‘Onze helden’ galmde het voortdurend. Zorgverleners, politieagenten, supermarktmedewerkers, pakketbezorgers, vuilnisophalers, distributiewerkers, schoonmakers, juffen en meesters in de kinderopvang of het onderwijs en vele anderen bleken onmisbaar in onze samenleving. Dat waren ze al, maar de macht hoefde dat lange tijd niet te erkennen.
Totdat het donker werd, toen fonkelden hun sterren aan de hemel. We klapten onze handen blauw. Op initiatief van radio-dj Sander Hoogendoorn draaiden in heel Europa maar liefst 183 radiostations op hetzelfde moment ‘You’ll Never Walk Alone’. Op allerlei plaatsen in de wereld spraken regeringsleiders, niet zelden verantwoordelijk voor zware bezuinigingen op diezelfde onmisbaren, vol lof over de mensen in de frontlinie van de coronapandemie. Bravo, klonk het overal.
Wie aan het front staat, ervaart daarvan de consequenties.
Wat opvalt aan de lijst met cruciale beroepen en vitale processen is hoeveel ervan niet met bonussen en gouden handdrukken naar huis gaan. Integendeel: buschauffeurs reden afgelopen jaren demonstratief met dixies achter hun bus om een fatsoenlijke plaspauze af te dwingen, schoonmakers staakten voor doorbetaling bij ziekte. Leraren, politieagenten en zorgverleners gingen massaal de straat op tegen de uitholling van hun vak. Medewerkers van de kinderopvang, afvalbedrijven en supermarkten kennen lage lonen en reusachtig veel onzekerheid. Niet voor het eerst in de geschiedenis zijn veel frontsoldaten vooral mensen met bescheiden inkomens.
Ron Meyer (1981, Heerlen) is SP-gemeenteraadslid in Heerlen en werkt bij de FNV. Meyer schreef het boek De onmisbaren. Een ode aan mijn sociale klasse, dat vandaag verschijnt bij uitgeverij Prometheus.
jaren eerder dood
Wie aan het front staat, ervaart daarvan de consequenties. 2191 dagen, dat is het verschil in levensverwachting tussen twee van mijn beste vrienden: Ad en Martijn. Ad maakt treinen schoon en Martijn is eigenaar van een financieel adviesbureau. Ad zal naar verwachting zes jaar jonger overlijden dan Martijn. Hij zal vijftien jaar eerder ziek zijn. Ad woont niet in Mogadishu, maar in het Heerlense Meezenbroek. Martijn woont drie buurten verderop.
Ze wonen amper tweeënhalve kilometer van elkaar vandaan. Wie van Martijn met de bus naar Ad reist, verliest bij elke bushalte twee jaar van zijn leven. Ad zal lijden aan hart-, vaat- of longaandoeningen die worden veroorzaakt door ongezondere werk- en woonomstandigheden. Het is geen uniek Heerlens of Zuid-Limburgs probleem. Wie in het oost-Groningse Pekela opgroeit, gaat gemiddeld bijna acht jaar eerder dood dan een leeftijdsgenoot in Haren.
De coronapandemie openbaarde én vergrootte die kloof. ‘In armere buurten lopen mensen een hoger risico om ernstig ziek te worden van Covid-19. Bewoners hebben gemiddeld vaker obesitas, suikerziekte, een hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten,’ schreef NRC eind 2020.
De kans om te overlijden was voor de armste 20 procent van de Nederlanders twee keer zo hoog als voor de rijkste 20 procent, publiceerde Trouw begin 2021. In de categorie tot zeventig jaar – met veel meer mensen die werken – bleek het risico om te sterven aan covid-19 zelfs bijna driemaal zo hoog in de laagste als in de hoogste inkomensgroep.
Daar is de paradox in deze pandemie: elke versoepeling van maatregelen voordat het virus is verdrongen, betekent dat er meer mensen met lage inkomens sterven, maar elke week langer aan maatregelen betekent dat uitgerekend hún kinderen een groter risico op achterstanden en armoede oplopen.
Van crisis naar crisis watertrappelen
En wat deed de heersende macht? Ze reed de ceo’s van grote bedrijven in een geblindeerd busje het Binnenhof op met miljarden aan belastingvoordeel voor hun aandeelhouders in het vooruitzicht. Ze vergat voorwaarden te stellen aan de crisissteun aan grote bedrijven met de schaamteloze Booking-verrijking als vervolg. En ze liet mensen uit haar politieke netwerk voor honderd miljoen mondkapjes-shoppen in Azië en er miljoenen aan over houden. High trust heet zoiets in goed Binnenhofs.
‘In een crisis moeten we harder werken, want het is crisis. Na de crisis moeten we harder werken, want het wás crisis. Voor ons is het altijd crisis.’
Aan de andere kant vermorzelde ze honderdduizenden toeslagenouders, chroom-6-arbeiders en Groningers met gaswinningsscheuren in hun huizen. Mensen zonder toegang tot economie, media of macht werden jarenlang genegeerd, tegengewerkt en geminacht.
Nee, we zitten niet ‘met zijn allen in hetzelfde schuitje’. Was het maar waar. De één ligt op z’n bips in de Griekse zon, terwijl de ander zich van crisis naar crisis watertrappelt. Mijn vriend Kapi die treinen schoon maakt, zei jaren geleden al: ‘In een crisis moeten we harder werken, want het is crisis. Na de crisis moeten we harder werken, want het wás crisis. Voor ons is het altijd crisis.’
Wie durft nog te beweren dat dit om incidenten gaat? Wie durft nog te beweren dat de heersende macht de belangen van mensen als Ad ziet, laat staan behartigt? De ellende is niet nieuw en evenmin zonder gevolgen. In nogal wat steden is de opkomst bij vier van de vijf verkiezingen onder de helft gezakt. Om over de buurten van de Ad’s van deze wereld maar helemaal te zwijgen. In zijn buurt bleef bij alle verkiezingen een meerderheid thuis. Waarom zou je nog meedoen aan het systeem als dat toch niet in jouw voordeel werkt?
Een kopje koffie met de inbreker
‘Als de Tesla-rijders 1 euro minder subsidie krijgen, dan horen we het wel in onze mailbox, maar deze ouders hebben we echt allemaal gemist en dat waren er toch tienduizenden.’ constateerde Pieter Omtzigt in januari op NPO Radio 1. ‘Hoe komt het dat grote delen van de samenleving uit het zicht raken van belangengroepen? Hoe komt het dat ze uit het zicht raken van politieke partijen en van de media? Dit is een wake-upcall van de democratie.’
En het gebeurt opnieuw. In Den Haag discussieert men zich suf over de ‘bestuurscultuur’. Ik permitteer me te zeggen: fuck jullie bestuurscultuur. Er is buiten Den Haag werkelijk niemand die denkt dat het betonrot in het systeem opgelost wordt met een debat over hoe politici met politici omgaan. Bestuurscultuur is het zoveelste eufemisme dat als bliksemafleider dient van het echte probleem: de thuiszorger, de vuilnisman, de juf of meester in de kinderopvang en de schoonmaker gaan jaren eerder dood dan de vastgoedbelegger en de directeur.
De democratische rechtsstaat zal een sociale rechtsstaat zijn of zal – vroeg of laat – niet zijn. En die sociale rechtsstaat wordt niet alleen in Den Haag gemaakt. Als de instituten van dit land een bastion van een wereldvreemde gestudeerde klasse blijven, zal er niks veranderen. Alles weten van de andere kant van de wereld, maar niets van de andere kant van het spoor.
De kloof zit namelijk niet alleen in economie en levensverwachting, maar bovenal in macht. Vooral in macht. Een voormalig voorzitter van FNV, mijn vakbond, symboliseert een onherkenbare institutionele vertegenwoordiging. ‘Het is moeilijk om ruzie te maken in Nederland, want er komt altijd wel iemand bemiddelen.’
Het is alsof je moeilijk het kopje koffie kunt afslaan van de inbreker die al drie keer je huis leegroofde. De enorme vermogensongelijkheid, de fors gedaalde winstbelasting, de uitgeholde publieke sector, reële lonen van mensen met bescheiden inkomens die decennialang nauwelijks stegen, als voorgaande niet genoeg is, zou het feit dat veel onmisbaren jaren eerder doodgaan dan hun managers en directeuren een prima reden zijn om knetterende ruzie over te maken.
Officieel onmisbaar, vaak onzichtbaar, ondergewaardeerd en de dupe van de schandalen. Het is geen toeval en al helemaal geen eigen keuze. Het is een strijd. ‘Sociale klasse is terug,’ zei ik tegen mijn vader, een voormalig koelmonteur. ‘Van nooit weggeweest,’ reageerde hij nuchter.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.