De routeplanner gaf het weg

‘Ik vond het een leuk beeld voor mijn tante’

Het is de droom van iedere rechercheur: een printje van een routeplanner op de plaats delict die rechtstreeks naar het huis van de daders leidt. Verdachten Reinier en Marco uit Muiden hebben die droom verwezenlijkt. Zij trokken op 17 januari 2007 met een auto het hek van het Singer Museum in Laren los, plunderden zeven koperen beelden, waaronder De Denker van Rodin, en lieten het adres van Reinier achter bij de ravage. Bij zijn huis trof de politie het gesignaleerde bestelbusje aan, en later ook De Denker, met een forse snee in zijn lichaam. Zo kwam de nationale koperroofzaak, samen met een reeks diefstallen en woninginbraken, aan het rollen.

Amateurs kun je het duo niet noemen. Reinier (41) uit Muiden – een logge, kalende man met sympathiek gezicht – heeft een fiks strafblad. Ook zijn vriend Marco (36) is geen onbekende van Justitie. Zijn brutale ogen kijken uitdagend de Amsterdamse rechtszaal rond. Eén aspect van het metier heeft het stel gewoon nog niet onder de knie gekregen: het uitwissen van sporen. Handgeschreven notities over musea, routeplanner­printjes en een haastig neergesmeten koevoet doken op. Een winkelier herinnert zich hoe Reinier een slijptol en aggregaat kwam terugbrengen in een trui die onder het koperslijpsel zat. Maar Reinier ontkent. Busje, schuur en trui heeft hij uitgeleend aan Melle. ‘Ik had schulden en leef van een uitkering,’ zegt hij. ‘Ik ben nooit in een museum geweest en weet niks van kunst. Ik heb mijn schuur aan respect­lozen verhuurd en daar schaam ik me diep voor.’ Maar wat deed de bronzen sculptuur van een meisje met eend uit een beeldentuin dan bij zijn tante thuis? ‘Ik vond het een leuk beeld voor haar.’

Een stuk openhartiger is hun welbespraakte handlanger Melle (23) uit Huizen – vanwege zijn gesoigneerde voorkomen en overdadige drugsgebruik ‘Gooise junk’ genoemd. Hij is er bijgehaald omdat hij als enige de computer wist te gebruiken en routeplanners kon printen. Maar nu is het gedaan met de liefde. Zijn verklaringen doen het duo geen goed.

De officier van justitie veroordeelt ‘de brutaliteit en het wegnemen van deze unieke en onvervangbare werken’. De schade aan de beelden loopt in de miljoenen. Reinier en Marco horen zes jaar tegen zich eisen, Melle twaalf maanden. Het gaat om ons culturele erfgoed, besluit de officier. Marco kreunt verontwaardigd. Hadden ze dit geweten, dan waren ze wel treinrails gaan jatten.

Carolina Lo Galbo

Scarface in Idols

De diepbruine stem van de trailer guy galmt door Toomler

Toen Pablo Francisco vijftien jaar oud was – en een behoorlijke druktemaker op zijn middelbare school in Tucson, Arizona – gooide zijn biologielerares hem een keer de klas uit. ‘Vanmiddag bel ik je moeder!’ riep ze hem na. Pablo zorgde dat hij ’s middags op tijd thuis was. Toen de telefoon ging, bood hij met een perfecte imitatie van zijn moeders stem excuses aan voor het klierige gedrag van haar zoon.

Twintig jaar later is Pablo Francisco een van de bekendste stand-up comedians van de Verenigde Staten – vermaard om zijn imitaties, geluiden en stemmetjes. Geen wonder dat zijn Nederlandse collega’s van de Comedy Train apetrots waren dat ze Francisco afgelopen zondag voor een eenmalig optreden naar Amsterdam hadden weten te halen. Zijn belangrijkste eis werd zonder aarzeling ingewilligd: Toomler, het café van de Comedy Train in Amsterdam-Zuid, moest volledig rookvrij zijn.

Pablo Francisco is een klein, gezet mannetje met gitzwart haar (zijn ouders komen uit Chili). Zes uur eerder is hij uit het vliegtuig gestapt, en zo ziet hij er ook uit: petje, witte gymschoenen, blauwe Adidas-trainingsbroek en een T-shirt van de hardrockband Van Halen. Zonder dralen begint hij met een hilarische exercitie over een deathmetalzanger die ‘We Are The World’ ten beste geeft. Wat volgt, is een bombardement aan adrenalinegestuurde imitaties. Een Indiër die ‘Staying Alive’ karaoket. Tony Montana van Scarface die zijn opwachting maakt in Idols. Jackie Chan in actie in de rosse buurt. En Arnold Schwarzenegger die de herenliefde bedrijft. Francisco’s bekendste parodie is die van Don LaFontaine, beter bekend als de voice- over-man van Amerikaanse filmtrailers . Iedere paar minuten galmt de diepbruine stem van de trailer guy door Toomler.

Plat? Absoluut. Engagement? Nergens te bekennen. Driekwart van Francisco’s grappen gaat over neuken, aftrekken, homo’s en cock blocking (voorkomen dat de mannelijke concurrentie een wipje legt). Zelfs het oeuvre van Picasso weet hij in verband te brengen met seks (‘Zijn schilderijen zijn net zoiets als porno kijken zonder decoder.’) Maar wat een energie!

Na een uur stemmetjes, piepjes, knarsjes en oergeluiden neemt Francisco met een rood aangelopen hoofd het applaus in ontvangst. Hij loopt meteen richting de deur van Toomler. Een halve minuut neemt hij de tijd voor complimenten van bewonderaars, en dan is hij weg. Twintig seconden later staat er een serveerster bij ons tafeltje met een asbak in haar hand. ‘Willen jullie roken?’

Thijs Niemantsverdriet

Mister Mi in China

‘Yes, yes, it’s a really nice name’

Allemaal reageerden ze positief en enthousiast. Mijn nieuwe Chinese vrienden, mijn Chinese assistente, willekeurige Chinezen, zelfs de agente op het politiebureau in Shanghai waar ik me kwam inschrijven. Om helemaal zeker van mijn zaak te zijn, vroeg ik het ten slotte nog aan de vrouw van de drukkerij. Ook zij gaf haar goedkeuring. ‘It’s a very nice name.’ Echt waar? ‘Yes, yes, it’s a really nice name.’

Zo liet ik zeshonderd visitekaartjes drukken met mijn Chinese naam, uit te spreken als ‘Mi Shàn Jié’. Net zoals steeds meer Chinezen een westerse naam gebruiken als ze buitenlanders ontmoeten, hebben expats hier allemaal een Chinese naam. Je kunt hem gebruiken bij officiële gelegenheden, zoals bij het aanvragen van een visum. Een Nederlandse kennis heeft sinds vorige week zelfs een creditcard met daarop zijn Chinese naam in plaats van zijn echte.

Mijn naam kreeg ik van een bevriende Chinese makelaar. Zijn ouders hadden een weekend lang nagedacht over iets moois, zei hij. En Mi Shàn Jié was het geworden. ‘Mi is je familienaam,’ zei hij, want de Chinezen doen het precies andersom. ‘En Shàn Jié betekent goed en dapper’. Dat leek me wel wat.

De afgelopen maanden deelde ik kwiek mijn kaartjes uit aan iedereen die ik ontmoette, een normale manier om een gesprek te beginnen in Shanghai. Iedereen die het stukje papier volgens de mores met twee handen beetpakte, bestudeerde het tientallen seconden. En sprak vervolgens steeds diezelfde woorden. ‘It’s a very nice Chinese name.’

Allemaal logen ze dat ze barstten. Uit beleefdheid. Om mij niet voor het hoofd te stoten.

Vorige week ontmoette ik op een feestje Lei, een Chinese juriste die een deel van haar rechtenstudie in Amsterdam heeft gevolgd. Daar had ze de Chinese beleefdheidsvormen blijkbaar verruild voor oer-Hollandse directheid. ‘Mister Mi?’ vroeg ze lachend toen ze het kaartje zag. ‘Wat een rare naam!’

‘Maar is het geen gewone Chinese achternaam?’

‘Nee.’

‘Dus in heel China is er niemand die Mister Mi heet?’

Peinzend: ‘Nee. Mi betekent rijst. Verder niets.’

‘En niemand in China heet Meneer Rijst?’

‘Jawel!’ gilde Lei het plotseling uit van de pret. ‘Mickey Mouse! Mi Lao Shu!’ Ze kwam niet meer bij van het lachen.

Sindsdien zeg ik tegen alle Chinezen die ik mijn kaartje geef dat ik een nieuwe naam wil, omdat deze niet goed is. De reactie is nu opvallend eerlijk. Nee inderdaad, lachen ze. Om me vervolgens groot gelijk te geven. ‘Shàn Jié is nice. Mi not good.’ De wil om te behagen zit hier diep.

Michiel Hulshof

Lied van een kosmopoliet

‘In het echt bleek hij toch minder verlicht’

Ze dachten dat hij in draagbare kernbommen handelde. Dat was eind jaren tachtig, München. Ilija Trojanow – met zijn ouders uit Bulgarije naar Duitsland gevlucht – behoorde tot een praatgroepje van Oost-Europese studenten. Een terrorist dus, had de Bulgaarse geheime dienst geconcludeerd. Trojanow las het in het dossier van zijn Bulgaarse oom, de enige dissident die nog tijdens het bewind van Stalin een buste van de dictator opblies.

Twintig jaar later zit in een Amsterdams hotel geen gevaarlijke wapenhandelaar maar een gerespecteerde schrijver, filmer en wereldburger. Trojanow woonde elf jaar in Kenia, daarna in India, Zuid-Afrika en Duitsland, en nu in Wenen. Hij is in Nederland ter promotie van De wereldverzamelaar, zijn roman over de negentiende-eeuwse Britse officier Richard Burton. In het boek volgt de lezer Burton, die echt heeft bestaan, als spion in India, Mekka-ganger in het Midden-Oosten en ontdekkingsreiziger in Oost-Afrika. Overal leert hij de plaatselijke taal en hult hij zich in de plaatselijke kledij. Een cultuurrelativist in imperialistische tijden, zegt Trojanow. In de roman dan. ‘In het echt bleek hij toch minder verlicht.’

Ook Trojanow ging op hadj naar Mekka. Hij noemt zich een soefi, ‘maar om dat uit te leggen heb ik nog een paar uur nodig’. In zijn boeken probeert hij te laten zien hoe ‘de ander’ denkt, die vreemde waar de westerling zo bang voor is.

Waarom wordt een oude man in de Amsterdamse tram angstig als hij vijf Marokkaanse jongens ziet instappen? Waarom zijn die jongens pissed off? In De wereldverzamelaar geeft Trojanow veel ruimte aan de stemmen van de autochtonen om Burton heen: zijn bediende, zijn gids, de wantrouwende autoriteiten. In zijn nieuwe roman, losjes gebaseerd op het verhaal van zijn oom, wil Trojanow ook in de huid kruipen van de apparatsjik die de dissident afluistert.

Hij wil wederzijds begrip kweken, van al die polemieken en provocaties in de media moet hij niets hebben. Ayaan Hirsi Ali bijvoorbeeld. Hij had het laatst nog over haar toen hij met een Somalische vriend de Tafelberg bij Kaapstad beklom. Hysterisch, daar kom je niet verder mee.

Hoe heet die vriend? ‘Nuruddin Farah, een schrijver. Ik heb De wereldverzamelaar aan hem opgedragen, kijk.’ Trojanow slaat de vertaling open. ‘O, ze hebben zijn naam verkeerd gespeld. Dat kan ik hem beter niet vertellen.’

Henk van Renssen