Een welbespraakte, aardige, democratiegezinde moslim was op het verkeerde moment op de verkeerde plaats en zit nu al jaren gevangen in Guantánamo. Zijn boek over zijn verblijf is nu vrijgegeven: een intelligente beschouwing over een gruwelijk systeem.

Tegen het einde van zijn indringende memoires over zijn eerste jaren als gevangene in Guantánamo vraagt de Mauritaniër Mohamedou Ould Slahi (1970) de lezer zich nog eens in hem te verplaatsen: ‘Stel je voor dat je naar bed gaat, al je zorgen opzijschuift en nog wat geniet van je favoriete tijdschrift voor je gaat slapen. Je bent niet bevreesd dat je midden in de nacht uit je bed zult worden gesleept om naar een plek te worden gebracht waar je nooit eerder was, waar je niet wordt toegestaan te slapen en waar je de hele tijd wordt getiranniseerd. Stel je nu voor dat je totaal niets meer over je leven te zeggen hebt, over wanneer je slaapt, opstaat, eet, naar de wc gaat. Stel je voor dat je hele wereld bestaat uit een cel van krap twee bij tweeënhalve meter.’ En dan komt de clou: ‘Als je dat allemaal voor de geest hebt geroepen, weet je nog steeds niet wat het echt inhoudt een gevangene te zijn.’

Het is in eerste instantie een droef stemmende conclusie: is zijn hele gruwelijke relaas van dan al meer dan driehonderd pagina’s in zijn eigen ogen vergeefs geweest? Heeft hij dan voor niets verteld over zijn arrestatie in Mauritanië, zijn geheime ‘rendition’ door de CIA naar een gevangenis in Jordanië voor keiharde verhoren, zijn verplaatsing acht maanden later naar de beruchte Bagram-gevangenis in Afghanistan en tenslotte de hemeltergende martelingen in Guantánamo? Is zijn missie om de buitenwereld te laten weten, ‘zo eerlijk mogelijk, naar de Amerikaanse regering, mijn broeders en mijzelf toe’, hoe het is om een gevangene in Guantánamo te zijn, mislukt? Want je kunt het je toch niet voorstellen?

Ik denk het niet, althans niet helemaal. Die voorgaande honderden pagina’s zijn mij tenminste ettelijke malen de rillingen over de rug gelopen bij het lezen over het lot van deze man die ook nog eens echt onschuldig is – dat weet je dan al dankzij de uitstekende inleiding van de bezorger van dit unieke document, de Amerikaanse dichter, non-fictieschrijver en mensenrechtenactivist Larry Siems. Mohamedou Ould Slahi schreef zijn boek in 2005 in zijn cel op Guantánamo, nadat de door Rumsfeld en Cheney goedgekeurde martelingen door vooral de militaire inlichtingendienst (de FBI was altijd tegen geweest) waren stopgezet. Hij zit er nog steeds, wat zijn boek des te schrijnender maakt: in 2010 gelastte een rechter zijn vrijlating, maar de regering-Obama (ja, diezelfde die Guantánamo wil sluiten) ging in beroep en de zaak is nog steeds niet beslist.
Slahi’s boek werd na jarenlange inspanningen van zijn advocaten onlangs vrijgegeven, in hevig gecensureerde vorm – het zit vol zwarte doorhalingen.

Forrest Gump
Op zich is nog wel te begrijpen dat de Amerikanen na 9/11 hun oog op hem lieten vallen. Slahi wordt sinds het verschijnen van zijn memoires vorige maand wel beschouwd als ‘de Forrest Gump van Guantánamo’. Net als dat filmpersonage was hij vaak op belangrijke plekken op belangrijke momenten, of anders gezegd: op het verkeerde moment op de verkeerde plek.

De moslim Slahi werd geboren in het straatarme Mauritanië maar wist door zijn intelligentie eind jaren tachtig een beurs te krijgen om voor ingenieur te studeren in Duitsland. In 1990 sloot hij zich korte tijd aan bij de moedjahedien-splintergroep Al-Qaida in Afghanistan, toen nog een soort bondgenoot van de Amerikanen, om tegen het communistische regime te vechten. Toen dat was omvergeworpen, keerde hij terug naar Duitsland en wilde hij niets meer met Al-Qaida te maken hebben. Uit beleefdheid bleef hij echter wel af en toe contact houden met leden, ook al omdat een ervan een aangetrouwde neef was. Een islamist was hij in Duitsland zeker niet, maar die losse contacten zouden hem nog lang worden nagedragen.

Zijn familie las pas drie jaar later in een Duitse krant dat hij in Guantánamo zat

Een belangrijke reden daarvoor was dat hij eind 1999 zijn geluk ging proberen in Montreal, Canada. Daar ging hij naar een moskee die tot zijn pech enkele maanden eerder ook was bezocht door een man die rond diezelfde tijd op de grens met de VS was opgepakt met een auto vol explosieven die hij op het vliegveld van Los Angeles tot ontploffing had willen brengen. Sindsdien werd ‘Al-Qaidaman’ Slahi opzichtig door de geheime diensten in de gaten gehouden. Daarom besloot hij in 2000 terug te keren naar Mauritanië, en op dat moment beginnen zijn memoires.
De eerste maanden thuis, vertelt Slahi, moest hij een serie arrestaties en ondervragingen ondergaan over Al-Qaida en de ‘Millenniumplot’, maar hij werd telkens vrijgelaten.

Dat veranderde na 9/11 2001. Op uitnodiging van de Mauritaanse politie reed hij eind september zelf naar het hoofdbureau, om nooit meer terug te keren. Slahi werd er door de Amerikanen van verdacht een belangrijke speler te zijn geweest bij de voorbereiding van 9/11. Zijn familie las pas drie jaar later in een Duitse krant dat hij in Guantánamo zat.

Geen daglicht
Nog zo’n schrijnend feit: de FBI, die hem op Cuba het eerst ondervroeg, concludeerde al vrij snel dat Slahi slechts een enorme pechvogel was. Maar de militairen dachten er anders over: zijn onschuldige telefoongesprekken waren ‘code’ geweest, zijn ontmoetingen met Al-Qaida-mensen helemaal niet uit beleefdheid, zijn ontkenningen ‘leugens’. Uit dat paranoïde universum kon hij niet ontsnappen. Het Pentagon trouwens ook niet: foltering is dan de natuurlijk lijkende volgende stap.

En zo begon het: het eindeloze geschreeuw, de keiharde muziek in de pikdonkere mini-cel, telkens als hij in slaap viel het toegeblafte bevel om op te staan en de wc extreem schoon te maken (Een haar? Nog een keer!) of zijn bed perfect op te maken of weggesleept te worden voor verhoor, uren gebogen moeten staan, geketend aan de vloer, elk uur liters water naar binnen gegoten krijgen, zijn eten in dertig seconden op moeten eten na heel lang geen enkel voedsel, geen daglicht zien, nauwelijks weten of het dag of nacht is, de voortdurend gemaskerde bewakers om hem heen, de seksuele intimidaties van de vrouwelijke ondervragers, geblinddoekt zijn en niet weten wanneer hij geslagen zou worden, zogenaamd ontvoerd worden, in totale duisternis in een bootje op zee, de keiharde klappen op zijn hele lichaam, waarna ze zijn kleren volstopten met ijsblokjes zodat de wonden niet gingen zwellen en de misdaad onopgemerkt bleef, de intimiderende dreigementen over wat er met hem zou gebeuren, met zijn moeder – dat allemaal en nog veel meer, maanden lang, elke dag: nogmaals, bij mij kwam het wel aan, ik kon me er wel iets bij voorstellen.

Amerikaanse pr-nachtmerrie
Maar dat is denk ik niet wat Slahi bedoelde toen hij schreef dat dat niet mogelijk is. Ik denk dat hij wil zeggen: ik kan het wel vertellen en je zult wel met me meevoelen, maar dan nóg zul je me niet begrijpen. Voor wat ik heb meegemaakt, de intensiteit, de lengte en diepte ervan, bestaan eigenlijk de woorden niet.

En daarmee betoont Slahi zich niet alleen een goed verteller over zijn lot, maar ook een intelligent beschouwer ervan. Hij doet in de verte denken aan Holocaust-getuigen als Paul Celan en Primo Levi, die niet alleen vertelden wat ze hadden meegemaakt, maar ook schreven dat ze eigenlijk hun ervaringen niet onder woorden konden brengen: die waren te uniek, te extreem, de taal schoot hier tekort, je kon er met je getuigenissen eigenlijk alleen maar naar wijzen.

Voor wat ik heb meegemaakt, de intensiteit, de lengte en diepte ervan, bestaan eigenlijk de woorden niet

Tel daarbij op Slahi’s opmerkelijk humorvolle, relativerende en van verbittering gespeende manier van vertellen. Zijn vermogen om onderscheid te maken tussen goede en slechte Amerikanen. Zijn voortdurende hameren op zijn rechten als mens. Zijn overduidelijke liefde voor de democratie en afkeer van extremisme. En dan weet je: deze man is een pr-nachtmerrie voor de Amerikanen: een welbespraakte, aardige, democratie-gezinde moslim, kortom een fatsoenlijk mens. Ik denk dat ze nu al vijf jaar zoeken naar de juiste woorden om hem vrij te laten – of voor altijd vast te houden.

Mohamedou Ould Slahi met Larry Siems, ‘Guantánamo dagboek’, vertaling Richard Kruis, Boekerij, 384 p., € 19,95