Hoe de media kwamen en gingen in Irak

De lage tafel van de hotelbar staat vol glazen bier en rode wijn. Speculaties over het lot van een ontvoerde collega vliegen over en weer. Maar er klinkt ook veel gelach boven het geroezemoes van de andere gasten uit. De Iraakse ober manoeuvreert beleefd tussen de herrie van onze reünie door. Zijn gezicht verraadt niet wat er in hem omgaat, maar het kan niet anders of hij associeert de terugkeer van de horde journalisten met nieuwe rampspoed voor zijn land.

De afgelopen jaren werd het conflict in Irak meermalen ‘voorbij’ verklaard. Het mediaspektakel kwam en ging. The story was dead, zoals dat in vaktermen heet, nadat de Amerikaanse gevechtstroepen eind 2011 vertrokken. Maar nu IS en hun soennitische medestanders delen van het land onder controle hebben en de spanningen toenemen, zijn we weer met honderden tegelijk neergestreken.
Ik denk aan oude bekenden die ontbreken. Marie Colvin, de legendarische verslaggeefster van The Sunday Times die in februari 2012 in Homs door een bombardement van Assad het zwijgen werd opgelegd. Anthony Shadid, de aimabele Midden-Oostenkenner van The New York Times, die zo’n fraaie pen bezat dat hij zelfs op de deadline poëzie produceerde, bezweken aan een astma-aanval in Syrië in 2012. Night Draws Near, zijn aangrijpende boek over Irak, zit ook nu weer in mijn koffer. Anja Niedringhaus, fotografe van The Associated Press, die in de geweldmachine van de oorlog altijd individuen in hun ongewisse lot wist vast te leggen, begin april van dit jaar doodgeschoten door een Afghaanse politieman.
Als ik de volgende ochtend langs de Tigris naar het kantoor van The Associated Press loop, rekruteren militairen tientallen jonge mannen in een parkje met palmbomen. Een commandant blaft me weg. In het AP-kantoor, waar Iraakse fotografen af en aan lopen met beelden van gevechten ten noorden en westen van Bagdad, prijkt naast de deur een portretje van Anja Niedringhaus op de Iraakse vlag. ‘Ze is nog elke dag bij ons,’ zegt Khalid Mohammed, die het bureau runt. Aan de wand hangt ook een foto van de omgekomen fotografe en het Iraakse team met de Pulitzerprijs die ze in 2005 samen in de wacht sleepten. Aan hen heeft het niet gelegen dat het land de afgelopen jaren flink uit beeld raakte.

Een gruwelijke mogelijkheid

Toen ik in 2003, aan de vooravond van de oorlog, voor het eerst in Noord-Irak belandde, was het daar een gekkenhuis. Media uit alle windstreken vulden de doorgaans gezapige hotels. CNN had een villa betrokken compleet met eigen kok. De voortreffelijke pasta’s lokten, maar de grootste attractie vormde de kanarie die Diehard heette. Het verhaal wilde dat het beestje als eerste tekenen van verstikking zou vertonen bij een gifgasaanval. Ons grote gissen ging over het tijdstip waarop de oorlog zou beginnen, maar ook de mogelijkheid van een gifgasaanval hield de gemoederen flink bezig. In het hotel waar ik logeerde, liepen de medewerkers van Fox News van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat met gasmaskers als trofeeën op hun heup. Wie zijn uitrusting niet paraat had, vanuit de gedachte dat het statistische pech zou zijn waar weinig aan te doen viel, kon op misprijzende blikken rekenen.
Het journalistieke tumult van analyses, geruchten, speculaties en voortdurende deadlines creëerde zijn eigen realiteit. Als je niet oppaste, ging je in alle hectiek zomaar voorbij aan wat het naderend onheil betekende voor de bewoners van het land. Zo vertelde een vader over het duivelse dilemma: hoe zou hij de twee laatste gasmaskers die hij op de vlooienmarkt had gekocht, gebruiken? ‘Aan wie van ons vijven moet ik ze geven?’ vroeg hij vertwijfeld. Ook de straten die met het uur leger raakten, maakten maar al te duidelijk dat voor de Koerden een gifgasaanval geen onderwerp van speculatie was, maar een gruwelijke mogelijkheid. In het dieptepunt van de angst was Erbil een spookstad waar alleen in de hotels drukte gonsde.
De buurlanden hadden hun grenzen gesloten. Honderden journalisten broedden er tandenknarsend op de wildste plannen om Irak binnen te komen. Het lukte slechts een enkeling. Ik kon mijn oren niet geloven toen Phillip Robertson, de verslaggever van het online magazine Salon.com, zijn oversteek uit de doeken deed. Met een opblaasbare boot was hij in het holst van de nacht vanuit Syrië naar Noord-Irak geroeid, over een rivier die raasde als een opstijgend vliegtuig en met op beide oevers schietgrage grenswachten. Robertson besloot zijn huzarenstukje met een grijns: ‘De boot heb ik aan de Koerdische marine gedoneerd.’ I Invaded Iraq Alone, luidde de kop boven zijn artikel van die week.

Massaal geplunderd

Bij het wachten op de oorlog waren veel ogen gericht op het team van de BBC. Als er ontwikkelingen in de lucht hingen, zou de Britse zender dat vast als een van de eersten weten. De coryfee John Simpson stond zichtbaar onder druk. Zijn collega in Bagdad stal de show met beladen uitzendingen over een stad die wachtte op bommen van The Coalition of the Willing. In Noord-Irak lagen de frontlinies tussen het Koerdische en Iraakse leger er veel langer dan was aangenomen bevroren bij. Toen na de eerste luchtaanvallen de boel eindelijk in beweging kwam, sloeg al meteen het noodlot toe. ‘Big Sims’ team raakte getroffen door friendly fire. De Iraakse tolk Kamaran Abdurazaq kwam om. Een scherfvest zou hem niet gered hebben, maar het bleef een pijnlijk gegeven dat hij zonder stierf.
Ondanks de grote aanwezigheid van de buitenlandse media kwam het grootste deel van de verslaggeving over de oorlog uit het zuiden, waar buitenlandse troepen sneller dan verwacht oprukten naar Bagdad. In het noorden vonden nauwelijks grondgevechten plaats. De meeste Iraakse troepen sloegen gedemoraliseerd op de vlucht. Veel verhalen gingen over de chaos die vervolgens ontstond. Toen Koerdische peshmerga’s en Amerikaanse troepen Kirkuk en Mosul binnentrokken, werd er zo massaal geplunderd dat er op de terugweg naar Noord-Irak een kilometerslange file van afgeladen auto’s ontstond. Generators, bureaus, stoelen, ventilators, alles wat niet vastzat, werd ontvreemd. Een Iraakse tank met een bestuurder die geen raad wist met zijn buit zwabberde dwaas van de weg af. Ook wapendepots waren populair. Onze reisgezel, een Koerdische smokkelaar die we tijdelijk hadden ingehuurd omdat hij het berggebied op zijn duimpje kende, had er flink zijn slag geslagen. De ruimte onder de voorbank van onze auto lag vol kogels en een paar kalasjnikovs stonden klaar om ingeladen te worden. Mokkend kiepte hij zijn handelswaar op de stoep toen ik bezwaar maakte.

de Missile Magnet

Net als de meeste andere journalisten reisde ik door naar Bagdad voor het volgende hoofdstuk in de verslaggeving over Irak. Op 1 mei 2003 verklaarde president Bush op vliegdekschip Abraham Lincoln bij een spandoek met een triomfantelijk Mission Accomplished dat de belangrijkste gevechtsoperaties voorbij waren. Maar een echtpaar in Bagdad dat me door hun gehavende stad reed en bij wie ik later in huis ging wonen, waarschuwde: ‘De problemen zijn nog maar net begonnen.’ Ik zou in de komende jaren nog vaak aan hun woorden terugdenken.
De sjiitische meerderheid greep haar kans om zich te manifesteren in de nieuwe situatie. Opstand begon te broeien onder gemarginaliseerde soennieten. Aanslagen op het hoofdkantoor van de Verenigde Naties en het Comité van het Internationale Rode Kruis schokten de wereld, slechts enkele maanden nadat het standbeeld van Saddam met Amerikaanse hulp van zijn sokkel was getrokken. Daarna werd dit soort aanvallen een treurige routine die alleen het nieuws haalde als het om grote aantallen slachtoffers of bijzondere doelen ging.
Een van die onvermelde verhalen was de dood van een Koerdische collega met wie ik in Noord-Irak enkele dagen had gewerkt. Ahmad Shawkat werd geëxecuteerd in zijn woonplaats Mosul waar hij na de val van het regime een tijdschrift was gaan uitgeven. Volgens zijn familie door islamitische extremisten die zijn kritische houding en open geest niet op prijs stelden. Ahmad was een zachtmoedige man, maar hij was voorstander van de oorlog geweest. We hadden er soms discussies over gevoerd. Als dissidente schrijver en kritische leraar had hij jaren in de gevangenis doorgebracht. Hij kende de wreedheid van het bewind van Saddam als geen ander. Het kon daarna alleen maar beter worden, meende hij. Ik had daar mijn twijfels over. Lang duurden onze gesprekken niet. Ik hield al snel mijn mond, omdat ik zijn standpunt begreep en hem die hoop op een nieuw Irak zo van harte gunde.
Bagdad werd in rap tempo een betonnen doolhof van explosiewerende muren en bewaakte gebouwen. Militaire acroniemen werden dagelijkse kost in ons vocabulaire. IED stond voor Improvised Explosive Device, een bermbom. VBIED betekende Vehicle Born Improvised Explosive Device, oftewel een autobom. Het torenhoge Sheraton Hotel werd zo vaak door raketten geraakt dat het als bijnaam de Missile Magnet kreeg. Het kleinere Al Hamra Hotel, waar veel van de schrijvende pers verbleef, kwam er aanvankelijk nog ongeschonden vanaf. Een van mijn vrienden doopte het daarom The Happy Hamra.

Hoe bloot haar schouders

Twee jaar na de val van het regime was het buitenlandse journaille uitgedund tot enkele tientallen. Slechts een handjevol – voor het merendeel freelancers zoals ikzelf – ging er nog zonder bewakers en zonder gepantserde wagens zo onzichtbaar mogelijk op uit.
De surrealistische aangelegenheid die het werken in Irak geworden was, begon al wanneer de gezagvoerder van Royal Jordanian zijn passagiers met een ‘Relax’ welkom heette. Hoewel de vlucht van Amman naar Bagdad nog altijd een lijndienst was, zaten er nauwelijks meer burgers aan boord. De meeste reizigers leken met hun potige lijven en tatoeages op zware jongens uit een Rambo-film. Tienduizenden werkten als beveiliger voor het Amerikaanse leger en bedrijven. Velen waren schietgrage types met dubieuze achtergronden die het leven voor de rest van Irak vooral een stuk onveiliger maakten. Als ruim een uur na vertrek Bagdad naderde, werd het stil in de kleine Fokker. De aanvliegroute ging over een gebied waar guerrillagroepen opereerden en om vijandelijk vuur te mijden, zette het vliegtuig met een maagkwellende spiraal de daling in.
Daarna wachtte de vijftien kilometer lange route naar de stad die inmiddels ‘De Dodenweg’ heette. Op sommige dagen ontploften er verscheidene bommen. De militaire konvooien en tankwagens die af en aan reden, vormden met hun opschrift DANGER STAY BACK in het Engels en Arabisch een dankbaar doelwit voor aanslagen en het waren er zoveel dat helemaal uit de buurt blijven onmogelijk was.
Door mijn verblijf bij een Iraakse familie ontsnapte ik aanvankelijk aan het afgesloten bestaan in hotelenclaves dat media isoleerde van de dagelijkse werkelijkheid waarover ze berichtten. Toen ik in 2005 toch in het Hamra Hotel belandde, voelde dat als een journalistieke nederlaag. Het Iraakse echtpaar bij wie ik inwoonde, had er jaren geleden hun huwelijksfeest gevierd. Nu was het cementkleurige, zwaarbewaakte bastion de laatste plaats voor romantiek. Toch werd het Hamra een thuis. Vanwege de receptionisten, de obers en alle Iraakse collega’s die ondanks de risico’s met ons bleven werken – al was dat soms ook omdat ze geen keuze hadden.
Een toonaangevend Amerikaans blad stuurde speciaal een schrijfster naar het Hamra voor een verhaal over het westerse press corps dat er nog nooit eerder in de geschiedenis zo belaagd bij had gezeten. Het angstzweet brak de chauffeur Luay Majid uit toen de schrijfster in westerse outfit op zijn achterbank plaatsnam. Toen het hem niet lukte haar ervan te overtuigen dat ze zich moest bedekken, hield hij de werkrelatie voor gezien. Met gêne gebaarde hij later die dag hoe bloot haar schouders waren geweest. Het werd een vaak vertelde grap in het Hamra: Majid was wereldwijd de enige chauffeur die zijn journalist ontslagen had.

Cocktails en katten

Aan stof voor anekdotes was in die dagen sowieso nooit gebrek in het Hamra. ‘Ik zit met een vriendin een cocktail te drinken aan het zwembad,’ hoorde ik mijn collega Phillip Robertson tijdens een gezamenlijke trip door Bagdad zeggen. Hij verhief zijn stem en drukte de telefoon tegen zijn borst om een ronkende helikopter weg te censureren. ‘En er loopt net een kleine zwarte kat voorbij,’ vervolgde hij zodra de rust in de lucht was weergekeerd. Hij legde me uit dat hij zijn moeder daarmee helemaal had gerustgesteld. Cocktails en katten waren voor haar de ultieme indicaties van normaliteit. Toen hij in Afghanistan werkte, was ze zo bezorgd dat ze in haar haast om de telefoon op te pakken tegen een kastje opliep en een rib brak. Dat wilde hij haar niet nog een keer aandoen.
Ook het privéleven van Irak-gangers vormde een dankbaar gespreksonderwerp. Partners hadden de meesten niet meer. Robertson noemde het The Baghdad Touchdown Call. Nog maar nauwelijks hadden de wielen de landingsbaan van de Iraakse hoofdstad geraakt, of het telefoontje kwam dat de liefde over was.
Mijn Iraakse adressenboek begon steeds meer gaten te vertonen. Oude bekenden waren dood, raakten ontheemd of vluchtten naar het buitenland. Wie nog praatte met de pers liep grote risico’s. Eerlijke getuigenissen over de gewelddadige, wetteloze puinhoop waarin Bagdad was ontaard, werden door geen van de strijdende partijen op prijs gesteld. Steeds vaker wilden geïnterviewden anoniem blijven of alleen met hun voornaam genoemd worden. Of ze zagen liever helemaal van een gesprek af. Zo bleven veel verhalen onverteld. Zoals dat van een jonge vrouwelijke arts die dag en nacht slachtoffers van het geweld opereerde. Toen ik haar in 2003 leerde kennen, gaf ze me een rondleiding door het ziekenhuis. Daarna ontmoetten we elkaar vrijwel wekelijks. Nu had ze me laten weten dat ze geen contact meer wilde. En een jonge musicus die vroeger geen angst leek te kennen, schrok zo van mijn vraag of we konden afspreken dat hij ‘I have seen too many corpses’ riep, en vervolgens ophing.
Niet alleen Bagdad was een onderbelicht verhaal. Ook over onrustige plaatsen als Fallujah en Ramadi, Tal Afar, was maar heel weinig bekend. Media kregen regelmatig het verwijt dat ze te negatief berichtten over Irak. Volgens mij was het juist omgekeerd. Vanwege alle restricties lieten we slechts een topje van de ellende zien.

Dodelijke chaos

Terwijl vrijwel alle buitenlandse journalisten in zwaarbewaakte hotels of huizen verbleven, overleefden Iraakse collega’s in een gevaarlijke, vervuilde en chaotische miljoenenstad. Het kostte hen vaak uren om op hun werk te komen. In de zomer steeg de temperatuur tot vijftig graden. Slechts een enkeling kon zich thuis een generator permitteren om de nog altijd haperende elektriciteit te vervangen. In de winter was het venijnig kil terwijl kerosine voor de kachels kostbaar was. Internationale correspondenten verwierven naam en faam met hun berichten. Veel Irakezen moesten uit veiligheidsoverwegingen hun naam verzwijgen – ook al kwam de nieuwsgaring voor een steeds groter deel van hen. De meesten van de ruim zestig journalisten en andere mediawerkers die in 2006 omkwamen toen het geweld een dieptepunt bereikte, waren Irakees. ‘Geluk is als een salami. Je snijdt er elke keer een plakje af,’ verwoordde een van hen de stemming. Uiteindelijk zou de teller van het aantal doden onder voornamelijk Iraakse reporters en mediawerkers tussen 2003 en 2011 zelfs naar ruim 200 stijgen, door oorlogsgeweld, maar ook door afrekeningen en ontvoeringen.
Het Happy Hamra werd al in 2005 getroffen. Maar het grootste deel van het hotel bleef als vanouds open. En lange tijd gaven buurtbewoners de kleine ommuurde wijk nog een schijn van normaliteit. Ik vroeg de eigenaar van een winkeltje waar ik mijn potten Nescafé insloeg, of hij geen bedenkingen had over het doelwit met buitenlanders zo dicht bij huis. Hij lachte en wees naar een paar kleine meisjes die in de schemering tussen de betonnen muren voorbij kwetterden: ‘Dat kan in andere wijken niet.’ Misschien zei hij het tegen beter weten in. Of misschien was het simpelweg Iraakse beleefdheid.
Het was januari 2010 toen ik thuis op de televisie zag hoe de bekende wijk een rokende puinhoop was geworden waartussen mensen met bebloede gezichten rondrenden. Ik belde naar het Hamra Hotel. Vergeefs, dacht ik eigenlijk. Maar opeens was daar de stem van een van de receptionisten. ‘We zijn oké,’ klonk het na een korte stilte even beleefd alsof ik een kamer wilde boeken. Toen ik doorvroeg over gewonden en de ravage die het hotel moest zijn, kwam er slechts een verhaal over deuren die kapot geknald waren. Ik drong niet verder aan – hij was duidelijk in shock.
Tussen de dodelijke chaos buiten liep ook Majid, die nog steeds als veiligheidsadviseur en chauffeur werkte. ‘Wat kunnen we doen? Waar moeten we heen?’ riep hij wanhopig door zijn mobiele telefoon. Een van zijn collega’s was dood, net als zo’n vijftien buurtbewoners. Er waren tientallen gewonden. Na een paar nutteloze woorden hing ik op. Toen ik verder zocht op internet, zag ik op een foto de ober uit het restaurant die met een medewerker uit de lobby een lijk versjouwde. Op een foto zag ik ook de restanten van het winkeltje waar ik Nescafé had gekocht. Het was een wonder dat de eigenaar het overleefd had. De bomaanslag op het Hamra kreeg meer aandacht dan de talloze andere explosies. Omdat het geweld journalisten deze keer persoonlijk raakte. Uiteraard hadden de daders dat maar al te goed beseft.

Allemaal weer terug

De aandacht was van korte duur. Het westerse publiek was allang Irak-moe en andere onderwerpen eisten de aandacht op in de nieuwscarrousel. Na het vertrek van de Amerikaanse troepen in 2011, zagen de meeste buitenlandse media al helemaal geen reden meer om nog over het land te berichten. Toen ook de voorbodes van de huidige crisis nauwelijks werden opgemerkt, mailde het lokale team van The Associated Press dat de dagelijkse stand van zaken bijhield enigszins bitter: ‘Wat kunnen we doen? Dit is Irak.’ Met hulp van buurlanden die het vuurtje oppookten, groeide de sluimerende onrust vrijwel ongezien uit tot een conflict tussen een compromisloze sjiitische regering en extremistische fanatici van IS die opereren in een gelegenheidsverbond met ervaren militairen en strategen uit Saddams Baath-partij en stammen die op lokaal niveau hun eigen vetes uitvechten. En pas nu de vlammen uit het dak slaan, is Irak terug in het nieuws.
Met die ontluisterende constatering sta ik anno 2014 weer bij het Hamra Hotel. Sinds de laatste bomaanslag ligt het erbij als een somber ongebruikt karkas. Bij het hotel aan de overkant kom ik enkele van de vroegere personeelsleden tegen. ‘Dus jullie zijn allemaal weer terug?’ vraagt een van hen. Ik knik. Even staan we zwijgend tegenover elkaar. Omdat hij het niet zegt, zeg ik het maar: ‘Je vraagt je af waar alle journalisten de afgelopen jaren waren.’