Met Wilders in Moskou
‘Je moet voortaan doen alsof je Belg bent’
Op het diner ten huize van ‘de tweede man’ ontstond de avond ervoor enige hilariteit. De delegatie Nederlandse parlementariërs die een paar dagen Moskou en daarna de stad Perm in de Oeral zou aandoen, droeg aan de lange tafel naambordjes op de revers. Behalve de boomlange Geert Wilders. ‘Dat mag ik niet van de beveiliging; anders weten de mensen wie ik ben.’ Humor, zo blijkt maar weer eens, is ook altijd ernstig.
Nu zit ik tegenover de antimoslimridder aan een ronde tafel in de balzaal op de residentie. Voor het ontbijt. Ambassadeur Dirkse kijkt vanaf zijn tafel vaderlijk toe. Op zijn gezicht staat: missie geslaagd. De parlementsleden hebben half intellectueel Moskou gesproken. Wilders voert een discussie met een BBC-man, een vloeiend Engels orerende Rus met een schoonvader in Syrië. ‘Rusland heeft bijna dertig miljoen moslims.’ Hij zinspeelt op een naderende catastrofe. In Tsjetsjenië heerst weer de sharia. Een meisje zonder hoofddoek is er een vogelvrije hoer. In Moskou is de hele fruithandel in handen van de Kaukasische maffia. Ze hebben feitelijk het gehele stadsbestuur in de klem. En wisten wij wel hoe het in de rest van het land was? Wilders glundert van bijval.
Ik bestudeer heimelijk zijn legendarische haar, zijn handen, zijn ogen. Wat voor drama speelt zich daarachter af? Soms zegt een mens wat, doet hij iets, om er later weer spijt van te hebben. Maar voor hem is er geen weg terug. De angel geraakt steeds dieper in het vlees. Dat wekt ook mededogen. Dan vertel ik hem van de moskee op mijn binnenplaats. En dat ik niet zo lang geleden – als Hollander – bijna werd gemolesteerd. ‘Maar dat is vreselijk!’ Wilders is oprecht aangedaan. ‘Is het echt waar? Vreselijk, vreselijk! Je moet oppassen, hoor; het zijn gekken.’ Ach, zeg ik, de vorige bewoner van mijn flatje is al geliquideerd. Volgens de wet van de kansrekening zal het met mij zo’n vaart niet lopen. ‘Je moet voortaan doen alsof je Belg bent. Een Vlaams accent aanmeten.’ Ik zeg dat ik mij in dit land al twaalf jaar lang hoofdzakelijk van het Russisch bedien. ‘Hang dan een Belgische vlag uit je raam! Nou, veel sterkte ermee!’ Dan verlaat de voorman van de Partij voor de Vrijheid met zijn twee lijfwachten de balzaal. Even later sta ik alleen in de sneeuw. De zon schijnt. Een mooie stad. Maar waar haal ik hier zo snel een Belgische vlag vandaan?
Pieter Waterdrinker
Op de bank voor Nathalie
‘Gordon blijkt best okay,’ probeerde ik nog
Afgelopen zaterdagavond zat mijn vriendin te snikken op de bank. Ik zat naast haar en keek strak voor me uit, bang dat ik bij het zien van haar tranen óók zou beginnen. Zo gaat het nu al tien zaterdagen op rij. Want ’s avonds tussen acht en elf is Idols op tv. Een programma waar verstandige, nuchtere mensen – waartoe sommige van onze vrienden ons rekenen – hun tijd niet aan horen te verkwanselen, maar waar wij thuis ondertussen hopeloos verslaafd aan zijn geraakt. Zodra in de woonkamer klinkt: ‘Dit programma wordt mede mogelijk gemaakt door Rexona,’ gaan de mobieltjes op stil. Afspraken staan hoogstens na middernacht gepland. ‘Een etentje? Leuk! Oh, zaterdag? Nee, dan hebben we… eh… andere verplichtingen.’ Soms is één uitzending niet genoeg, en zitten we op zondagavond langs allerlei duistere kanalen te zappen om op RTL 8 de herhaling te kunnen zien. Voor de rest van de week is er Youtube.
Het is ons allemaal te doen om Nathalie, die nu de finale heeft gehaald. Een zesentwintigjarig meisje met de explosiviteit van Tina Turner en een van God gegeven strot. Trijntje Oosterhuis, Anouk, Ilse de Lange? Sneue vertoningen vergeleken bij Nathalie. Dat het meisje uit Congo komt, een rotleven achter de rug heeft, met haar nichtjes in een vierpersoons stapelbed slaapt en haar huur niet kan betalen, maakt ons nog grotere fans. Hoe onterecht dat geen hond meer naar Idols kijkt, en geen krant erover schrijft!
‘Misschien’, zei mijn vriendin, ‘kun jij in Vrij Nederland…’ Ik had aan een half woord genoeg. In de eerstvolgende redactievergadering zou ik voorstellen een artikel aan Nathalie te wijden.
Ik wist dat ik tenminste één medestander had. Een collega had me ooit in een verlaten parkeergarage toevertrouwd ook wekelijks aan de buis gekluisterd te zitten. De eindredactrice die er openlijk voor uitkwam geen uitzending te missen van As The World Turns en de verslaggever die nog voor RTL Boulevard had gewerkt, zou ik ook wel meekrijgen. Dacht ik. Maar toen ik tijdens de vergadering vol vuur over Nathalie begon, keek iedereen naar zijn schoenen. ‘Idols, is dat nog steeds op televisie?’ vroeg iemand. ‘Dat is toch dat programma met Gordon?’ vroeg een ander, en trok een gezicht alsof hij het over buikloop had. ‘Gordon blijkt best okay,’ probeerde ik nog, maar niemand die het hoorde.
Toen ik die middag thuiskwam, stond mijn vriendin al bij de deur te wachten. ‘En?’ vroeg ze hoopvol. Ik schudde het hoofd. ‘Ze zeiden: schrijf maar een stukje voor De kleine wereld.’ Mijn vriendin schoot vol. Ik keek haar aan en dacht: misschien moeten we toch maar in rehab.
Robert van de Griend
Doof op de dansvloer
‘We horen niets, dus moeten we voelen’
Vroeger was Marie van Driessche (19) voortdurend boos. Boos op haar ouders, op leeftijdgenoten. Eigenlijk op iedereen die haar niet begreep. Het kwaadst was ze op haar handicap. Marie is doof. In een café in Den Haag zit ze ontspannen aan een tafeltje. In haar ene hand heeft ze een glas fris, met haar andere hand drukt ze op de toetsen van haar mobiele telefoon. Soms lacht of zwaait ze naar iemand die binnenkomt.
Ze heeft een uitgesproken stijl. Haar haar is roze geverfd en ze draagt een korte rechte pony. Onder haar lip heeft ze een piercing. Op haar pols prijkt een tatoeage. Het is een simpel getekende hand die een gebaar maakt. ‘Geluk’, betekent het.
Tegenwoordig is Marie gelukkig. Toen ze zestien was, was dat anders. ‘Iedere dag heb ik te maken met onbegrip. Niemand houdt rekening met doven. Als ik in de trein zit, bijvoorbeeld, heb ik geen idee of er vertraging is. Vroeger werd ik daar razend om,’ gebaart Marie vliegensvlug naar haar tolk. Praten lukt wel, maar het is soms moeilijk te verstaan. Om die reden neemt ze vaak een tolk mee naar school. Ze volgt een opleiding grafisch vormgeven. ‘Daar komt het wel weer goed te pas dat ik doof ben. Met mijn ogen is niets mis, die doen het juist beter.’
Deze avond is in discotheek Paard van Troje in Den Haag Mutesounds, een muziekfeest speciaal voor doven. Marie heeft geholpen met het opzetten van het evenement en adviseerde de organisatie. Verschil met een doorsnee dansavond: de bas staat keihard en er wordt met lasershows en videofragmenten extra aandacht geschonken aan het visuele aspect. In de zaal staan twee vierkante platforms. Wie daar op gaat staan, voelt de bas door zijn hele lichaam trillen. ‘We horen niets, dus moeten we voelen.’
Op een avond als deze, waar het publiek overwegend bestaat uit doven, is het ondanks de stampende muziek doodstil. De ruis van mensen die tegen elkaar schreeuwen en met de muziek meezingen, ontbreekt. Ook dansen gebeurt minder fanatiek. ‘Op dovenfeesten staat vaak iedereen met elkaar te “praten”. Misschien zijn ze bang om te dansen. Daar heb ik geen moeite mee.’ Eigenlijk vindt Marie een normale dansavond leuker. Dan voel je je niet zo’n uitzondering. ‘Het is wel fijn dat mensen hier niet zo in je oor proberen te tetteren, zonder je aan te kijken. Daar kan ik natuurlijk niets mee.’
Kim Bos
Arie Visser herinnerd
Altijd zeuren of je hem écht geen geeltje kon lenen, maar evenzogoed
Bezoekers moesten oppassen dat ze de nek niet braken over het verlengsnoer dat zich langs de voordeur naar het buitengebeuren slingerde om de verlichting van een uitklapbord met de letters ‘PuntWG’ mogelijk te maken. Volgens internet is PuntWG ‘een platform voor meervoudige acties, processen en gerelateerde evenementen, zoals tentoonstellingen, lezingen, discussies, performances en concerten’. Vanavond behelsde het gerelateerde evenement in een witgepleisterd lokaaltje te Amsterdam een voordracht door schrijver Oek de Jong over zijn te vroeg gestorven vriend Arie Visser (1944-1973), van wie hij tevens enkele gedichten en proza zou voordragen. Na de pauze gaf het improviserende trio van saxofonist Ab Baars ‘m van jetje, in aansluiting op het droeve lot van de dode dichter die eigenlijk jazzmusicus had willen worden en zo mooi over jazz kon schrijven.
Twaalf geïnteresseerden waren gekomen, maar juist dat overzichtelijke aantal vond een man op de tweede rij van bijkomende charme. De opkomst deed hem denken aan de vertoning van experimentele films in bioscoop Cinétol, begin jaren zestig. Heerlijk, het publiek bestond uit anderhalve man en een paardenkop, maar doordat je met zo weinig was, ontstond een sfeertje van verbondenheid. In die tijd begon hij Arie weer te zien, met wie hij al bevriend was sinds ze samen het Christelijk Lyceum in Apeldoorn bezochten. Allebei in 1944 geboren, stom toeval.
Arie schonk hem een exemplaar van zijn debuutbundel Virtuele beelden, maar de verzen gingen hem deerlijk boven de pet. Nu pas, op zijn vierenzestigste, drong de inhoud van Arie’s gedichten enigszins tot hem door. Omdat hij sinds kort zélf gedichten schreef. Op het laatst van zijn leven bekeerde Arie zich tot de islam. Dit keer deed hij zijn vriend een exemplaar van de Koran cadeau, maar die bladerde er wat in en haakte af toen hij een passage tegenkwam over handen afhakken. Dat Arie moslim werd, was een van de keuzes waar hij hem niet in kon volgen. Maar voor de rest: práchtkerel hoor, met een hart van goud.
Ook Oek de Jong sprak invoelend over de dode dichter. Zeker, Arie Visser kende duistere kanten. Dat hij verslaafd was aan heroïne maakte hem grillig in de omgang. Altijd zeuren of je hem écht geen geeltje kon lenen, maar evenzogoed. Groot dichter. Hart van goud. Klassiek werd zijn vers: ‘Onrust – geen reisdoel is mij aangegeven / terwijl ik toch de tol betaal / hoe onrust mij heeft uitgedreven / het kuiken uit de eierschaal.’
De mededeling van Oek de Jong dat Arie Visser in Sneek was geboren, ontlokte onrustig geschuifel op rij twee. In de pauze werd de spreker op de schouder getikt door de jeugdvriend. Het misverstand was snel de wereld uit. Ze hadden alle twee gelijk, haha. Ja, Arie Visser werd inderdaad in Sneek geboren. Maar dat hij later naar Apeldoorn verhuisde, was óók waar.
Rudie Kagie
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.