De gesprekken van de dag volgens de redactie. Vandaag: de bom van Noord-Korea, het ‘huis’ van een Britse politicus, de dodelijke zwemvesten van Izmir, en een potje memory. Als je het een zegt, en dondersgoed weet dat je het ander bedoelt.
Kim Jong-un liet vanmorgen vast en zeker zijn spierballen zien aan zijn spiegelbeeld. ‘Wie is er een grote jongen? Jij. Jij bent een grote jongen.’
Daar gaan we weer, verzucht de wereld. Het is al de vierde keer in tien jaar dat Noord-Korea experimenteert met grof geschut. In 2006, 2009 en in 2013 ging het om een atoombom. Daar kijkt niemand meer van op, dacht Kim. Noord-Korea liet gisteren dan ook ook weten met succes een waterstofbom te hebben getest. Een wapen, gemiddeld vijfhonderd keer zo sterk als de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki.
Ze moesten wel, zei Kim. ‘Om onszelf te beschermen tegen het vijandige beleid van de Verenigde Staten.’
Gek genoeg stellen de metingen van de trillingen die de test heeft veroorzaakt experts een beetje gerust. De bom deed de aarde trillen met een kracht van 5,1 op de schaal van Richter. ‘Als het echt om een waterstofbom ging, zou die impact wel 100 keer zo groot moeten zijn’, zegt wetenschapper Bruce Bennet in The New Yorker. ‘Ja, of die waterstofbom van Noord-Korea stelt simpelweg nu nog niet zo veel voor.’ Het geld dat nodig is, is er niet in Noord-Korea. Zo goed gaat het daar namelijk niet met de economie. Zo’n bom is ‘virtually impossible’.
Er ís dus wel een (waterstof)bom, maar de claim van Kim lijkt wat overdreven. Een bom is een bom, maar de ene bom is de andere niet.
In Groot-Brittannië blijft het gieten. Waar een groot deel van het eiland zich verzamelt rond een plas regenwater in Drummond, knarsetandt de rest bij het gezemel van politici. Sir Philip Dilley, ‘hoofd overstromingen’, was er even niet toen Engeland en Schotland onderliepen. Hij was thuis, zei hij. Bij zijn familie. Het was Kerst, en hij was nu eenmaal hard nodig thuis.
Thuis in zijn tweede huisje op Barbados, mompelde hij gisterenavond. ‘Kom op, daar voel ik me minstens zo thuis als eh, thuis.’
In een fabriek, bij de Turkse stad Izmir werden een tijd lang nepzwemvesten gemaakt en verkocht aan vluchtelingen die de oversteek naar Griekenland wilden maken. Niets aan te zien, zo op het eerste gezicht. Oranje zwemvesten, met van die trektouwtjes en een reflecterende strip in het midden. Maar wat van een zwemvest een zwemvest maakt, ontbrak: het materiaal waar de vesten van zijn gemaakt blijft niet drijven.
Ik speelde in mijn leven één potje memory. Toen bleek dat ik bij de eerste beurt het verkeerde kaartje om had gedraaid, begon ik te schreeuwen. ‘DIE BEDOELDE IK NIET! DIE BEDOELDE IK NIET!’ Mijn moeder begon het spel op te ruimen. ‘Zo werkt het niet, Roos. Als je iets bedoelt, zeg dát dan.’ En zo is het.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.