Beste in haar vak: Gijsje Teunissen

De ruwe boomstam, uitgehold en overlangs doormidden gezaagd, nodigt bijna als vanzelf uit om er even in te gaan liggen. De kist ernaast, met ‘Fly Away’ erop, benadrukt aanzienlijk meer het doel waarvoor hij is gemaakt. ‘Zie je wat een keuze je eigenlijk hebt bij het afscheid?’ zegt Gijsje Teunissen monter. Met de nazomerzon door de etalage lijkt haar informatiecentrum inderdaad wel een funeraire snoepwinkel. Lieflijke engeltjes, fleurige kaarten, herdenkingskaarsen in alle soorten en maten. Hier krijg je bijna zin in doodgaan.

Tien jaar geleden begon Teunissen (59) in Egmond aan de Hoef met haar bedrijf Charon Uitvaartbegeleiding. Inmiddels verzorgt ze met haar medewerkers zo’n honderddertig uitvaarten per jaar. De naam Charon is bewust gekozen, zegt Teunissen. ‘Charon is in de Griekse mythologie de veerman die in het dodenrijk de zielen overzet. Ik heb een zoontje gehad dat na vier maanden overleed. Hij heette Ferry, in feite de jongen tussen leven en dood. Daarmee viel voor mij alles samen.’

Teunissen doet alles zelf, ook de verzorging van de dode. ‘Dat is bij ons een vereiste. Ik heb wel eens stagiaires gehad die daar niet tegen konden. Die wilden graag op hun paasbest in de kerk paraderen als uitvaartleider, maar niet met de overledene in aanraking komen. Dat kan dus echt niet. Ik vind de laatste verzorging het allermooiste wat er is. Ik vind het zelfs jammer als het al ergens anders is gebeurd. Omdat je iemand weer voor even aan de familie kunt teruggeven zoals-ie was. Na een lange ziekte is iemand enorm achteruit gegaan. Door ‘m liefdevol te verzorgen, kun je ‘m weer in volle glorie tonen.’

Teunissen heeft daar een speciale methode voor: ze smeert de dode in met crème. Geen bruine crème, waardoor het lijkt of de ontslapene net terug is van drie weken zeilen op de Middellandse Zee. Nee, gewone crème. ‘Om de huid zacht te houden. De koeling onttrekt vocht aan het lichaam. Door die crème krijgt iemand een soort natuurlijke facelift. Mensen zeggen vaak: “Goh, hij zou zo weer op kunnen staan.” Ik leg mensen ook niet altijd maar met het gezicht recht naar boven, maar soms juist een beetje opzij. Laatst had ik een jonge vrouw die in foetushouding was overleden. Haar handen naast haar hoofd. Ze lag er zo prachtig bij, dat hebben we zo gelaten. Iedereen was er blij mee, omdat het zo’n lieflijke aanblik was. Bij sommige mannen doe ik hun handen stoer in hun zakken. Vroeger werden de handen bij katholieke uitvaarten standaard gevouwen. Dat gebeurt niet altijd meer. Het is overigens een fabeltje dat we de vingers breken om ze te kunnen vouwen. Dat gebeurt nooit. Je hoort hooguit het knakken van de knokkels, zoals je dat bij levenden soms ook hoort.’

Teunissen is minimaal een uur met een dode bezig. Dat kan met gemak oplopen tot vier, vijf uur. ‘Zeker na een ernstige ziekte of een ongeluk.’ Onaangenaam vindt Teunissen het nooit. ‘Mensen beginnen vaak over de geur. Daar moet je even doorheen, maar daarna heb je er geen last meer van.’

Wat is het mooiste aspect aan uw werk?

‘Dat je de familie in die zwarte uren kunt bijstaan en kunt inspireren. In het begin zeg ik heel weinig. Ik luister vooral: wat is er gebeurd? Je voelt direct hoe mensen het ervaren hebben. De een vertelt rustig, de ander is nog hysterisch door de schok.’

Komt u primair voor de overledene of voor de familie?

‘In eerste instantie kom ik voor de overledene. Ik begin met luisteren naar de verhalen van de familie, maar al snel daarna begin ik met de verzorging. Dat komt nog vóór de kaart en de kist. Zeker als je de familie erbij wilt betrekken, is het prettig als het lichaam nog een beetje warm is. Ook om te voelen hoe het leven daarna uit het lichaam trekt. Dat is het begin van de verwerking, van de acceptatie. Soms zeggen familieleden: “Ik wil dat niet, want het is nu een lijk.” “Nee,” zeg ik dan, “het is nog steeds jullie zus.” “Lijk” is een woord dat niet in mijn vocabulaire voorkomt. Ik heb het over “de overledene”. Daar hecht ik ook enorm aan bij medewerkers, chauffeurs of dragers. Ik wil ook niet dat ze het hebben over “het zakken van de kist”. Bij mij gaat het over “het dalen van het lichaam”. Net als het met de hand dragen van de kist. Dat zie je soms gebeuren op een manier van: “Annie, hou jij me tassie effe vast.” Ik stel altijd voor dat ze schouderen; dan gaan ze veel strakker en bewuster lopen.’

Voelt u wel eens huiver bij de omgang met doden?

‘Dat had ik helemaal in het begin soms. Dan kwam je in zo’n uitvaartcentrum, liep je in de kelder die lange donkere gangen door naar het mortuarium. In je eentje, met links en rechts gordijntjes. Je ging vanzelf vreemde geluiden horen. Dan waande je je opeens in een akelige film. Voor de dood zelf ben ik niet bang. Ik geloof dat het hierna niet afgelopen is.

Ik wil mensen bewust maken van de keuzes die ze hebben. Ook van mogelijkheden waar ze zelf niet op zouden komen. Ik nam een keer een uitvaart over van een collega, die niet goed bleek te klikken met de familie. Het crematorium was al besproken. Ik zag het condoleanceboek liggen van moeder, die al een tijdje voor haar man was gestorven. Er hadden maar vijf mensen getekend. Ik zei: “Goh, da’s best weinig.” Maar ja, zeiden de kinderen, ze hadden gewoon niet meer vrienden. En inmiddels was het aantal nog verder geslonken. Alleen de twee dochters waren nu nog over. Ik vroeg: “Maar moeten we dan wel met vader naar die grote aula of de familiekamer van het crematorium? Vinden jullie dat wel fijn?” Pa lag ondertussen heerlijk in zijn eigen kamer. Zij zaten eromheen, glaasje wijn erbij. Ik stelde voor om het gewoon daar in die kamer te doen. Zo is het gegaan. Kaarsen aangestoken, muziek aan. Ik had een echt programma samengesteld: spreker-muziek-ritueel-spreker. Ik had vooraf gevraagd: “Zullen we hem na afloop naar het crematorium brengen? Of zal ik hem met mijn eigen auto brengen, terwijl jullie ‘m vanuit huis uitzwaaien?” Dat hebben we gedaan. Ik knipperde met mijn lichten als laatste groet, zij zwaaiden hem uit en dronken daarna een borrel op hem. Zoveel intiemer dan in die onpersoonlijke aula. En nog goedkoper ook.’

Maar Teunissen verzorgt soms ook omvangrijke uitvaarten, tot wel vijftienhonderd aanwezigen. ‘Dat is meestal bij jongeren. Dan komen er enorm veel mensen.’

Maakt het voor u een verschil als u een jong iemand begraaft?

‘Zeker. Ik heb zelf kinderen, dat komt enorm binnen. Omdat ik zelf een kind verloren heb, voel ik intens met ze mee.’

Valt dat nooit te veel samen met uw eigen verdriet?

‘Een enkele keer heb ik een déjà vu gehad. Mijn schoondochter was zwanger van ons eerste kleinkind. In die tijd kwam er een jong stel bij me. Zij was zestien weken in verwachting, maar het kindje had geen levenskansen. De zwangerschap moest worden afgebroken. Mijn schoondochter was óók zestien weken zwanger. Dat raakte me enorm. Ik heb ze een begeleidingskaars meegegeven. Een kaars die je begeleidt tijdens het sterven.’

Ze staat op, loopt naar een kast en komt terug met een ronde kaars, omzoomd met blauwe vlindertjes en een koord. Dat is het levenskoord, zegt Teunissen. ‘Dat brandt langzaam weg. Je bent nog even verbonden met elkaar, totdat het koord verbroken wordt. Ik gaf hem mee om hun kracht te geven tijdens de bevalling. Direct na de geboorte werd ik door die jonge vader opgebeld. Hij had tijdens de bevalling gefotografeerd. Ook de kaars. En tijdens de bevalling bleek je in de damp van de kaars een hartje te zien. Toen het kindje was geboren, zag je een vlinder. Ongelofelijk gewoon. Op de dag van de uitvaart reed ik naar het crematorium. Zij zaten achter in mijn auto, met hun kindje in een mandje op schoot. En opeens zag ik weer hoe ik twintig jaar daarvóór diezelfde tocht maakte, met mijn eigen kindje op schoot. Dat was zo ontroerend. Toen ze later een kindje kregen werd ik speciaal uitgenodigd voor de kraamvisite.’ Merkbaar geëmotioneerd: ‘Mooi toch, hè.’

Het is wel een vak waar je mentaal erg sterk voor moet zijn.

‘Dat ben ik. Al is het niet erg als mensen aan je zien dat verdriet ook jou raakt. Ik herinner me een jongen van zevenentwintig die overleden was. Ik stond aan zijn voeteneind en bedacht opeens dat mijn eigen jongetje nu ook zevenentwintig zou zijn geweest. Toen moest ik even de kamer uitlopen. Dat is ook helemaal niet erg.’

Doet u dit vak ook een beetje om uzelf te troosten?

‘Nee, dat verdriet is inmiddels wel verwerkt. Ik heb zes gezonde kinderen. Maar als iemand mij vraagt: hoeveel kinderen hebt u? Dan zeg ik nog altijd: zeven.’

Wat zou u zelf willen bij uw uitvaart?

‘Ik ben nogal een vurig type, dus dat wordt een crematie. Laatst vierden we ons dertigjarig huwelijksfeest. Het hele huis was vol van leven; in de tuin was de whisky-hoek met oude elpees, er was een Indische hoek met lekkere hapjes. Er was een dansvloer met een goede dj. En op een heel groot doek – een wikkeldoek die ik nog had liggen – werden foto’s uit ons leven geprojecteerd. Zo zou ik het bij mijn afscheid ook willen: een daverend feest om het leven te vieren en mijn dierbaren te troosten.’

Komt het voor dat u tijdens uw werk tegen uw tranen staat te vechten?

‘Ja, bijvoorbeeld bij het lintenritueel. Ik geef de overledene soms linten in handen, die uit de kist komen. Bij het graf vraag ik de familie om hun lint door te knippen. Dat kan mij erg raken. Hoe ontredderd mensen daar staan, maar toch ook met het gevoel: wij blijven verbonden. Want ditzelfde lint was het laatste wat hij vasthield.

Het lastige aan het vak is wel dat je zeven dagen vierentwintig uur per dag beschikbaar moet zijn. Nu ik bijna zestig ben, merk ik dat ik dat wel veel begin te vinden. Langzaamaan laat ik steeds meer aan mijn medewerkers over. Ook omdat ik nog zoveel wil. Volgend jaar ga ik met een busje door Nederland rijden. Ik ga op allerlei plekken staan om vragen te beantwoorden. Ik voel me een ambassadeur.’

Van de dood?

‘Nee, van de goede omgang met de dood. Dat is voor mij echt een opdracht: mensen laten zien hoeveel keuzes ze hebben als het gaat om afscheid nemen, en daarmee zorgen dat ze er iets minder bang voor worden.’

Hoe dichtbij mag dit vak voor u komen?

‘Zo dichtbij als noodzakelijk is. Ik heb mijn eigen moeder begraven. Ze woonde in Duitsland waar ik ook vandaan kom. Ze was stervende, ik reed haar tegemoet met een koeling achter in de auto. Onderweg kwam ik terecht in een onvoorstelbaar zwaar onweer. Ik dacht: lieve God, laat me nog wel aankomen voordat mijn moeder gestorven is. Het was zo symbolisch: het was een onweer als een oordeel, waarbij horen en zien je verging. En ondertussen verging mijn eigen wereld, want ik ging mijn moeder verliezen. Toen ik aankwam, leefde ze gelukkig nog. Mijn man en kinderen zouden pas vier dagen later aankomen. Ik moest daar in Duitsland vechten tegen alle bierkaaien, want ze zijn daar nog zoveel behoudender op uitvaartgebied dan hier. Toen voelde ik me heel erg alleen, echt enorm eenzaam. Maar ik vond dat ik het als dochter moest doen. Het is zo fijn om ook dan goed voor je moeder te zorgen. Ik heb haar gewassen, verzorgd en prachtig aangekleed. De kist was versierd met haar laatste Rummikub-straat. Zo van: deze heeft ze ook nog gewonnen. We hebben met de familie samen de kist gedragen. De pastoor en de Duitse ondernemer die mij op de achtergrond bijstond, wisten niet wat ze meemaakten. De eigen inbreng van de familie vonden ze ongekend.’

Wie was daar toen aan het werk: de vakvrouw of vooral de dochter?

‘Allebei. Ik wist vanuit mijn vak hoe ik het moest doen. Maar ik deed het met de liefde van de dochter. Na afloop zei de Duitse uitvaartondernemer: “Ik ken eigenlijk maar één lied uit Nederland, over een steen die in de rivier verlegd wordt. Nou, ik kan zeggen: u hebt hier een complete rots verlegd.”‘

De beste in zijn vak volgens Gijsje Teunissen:’Walter Carpaij en Nicole Capaan van De Ode uit Amsterdam. Die hebben zo enorm veel voor de uitvaartwereld voor elkaar gekregen.’

Nee