Cadeaus op Capitol Hill

Sinds mijn schoonmoeder werd verkozen tot Speaker van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden stromen de cadeaus binnen voor mijn pasgeboren zoon Paul. Ze zijn niet werkelijk voor de baby, ze zijn een manier voor power brokers in Washington om in de gunst te komen bij oma.

Het geven van babycadeaus kent verschillende niveaus. Als President kun je het ultieme cadeau aanbieden: een bezoek aan het Witte Huis. ‘Kom me eens opzoeken. You will love the Oval Office,’ schrijft George Bush in zijn ‘Dear Paul’ briefje. Politieke vrienden van oma schrijven persoonlijke gedichtjes aan de kleine of zenden een symbolisch aandenken, zoals Senator Ted Kennedy, die Iers ondergoed opstuurt.

De Afgevaardigde die Chairman wil worden van een van de belangrijke House Committees en voor wie dus iets meer op het spel staat, geeft een rijk gevulde cadeaumand. Het ons onbekende Democratische Congreslid uit New Jersey zendt per koerier een dure, handgestikte deken met baby’s naam erop geborduurd, om op te vallen te midden van de 435 leden van het Huis. Het moment waarop ik mijn schoonmoeder vraag wie deze Afgevaardigde precies is, vormt de politieke pay back voor hem. Het feit dat zijn baas op de hoogte is van zijn cadeautje aan haar kleinzoon is politiek goud waard.

Politics is transactional, zegt men in Washington. De gift gaat voor de baat uit. Hoe duurder het cadeau, hoe waardevoller het verzoek om de tegenprestatie mag zijn. Aldus lijkt de politieke etiquette op een Amerikaanse variant van de Franse Hofcultuur tijdens het ancien régime: alles draait om persoonlijke contacten, handgeschreven brieven en gegeven gunsten in een fijn geweven patroon binnen de hoogpolige politieke gemeenschap op Capitol Hill.

Donateurs en lobbyisten gaan iets minder subtiel om met het ‘transactie’-element in de gift. Ter voorkoming van belangenverstrengeling tussen donateursgeld en politici mag er in de Verenigde Staten dan een zogenaamde gift ban gelden, een verbod op giften aan een pasgeboren kleinzoon bestaat niet. ‘We zijn in de buurt en we komen nu op kraamvisite!’ gilt de lobbyist door zijn mobiele telefoon. ‘In de buurt’ wil zeggen: veertig blokken verderop, maar een strategisch kraambezoek is de omweg waard. Met moeite praat ik mijn kind en mijzelf er onderuit, maar hij levert toch een ­babyoutfit af die meer waard is dan mijn duurste pak.

Tenslotte zijn er de uitnodigingen. Toen Paul nog geen maand oud was, ontving hij al betere uitnodigingen voor diverse kerstfeesten dan ik in mijn hele leven. Een top dollar donor van de Democratische Partij nodigde hem uit voor een ‘intiem’ Black Tie Christmas Party. Hoewel mijn vrouw en ik naar het feest kwamen zonder onze zoon, was er voor hem toch een plek gereserveerd aan de hoofdtafel. Ten overstaan van tweehonderd genodigden kreeg de pasgeboren afwezige vanaf het podium een toast aangeboden door de gastheer. Na afloop beval hij zijn dertienjarige dochter aan als onze toekomstige gratis oppas. Hij was bereid zijn eigen dochter in te zetten voor een voet tussen de voordeur.

Michiel Vos

Hedendaags feminisme

Je bent vrouw, je bent dertigplus, je bent hoogopgeleid – en wat dan? Kinderen? Carrière? Allebei? Kan dat dan? Ja hoor, zeiden verschillende einddertigers en veertigplussers die zich in Pakhuis de Zwijger hadden verzameld. Nrc.next-columnist Aaf Brandt Corstius, die kortgeleden een boekje heeft uitgebracht waarin ze haar worstelingen met haar Grote Liefde beschrijft, had de avond belegd om te kunnen afrekenen met alle dilemma’s die haar succesvolle leven overschaduwen. Helaas bleek dat te hoog gegrepen. ‘Helemaal niets,’ antwoordde ze uit de grond van haar hart toen de discussieleidster van Women Inc. ter afsluiting hoopvol vroeg of ze toch iets wijzer was geworden.

Vrouwelijke dertigers hebben (te) veel te kiezen, en dat betekent dat ze ook heel veel verkeerde keuzen kunnen maken. Want niemand die je nog vertelt wat hóórt. ‘Zijn er nog wel normen, heeft iemand die?’ vroeg Aaf zich af. ‘Kunnen we iets bedenken waardoor ons leven minder vol vragen komt te zitten?’

Dat bleek lastig, want vragen zijn er te over. Jong moeder worden? Juist wachten tot je een stabiele relatie hebt? Monomaan kiezen voor een baan? Of juist zoveel mogelijk talenten aanboren? Een jonge, flexibele man zoeken, of een oude, gesettelde?

‘Ik wil de juiste man, de juiste baan, het juiste huis, en dan kan ik aan een kind beginnen,’ zette iemand haar prioriteiten op een rijtje. ‘Je moet je hart volgen en niet te veel nadenken,’ bracht een ander daar tegenin. ‘Vrouwen moeten alles,’ merkte iemand op. ‘Op de arbeidsmarkt blijven, jong moeder worden en veel kinderen krijgen. Allemaal om de vergrijzing het hoofd te kunnen bieden.’

De vrouw als baarmoeder én klapstoel van de economie. Bijna dreigde de avond een politieke wending te nemen! Maar dat was niet de bedoeling. Het persoonlijke moest persoonlijk blijven, en bovendien beperkt tot huisje-boompje-beestje. ‘Waarom praten dertigers alleen maar over kinderen, trouwen en huizen kopen? Je hoort nooit iets stoers, over grote reizen of zo,’ verzuchtte een enkele dertiger. De rest keek haar niet begrijpend aan. Alsof het leven niet al ingewikkeld genoeg is!

Malou van Hintum

Postume promotie

In april vorig jaar ontving Johan Winkelman, emeritus hoogleraar Duits aan de Universiteit van Amsterdam, droevig nieuws: zijn assistent Bernhard Schmitz had zelfmoord gepleegd. Professor Winkelman was gesteld op Schmitz: ze deelden vier jaar lang een kamer, spraken over het vak en schreven samen artikelen. De jongere Schmitz, een geboren Duitser, beschouwde Winkelman als zijn ‘Doktor-Vater’.

Schmitz (43) was getalenteerd en gedreven – een echte aanwinst voor de middeleeuwse Duitse letterkunde, een vakgebied waarin de scholastische rogge er niet al te dik bij staat. De afgelopen vijf jaar werkte hij aan een kloek proefschrift getiteld Gauvain, Gawein, Walewein. Die Emanzipation des ewig Verspätenen. Eine Untersuchung zu Funktion und Interaktionsmuster einer Figur in arthuristischen Versromanen des 12. und 13. Jahrhunderts. Afgelopen januari was het af. Winkelman was verrukt over het resultaat, evenals de co-promotor, professor Gerhard Wolf uit Bayreuth. De promotieceremonie stond op de rol voor september. Maar voordat Schmitz zijn titanenarbeid publiekelijk had kunnen verdedigen, beroofde hij zichzelf van het leven.

Winkelman sprak op de crematie van zijn vriend en beloofde plechtig dat hij alles in het werk zou stellen om diens werk alsnog het stempel ‘proefschrift’ te bezorgen. Een postume promotie, dat komt in Nederland wel vaker voor: in 2000 kreeg de Nijmeegse arabist Ferdinand Smit de doctorsgraad, ook al was hij enige tijd daarvoor in Mali vermoord. Maar het Amsterdamse College van Promoties wenste niet mee te werken aan Winkelmans verzoek. ‘De reden was dat de medelezers het proefschrift niet hadden kunnen lezen toen Schmitz nog in leven was. Door zijn tragische levenseinde zouden ze niet meer in staat zijn de dissertatie onbevangen te beoordelen.’ Winkelman liet het er niet bij zitten. ‘Ik heb alle vijf de medelezers een brief laten schrijven dat ze wel degelijk in staat waren tot een objectief oordeel. Maar het college kwam met precies dezelfde afwijzing als de eerste keer. Je kent de debatingtruc wel: als je niets meer weet te zeggen, herhaal je het eerste standpunt.’ Ook een derde en laatste poging van Winkelman strandde: de Nederlandse vereniging van germanisten wilde geen steun uitspreken voor Schmitz’ postume promotie.

Nu laat professor Winkelman de zaak noodgedwongen rusten. Hij is ‘erg teleurgesteld en zeer verdrietig’ over de behandeling van Bernhard Schmitz. Er is één lichtpuntje. In Duitsland is Schmitz postuum doorgedrongen tot het ‘paleis van de germanistiek’: professor Joachim Heinzle uit Marburg heeft zijn studie geaccepteerd voor de prestigieuze boekenreeks Hermaea. ‘Terecht,’ zegt Winkelman. ‘Bernhards proefschrift is een geniaal werk. Hij had zelf het gevoel dat hij de grote Duitse geleerden in zijn vakgebied schaakmat had gezet.’

Thijs Niemantsverdriet

Biertje voor Ferron

Haarlemse zeden: sta je met ­iemand te praten, komt er een ander tussen staan. Die stelt zich niet voor, maar keert je de rug toe en breekt zonder woord van excuus op het gesprek in. Die onbeschoftheid zij de directrice van de Stadsbibliotheek Haarlem vergeven, maar niet haar onwetendheid inzake ’s­ lands bekende schrijvers. ‘Hoe ziet Siebelink eruit?’ luidde haar vraag aan mijn gesprekspartner.

Jan Siebelink was de beroemdste spreker bij de Haarlemse happening rond de vorig jaar gestorven schrijver Louis Ferron. Siebelinks zilvergrijze beeltenis oogde gelukkig identiek aan die op zijn vele boeken.

Ruim een halfuur voordat een monument ter Ferrons ere onthuld zou worden, krioelde het reeds van genodigden op het binnenplein van de Stadsbibliotheek Haarlem. Het was borreltijd. De gratis koffie vond gretig aftrek. Gemiddelde leeftijd: vijftigplus. Uiteraard ontbrak zo’n met cowboyhoed getooid type niet. Verplicht attribuut voor wie zich in de provincie onbegrepen kunstenaar waant. Het ergste moest toen nog komen: de merkbaar geïmproviseerde toespraak van Haarlems cultuurwethouder Chris van Velzen. Hij wenste met onmiddellijke ingang nóg meer monumenten voor Haarlemse schrijvers. De oudste aanwezige schrijver Frédéric Louis Bastet (1926), geboren en getogen in Haarlem, slikte hoorbaar. ‘Tjezus,’ siste de cowboyhoed terecht. Troost bood de gedachte dat Ferron in een dergelijke plechtigheid puik vertelmateriaal had gezien. Oud-burgemeester Jaap Pop, verantwoordelijk voor het werven van de sponsors voor het monument, memoreerde liefdevol hoe Ferron in diens sardonische Haarlem-trilogie de zweep over zijn stad en haar inwoners legde. En passant voegde Pop de cultuurwethouder toe dat het monument voortkwam uit particulier initiatief, niet uit gemeentelijk gedoe. Ook huisvriend Siebelink sprak ware woorden: ‘Louis was er, en hij was er niet.’

De meute staarde devoot naar de kop van Ferron. De oude huzaar leek mild, misschien wel door het vooruitzicht dat zijn weduwe hem iedere maandagavond, zijn vaste doorzakavond, een glaasje bier zal komen brengen.

Denk je aan Ferron, dan denk je vooral aan zijn boeken. Aan dat krankzinnige, unieke Teutoonse romanuniversum. Reden voor enig speurwerk in de aanpalende stadsbibliotheek. Alle Ferron-titels zouden daar tenslotte trots prijken, was ons zojuist medegedeeld. Maar nee. Naast de werken van Raymond E. Feist lag slechts één Ferron. Weliswaar een van zijn beste: Tinpest, maar waar zijn de andere tientallen boeken die hij schreef?

Uiteraard hóéft dit niks te betekenen: de rest kan uitgeleend zijn aan literatuurminnende Haarlemmers die hún schrijver er niet zomaar stilletjes uit laten piepen. Wat denkt hij wel, die Ferron, ons zomaar achterlaten in Haarlem. Dat gaat mooi niet door.

Jeroen Vullings