Interview

1. Geef niet om geld

‘Ik heb altijd kunnen rondkomen van minder dan het minimumloon. Waarom zou je meer willen hebben? Ik heb alles wat ik wil. Spullen hoeven niet veel geld te kosten om mooi te zijn of goed te functioneren. Ik hoef niet de allernieuwste televisie en ik heb genoeg aan één platen- en cd-speler in huis. Toen ik studeerde, leefde ik van vierhonderd gulden per maand en was ik blij dat we gratis bier kregen bij onze optredens. Dat we onszelf op den duur een basisinkomen konden geven, was meer een gelukkige omstandigheid dan een doel. Ik heb de band nooit als werk gezien.’

2. Doe alles zelf

‘Het begon in Amsterdam, de punk begon net en wij gingen naar alle bandjes en dachten: dat willen wij ook. In 1979 richtten we The Ex op. We konden helemaal niet spelen, maar het publiek stond ervoor open en wij wilden beter worden. Toen we een plaat uitbrachten, gingen we dat natuurlijk niet via de reguliere kanalen doen. Platenmaatschappijen waren stom, alles wat op de radio werd gedraaid vonden wij getuigen van slechte smaak. En zo is het gegroeid dat we eigenlijk altijd alles zelf hebben gedaan: platenhoezen ontwerpen, opnamen, optredens regelen, alles wat bij een platenlabel zit. Niet om geld te verdienen, maar gewoon omdat je het wilt doen. En daarna kijk je wel of de kosten eruit zijn gekomen. Soms is dat ook nodig om artistiek een stap vooruit te kunnen komen. Dat do it yourself heb ik altijd het mooiste van punk gevonden.’

3. Verzin pseudoniemen

‘Ik vind het interessanter dat iets tot stand komt dan wie degene is die het heeft gemaakt. Ik werk het liefst met een collectief: je hebt je eigen verantwoordelijkheid, maar je maakt iets samen. Vroeger deed ik het schrijven, ontwerpen van platenhoezen en andere zaken anoniem, maar dan kreeg je wel eens dat iemand anders ermee vandoor ging. Aanvankelijk als geintje besloot ik het pseudoniem G.W. Sok te nemen. Maar ik merkte dat mensen te gemakkelijk voor of tegen wat je schreef waren, alleen doordat die naam er dan boven stond. Het gebruik van andere pseudoniemen loste dat probleem op. Zo bedacht ik Goeroe Overflakkee voor mijn columns in het alternatieve muziekblad Opscene, en IJsbrand Koudvuur voor mijn overige Nederlandstalige schrijfsels.’

4. Punk is maar een naam

‘In Wormer, waar ik vandaan kom, stond een oude papierfabriek leeg, de directeurswoning ernaast hebben we gekraakt toen we net met The Ex waren begonnen. Die villa werd een soort centrum voor de jeugd in Wormer, waar ze naartoe konden als ze gingen spijbelen, om punkplaatjes te draaien en muziek te maken. Er zijn begin jaren tachtig veel bandjes ontstaan in de Zaanstreek. De punkscene was misschien niet groot, maar er gebeurde veel. De een richtte een blaadje op, de ander regelde optredens, weer een ander kraakte een pand. Iedere generatie zou zoiets moeten meemaken, vind ik. Wij noemden het punk, maar nu heet het gewoon iets anders. Als ik de zoon van mijn vriendin zie en zijn vrienden, zijn dat heus geen apathische computernerds. Ze kijken om zich heen, zijn betrokken. Het is echt niet zo dat jongeren allemaal onverschillig zijn.’

5. Verander, maar blijf hetzelfde

‘Laatst vond ik een interview van tien jaar terug, daarin zei ik al: “Als er geen inspiratie meer is, moet je ophouden.” We hebben helemaal geen ruzie of conflict gehad in de band. Maar het afgelopen jaar was ik minder geïnspireerd, eigenlijk merkten de anderen het nog eerder dan ikzelf. En deze band werkt alleen als je er vol in zit. Dat hebben we vanaf het begin ook tegen elkaar gezegd, het mocht nooit slappe hap worden. Zo spelen we ook, we kunnen niet op de automatische piloot. Dat wordt nooit een sleur. Maar het vele onderweg zijn en het wachten eromheen begon me te belemmeren in wat ik daarnaast verder nog wilde. Dus als het verandert, als er niet genoeg ideeën meer komen, dan wordt het tijd voor wat anders. Daar sta ik nog steeds achter.’