensen hun spaargeld afhandig te maken – dat sommige slachtoffers zelf even oneerlijk zijn, maakt het beeld van Amerika als geheel alleen maar cynischer. Wat is een held? Een oplichter die, tussen het naaien van goedgelovige burgermannen door, nog grotere oplichters te grazen neemt. American Hustle, dat is gebaseerd op het ABSCAM-schandaal van de jaren zeventig, voert dit oplichtersthema tot het uiterste door: in een chaotische confrontatie van zwendelaars, bankiers, politici, FBI’ers en maffiosi draait alles om de vraag wie van hen wie wanneer, hoe en waarom bedriegt.

Hoe verschillend deze films over het (recente) verleden van de Verenigde Staten ook zijn, altijd geldt: de gewone man is de dupe, waarbij doorgaans de relatie tussen ouders en kinderen beschadigd of verbroken raakt. Zo bezien leiden deze verhalen als vanzelf naar de verstoorde familieverhoudingen en het verpauperde small town America in het enige contemporaine verhaal dat is genomineerd, Nebraska. Armoede en werkloosheid in ruraal Amerika: de gevolgen van de feestelijke wandaden in The Wolf of Wall Street. Hier wonen de ‘vuilnismannen aan wie ik vuilnis verkoop’, zoals Leonardo DiCaprio’s personage het in die film omschrijft.
Nebraska is een film met een lach en een traan, en de familieleden groeien zoals verwacht naar elkaar toe, maar wel tegen de achtergrond van een tragisch Amerika dat de hoop heeft verloren. Niks hope, niks change. Het enige wat mensen in beweging krijgt, is het idee dat ze misschien iets voor niks kunnen krijgen. Iemand beroven. Of de loterij winnen. Of, als dat niet lukt: doen alsof je hebt gewonnen en daarmee anderen de ogen uitsteken. Grappig ja – totdat je het serieus neemt. Dan is het dieptriest.
Herboren
En wat biedt de toekomst? In Her heeft de technologie zich verder ontwikkeld en ziet de wereld er niet armoedig uit. Maar de mensen zijn vereenzaamd; ieder heeft zijn eigen computeroortje in. De hoofdpersoon (gespeeld door Joaquin Phoenix) werkt bij BeautifulHandwrittenLetters.com, waar hij liefdesbrieven schrijft voor mensen die daar zelf geen tijd voor hebben. Niet letterlijk met de hand, ze worden uitgeprint alsof. Vervolgens wordt hij verliefd op zijn nieuwe, kunstmatig intelligente computersysteem, met de stem van Scarlett Johansson. Er valt genoeg te lachen, maar als toekomstbeeld is Her deprimerend – vooral omdat het zo voorstelbaar is.

En dan Gravity – de beste film van deze negen. Het verhaaltje dat in Gravity de spectaculaire ruimteavonturen bijeenhoudt, is simpel, maar kan gelden als de overkoepelende mythe van de negen genomineerden. De boodschap? Weg met Amerika – letterlijk. Hoofdpersoon Sandra Bullock heeft onlangs haar kind verloren. Daarna heeft ze, als ruimtevaarder, de aarde verlaten. In de ruimte verliest ze niet alleen de Space Shuttle, die wordt vernietigd door rondvliegend ruimteafval, maar ook het contact met haar land, in de vorm van de verbroken verbinding met Houston, en met andere mensen, in de vorm van George Clooney. De regressie gaat verder: ze neemt een foetushouding aan, verliest haar taalvermogen (als ze in een Chinees ruimteschip belandt waar ze niets kan lezen) en belandt bij haar noodlanding op aarde in het water, ergens in een natuurgebied. Als ze naar de kant waadt en zich langzaam opricht, als het eerste dier dat ooit aan land ging, is ze een Nieuw Mens geworden. Post-Amerikaans, zogezegd. Een tweede kans.

Maar zo zal het niet gaan. Realistischer is Woody Allens Blue Jasmine – niet genomineerd als Beste Film, maar met Cate Blanchett als gedoodverfde winnaar van de Oscar voor Beste Actrice. Blanchett speelt de financieel aan lager wal geraakte echtgenote van een Madoff-achtige oplichter die, hoewel ze in haar nood is geholpen door dezelfde eenvoudige lieden die ooit door haar man zijn bedrogen, geen enkele les blijkt te hebben geleerd. Ze houdt vast aan haar arrogantie en zelfbedrog en verliest, afgesneden van de cocktailparty’s en dure tassen waarop ze recht meent te hebben, langzaam haar geestelijk evenwicht.

Een les voor de One Percent rijksten van Amerika? Waarschijnlijk niet. Oliver Stones Wall Street was in 1987 een harde aanklacht tegen ongebreideld kapitalisme, maar het ‘greed is good’ van zijn akelige hoofdpersoon Gordon Gekko werd in werkelijkheid door een nieuwe generatie egotrippers juist omarmd als motto. Op een vergelijkbare manier ervaart Jordan Belfort, de werkelijk bestaande hoofdpersoon van The Wolf of Wall Street, dat een negatief artikel over hem in zakentijdschrift Forbes juist positief uitpakt. Slecht nieuws is goed nieuws: iedereen wil nu werken voor ‘de wolf van Wall Street’ en zijn succes kent geen grenzen meer.
Belforts houding is één groot ‘fuck you!’ naar de rest van Amerika. Niet voor niks is The Wolf of Wall Street in de geschiedenis van Hollywood de speelfilm waarin het vaakst fuck wordt gezegd. Belfort zegt fuck tegen eerlijkheid, fuck tegen de samenleving, fuck tegen de pers, fuck tegen de overheid. Het is een houding die hem rijk en anderen arm maakt. Goed, hij wordt uiteindelijk door de FBI gearresteerd en zit 22 maanden gevangen. Maar welke les leert deze oplichter daarvan? Schrijf je autobiografie! Voor de filmrechten ving hij één miljoen dollar. Ook in Hollywood is voor oplichters goed geld te verdienen.
Oscars
Negen nominaties voor Beste Film
American Hustle van David O. Russell
Captain Phillips van Paul Greengrass
Dallas Buyers Club van Jean-Marc Vallée
Gravity van Alfonso Cuarón
Her van Spike Jonze
Nebraska van Alexander Payne
Philomena van Stephen Frears
12 Years a Slave van Steve McQueen
The Wolf of Wall Street van Martin Scorsese
Bladwijzer
Visuele effecten van 1977 tot nu
De eerste Oscar voor Beste Visuele Effecten ging in 1977 naar Star Wars. In deze ‘supercut’ staan alle winnaars op een rij, eindigend bij de huidige genomineerden – waarbij Gravity de prijs niet kan ontgaan. Leukste om te zien is de overgang van fysieke effecten naar computeranimatie, rond 1990. En toch: voor Titanic (1997) bouwde regisseur James Cameron, naast alle computereffecten, ook nog het schip na, nota bene op ware grootte.
Wedden op Oscars
Net als bij sportwedstrijden kan ook bij de Oscar-uitreiking worden gewed op de winnaars. De (steeds verschuivende) quoteringen vormen een van de beste voorspellingen van de einduitslag. Het grootste online wedkantoor is Betfair, dat bij het ter perse gaan van dit nummer voorspelde dat 12 Years a Slave Beste Film zou worden, Alfonso Cuarón (Gravity) Beste Regisseur en La Grande Bellezza Beste Niet-Engelstalige Film.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.