Op borrels en verjaardagsfeestjes in Nederland heeft Charlotte Groen steevast het leukste antwoord op de vraag ‘en wat doe jij?’ ‘Ik heb een circusschool in Zambia,’ zegt ze dan. Enthousiast vraagt iedereen haar verder te vertellen. Over hoe schattig het is om elke week kunstjes te oefenen met vrolijke kinderen in de zon. Of over de serieuzere kant van de zaak. De kinderen in het circus komen allemaal uit de beruchtste sloppenwijk van de stad. Daar hangen ze gewoonlijk verveeld rond op straat, tussen misdaad, drank en drugs. Ze zien er weinig rolmodellen en toekomstperspectieven en hebben voor de buitenwereld al snel een sloppenwijkstempel.

Op de circusschool niet. Kinderen focussen er op hun gezondheid en hun zelfvertrouwen en krijgen goede voorbeelden. Wie lang traint bij Circus Zambia, krijgt betaald voor optredens als circusartiest. Het circus geeft shows in het hele land en verzorgt workshops op scholen. Dat past goed in de moderne ideeën over ontwikkelingswerk. Niet alleen maar helpen en geven, maar een serieus businessmodel bouwen.

Hoe is Groen bij zo’n Afrikaans circus terechtgekomen, willen de Nederlandse verjaardagsgasten vaak weten. Dan volgt een romantisch verhaal over hoe Groen verliefd werd op Gift Chansa, een acrobatische medewerker van de ngo in Lusaka waar ze werkte. Ze kregen een relatie, Groen bleef hangen en samen besloten ze een beginnetje te maken aan zijn droom.

Chansa groeide zelf op in de sloppenwijk waar de circuskinderen vandaan komen. Samen met vrienden oefende hij er ooit uit verveling salto’s op kapotte autobanden en werd ‘gespot’ door iemand met contacten bij een theater-ngo. Nu Chansa en zijn vrienden eenmaal volwassen zijn en internationaal optreden als acrobaat, willen ze dezelfde kansen bieden aan de volgende generatie in hun oude wijk. Groen werd medeoprichter en inmiddels wonen Chansa en zij al jaren samen op het circusterrein.

zambia

Circus Zambia krijgt geld voor projecten van organisaties als MTV, de Amerikaanse ambassade en het Prins Claus Fonds. De andere helft verdienen ze met optredens en workshops. Chansa en Groen vinden het leuker en duurzamer om niet afhankelijk te zijn van donorgeld. Ook al is het moderne ‘sociaal ondernemen’ soms nog wel even wennen. En moeten ze soms lastige keuzes maken. Vijf voorbeelden.

  1. Sloppenwijk mijden of gentrificeren

Een eerste dilemma waar Groen en Chansa tegenaan liepen, raakte meteen aan het probleem dat ze wilden oplossen: de slechte reputatie van de sloppenwijk. Chansa kreeg daar als kind vaak mee te maken. Mensen verdachten hem van diefstalletjes of vroegen hem mee te helpen in gevechten.

Wie gaat er nou een kaartje kopen voor een circusvoorstelling midden in de sloppenwijk?

Met Circus Zambia wilde hij de sloppenwijk beter op de kaart zetten. Dat sprak ook Groen aan, net klaar met haar haar master Urban Studies. ‘Misschien kunnen we de buurt een beetje helpen gentrificeren,’ dacht ze. ‘Met mooie muurschilderingen en een leuke club. Dat de sloppenwijk meer een cool urban environment wordt in plaats van alleen maar vies en eng.’

Maar eenmaal op zoek naar een terrein voor hun circusschool, bleek dat mooie idee niet zo praktisch. Wie gaat er nou een kaartje kopen voor een circusvoorstelling midden in de sloppenwijk? En zou daar überhaupt een kantoor te vinden zijn voor zakelijke afspraken? ‘De wijk staat natuurlijk bekend als onveilig,’ zegt Groen. ‘Er zijn bovendien geen straatnamen en alleen onverharde wegen, waar je in het regenseizoen vast komt te zitten met de auto.’

Na lang wikken en wegen hebben ze het idee van een circusschool op locatie voorlopig laten varen. Groen en Chansa kochten een terrein op de grens tussen een arme en een rijke wijk. Zo weten de circuskinderen én de zakelijke contacten Circus Zambia goed te vinden.

  1. Water geven of weigeren

Wie het circusterrein óók wisten te vinden, waren de kinderen uit de aangrenzende arme wijk. Tijdens de vele watertekorten in de stad verzamelden ze zich al snel aan het hek, met lege emmers om te vullen. Circus Zambia heeft immers een eigen waterput. ‘Je eerste instinct is dan: “Ja, natuurlijk, pak maar,”’ zegt Groen. ‘Maar op een gegeven moment zijn het er wel heel veel.’ Zelfs toen Chansa en Groen besloten voor emmers water hetzelfde bedrag te vragen als de gemeentelijke waterput, bleef het storm lopen. Groen: ‘Ik bleef maar bezig en had een steeds hoge stapeltje muntjes op mijn werkbureau.’

‘We zeggen nu “nee” tegen de kinderen aan het hek.’

Toen de stroom in de hoofdstad dagelijks werd stilgelegd, hielden Chansa en Groen ermee op. Het eindige water uit hun elektrisch aangedreven put bewaren ze nu voor zichzelf en het circus. Groen: ‘We zeggen nu “nee” tegen de kinderen aan het hek. We kunnen niet alle problemen oplossen.’ Ook nu de stroomtekorten weer even lijken opgelost, blijven ze zuinig op hun water. De put ging laatst kapot en moest worden gerepareerd voor 750 euro. Een behoorlijk bedrag voor Circus Zambia. Het confronteerde Groen wel weer even met de realiteit van de kinderen aan het hek. ‘Ik moest toen zelf water halen bij de buren. Zo’n emmer sjouwen is echt zwaar. Dat doen dus ook kinderen van een jaar of acht!’

  1. Helpen of emanciperen

Omdat Circus Zambia steeds verder groeit, willen Groen en Chansa de komende drie jaar toch nog een dependance openen in de sloppenwijk zelf. Tot die tijd moet er nog even gependeld worden. Voor de wekelijkse open training op zaterdag rijdt Circus Zambia naar de sloppenwijk heen en weer met een eigen busje. Kinderen die zelf komen, krijgen geld voor de bus. Dat geldt ten minste voor de jongere kinderen van de school, een stuk of zestig. Daarnaast zijn er zo’n vijftien ver gevorderde jongeren die vaker komen trainen. Zij krijgen voor hun rol in circusshows of workshop van Circus Zambia betaald. Toch zijn ook zij nog gewend om voor elke training reisgeld en lunchgeld te krijgen en komen ze dikwijls te laat.

‘Zij zijn echt geen zielige kindjes die alleen maar hulp moeten krijgen. Het zijn gewoon medewerkers. Dat brengt verplichtingen met zich mee.’

Dat vinden Chansa en Groen niet meer passen. ‘Zij zijn echt geen zielige kindjes die alleen maar hulp moeten krijgen,’ zegt Groen. ‘Het zijn gewoon medewerkers. Dat brengt verplichtingen met zich mee. In Nederland zou je zelfs moeten betalen om opgeleid te worden tot verdienend circusartiest.’

Toen Chansa en Groen aankondigden het lunch- en reisgeld voor deze vijftien af te schaffen, werden de jongeren boos. Dat heeft te maken met de oude ngo-cultuur, denkt Groen. ‘Dat je van alles krijgt en verder geen verplichtingen hebt.’

zambia

Na overleg kwamen ze tot een compromis. De vijftien oudsten stoppen nu steeds een deel van hun verdiende geld in de pot voor lunch- en reisgeld. Daar legt Circus Zambia de helft bij. Dat past trouwens ook bij de nieuwe ideeën van de meeste ngo’s, zegt Groen. ‘Ngo’s denken nu vaker in termen van eigenaarschap en investeringen.’

  1. Vooroordelen bestrijden of accepteren

Wat hardnekkig zit ingebakken in Afrika zijn vooroordelen over wie helpt en wie geholpen wordt. Tegen die achtergrond steekt Circus Zambia mooi af: een succesvolle circusschool, opgericht door Chansa en zijn vrienden uit de sloppenwijk. Groen houdt zich als medeoprichter vaak een beetje op de achtergrond als dat verhaal wordt verteld in de media of op congressen. ‘Je wordt al snel gezien als een white saviour,’ vat Groen het probleem samen.

Een Rotary-vrouw vertelde eens enthousiast dat ‘een van haar jongens’ de Engelse koningin had ontmoet. Dat was Chansa zelf. ‘Hij is de oprichter,’ zei Groen toen.

Bij de Rotary Club, waar Circus Zambia zich bij aansloot, gaat dat precies andersom. ‘Mensen daar behandelen mij steeds als de enige volwaardige oprichter,’ zegt Groen. Chansa vindt de sfeer niet prettig, dus gaat Groen vaak alleen naar de Rotary Club. Ze wil connecties met de club wel warm houden, ondanks de kromme ideeën daar. ‘Een vrouw vertelde er eens enthousiast dat “een van haar jongens” de Engelse koningin had ontmoet,’ zegt Groen. Dat was Chansa zelf. ‘Hij is de oprichter,’ zei Groen toen. Maar ze maakte er verder geen punt van.

Inmiddels begint die weinig activistische houding naar de buitenwereld toch te knagen. Circus Zambia heeft de Rotary-connecties en de mediaverhalen steeds minder nodig en de frustratie over de vooroordelen groeit. Groen heeft bovendien meer behoefte aan erkenning dan ze had verwacht. Ze wil niet meer alleen op de achtergrond blijven. ‘Ik wil ook uitgenodigd worden voor de internationale congressen waar Gift steeds maar naartoe vliegt. Dat lijkt me super interessant!’

  1. Zelf doen of omkopen

Een laatste dilemma waar Groen en Chansa onlangs tegenaan liepen, is de troebele kant van de bureaucratie in Zambia. Ze merkten het toen een westerse hulporganisatie het circus een accountant aanbood. De Zwitserse vrouw was een welkome uitbereiding van het team, want tot nu toe was Groen tussen de creatieve acrobaten de enige die streng op de cijfertjes toezag. Alles leek geregeld, totdat de werkvergunning werd geweigerd. Groen en Chansa moesten maar een consultant inhuren om de werkvergunning voor de Zwitserse te regelen, werd hen verteld. Dan zou het wel lukken.

Omkoperij, vindt Groen. ‘Je betaalt dan 500 euro, die de consultant vooral in eigen zak steekt. Een beetje betaalt hij aan de bureaumedewerkers die je zonder geld niet willen helpen.’

‘Als je meedoet met corruptie, houd je een verrot systeem in stand. Maar als je het niet doet, ben je zelf de hele dag heen en weer aan het rennen en loop je het risico dat je het land moet verlaten.’ 

Omdat ook de hulporganisatie achter de accountant niet wilde meewerken aan het consultantsysteem, hielden Chansa en Groen voet bij stuk. Dat hebben ze geweten. Groen: ‘Ik ben heel veel in de weer geweest voor die vergunning. Bij elk bezoek kreeg ik weer te horen: “Kom morgen maar terug” of “Nee, je moet dit mee brengen” of “We zijn nu dicht” of “Stuur maar een brief”.’ Tot het laatste moment was het niet zeker of de accountant wel kon komen. Uiteindelijk lukte het via een brief van een minister die Circus Zambia kende.

Binnenkort verloopt Groens eigen werkvergunning. Ze weet nog niet of ze dan zo standvastig blijft vasthouden aan haar idealen. Groen: ‘Als je meedoet, houd je een verrot systeem in stand. Maar als je het niet doet, ben je zelf de hele dag heen en weer aan het rennen en loop je het risico dat je het land moet verlaten.’