Poëzie / Maandboek poëzie

Tonnus Oosterhoff is een van de leukste en moeilijkste dichters van het moment. Laten we dus maar direct beginnen met het eerste gedicht uit Ware grootte. Ware grootte? Dat betekent dus zoals dingen werkelijk zijn, op het goede formaat. Ja, maar hier vaak juist niet, of liever gezegd: pas door misvormingen en rare invalshoeken leer je misschien ten slotte de ware grootte van dingen en gebeurtenissen zien. Eerste gedicht:

Hierdoor naar binnen? Naar buiten

Schreeuwde je het uit? Langzaam

Terwijl hier de seconde verder

en verder tikt

valt eender waar de kaars uit.

Wanden kindertekeningen. Geknikte klok

Waaraan moet je denken? Ik moet niets.

Bekrast. Bekrast

Doet qua sfeer denken aan Oosterhoffs eerste bundel Boerentijger die toen werd gezien als een late nazaat van Hendrik de Vries’ kinderangst-gedichten. Inmiddels heeft Oosterhoff zich ver van zulke anekdotische noties ontwikkeld; het is allemaal stukken taliger, experimenteler, speelser en ondoordringbaarder geworden. Maar in Ware grootte zie ik op de achtergrond toch weer een bang iemand op het platteland terug. Het is bij alle humor en taalspel een bundel vol dood, aftakeling en angst.

Dat eerste gedicht: niet zo moeilijk nog, maar wel met kenmerkende trekjes zoals die ene seconde die verder en verder tikt, wat natuurlijk niet kan, die uitvallende kaars waar je een ander soort uitvallend licht verwacht, en die verandering van dat woordje moeten, van iets dat noodzakelijk plaatsvindt in iets waartoe je gedwongen wordt. Taalspel, maar steeds met een beweging: woorden worden ontwricht, transformeren tot andere woorden en genereren zo nieuwe, verrassende betekenissen.

Oosterhoff is een taalgoochelaar, maar wel een van het hoogste niveau. In een gedicht verderop schrijft hij: ‘Het is lente, lente heeft mij altijd veel gedaan. / De lente is mijn seizoen, haast schreef ik meizoen.’ Daar zie je even hoe het bij hem werkt, het gaat haast vanzelf, hij deinst niet terug voor invallen die veel andere dichters niet zouden aandurven. De hele bundel door vallen die associatieketens op: ‘Brombeer bromt. Onweer komt. Leven verstomt.’ Of, verkeerd om verbonden: ‘Alles wat ademtrapt waterhaalt.’ Zoals het elders genoemd wordt ‘brabbelpot potloodkrabbel’.

‘Druk ik de pen op papier, dan wijkt de geest,’ begin hij een ander gedicht, dat vervolgens beschrijft hoe je gehurkt en met je ogen dicht allerlei vlekjes ziet bewegen in je bewustzijn. Oosterhoff vindt in zijn gedichten een vertaling voor dit soort irrationele, fysieke sensaties, en een groot deel van zijn werk laat zich het beste zó lezen. Ik heb hem in een radioprogramma horen verklaren dat hij Ware grootte zijn moeilijkste bundel vond; kennelijk is het hem zelf ook niet allemaal even duidelijk, maar weet hij dat onduidelijke, die taalvlekjes, wel te registreren zoals ze in hem opkomen.

Als je er niet al te moedwillig begrijpend tegenover staat, het gedicht een beetje op je af laat komen, gaat het eigenlijk het beste. Dan voel je hoe hij gebeurtenissen uit het nieuws, van de tv, uit oude documentaires of verhalen van vroeger voor zijn geestesoog laat dansen en springen.

Maar het is ook een intrigerend spel met registers. Niet flauw, zoals acteurs die een accentje nadoen, maar omdat het iets uitzonderlijks, iets nieuws oplevert. Zoals: ‘Waarom is neuken een pompbeweging, spuitgasten? / Omdat iets boven moet komen dat liever beneden blijft,’ een tamelijk onthutsend verslag van de geslachtsdaad. Paring, zwangerschap, geboorte, het zijn kennelijk moeizame, tegenstrijdige gebeurtenissen waarmee de hoofdpersoon in deze gedichten lijkt te worstelen. Zodat er bij zoveel moeizaam verlopend leven verzucht wordt: ‘Wie wil leven / als vliegen kan?’ Liever weg, de fantasie laten lopen, vrijheid, dan aan de aarde vastzitten.

Gelukkig redt humor, ook een soort vlucht, deze dichter van alle zwarigheden, bijvoorbeeld in dit gedicht over godvrezend volk van vroeger dat is veranderd in opstandige klimaatvrezers en querulanten van nu:

Zo hangt de regen als een schaduw

als regen blijft hangen. Het kerkvolk

trok de Dom over zich heen; de kerk

duwde met zijn vuist het volk binnenstebuiten.

Zo gingen ze verloren de mensen van olim, de mensen gegaan.

Hun nazaten pikken het niet. Wat niet?

Klimaat niet. Dat er klimaat is.

In elke advocaat huist een valk

waarin een advocaat kantoor houdt,

advocatenkantoor Valk, Advocaat & Valk.

Zo blijft elk wezen een meesterwerken

bevattende cocon in een meesterwerk verscholen.

Niet pikken ‘dat er klimaat is’, heerlijk soort regels vind ik dat. Maar ik proefde dit keer daarnaast veel opstand, narigheid, ongewenste verandering en dood. Somber worden de gedichten er al met al niet van; integendeel, geen dichter bij wie je ondanks alle gedoe zo kunt lachen. ‘Humor / heb je of heb je niet / onder de wriemelpootjes van het gras / ook als je je dag eens niet hebt,’ meldt hij zelf, zonder valse bescheidenheid, zeg maar op ware grootte.

ALTOOS WANNEN

Van sommige dichters zou je wensen dat ze eens een ander geluid voortbrachten, een nieuw lied op het repertoire zetten, maar bij H.H. ter Balkt heb ik dat nog nooit gehad. Niet te verwarren met enig andere dichter bast en bromt hij nu al lange jaren door de Nederlandse dichtkunst. In zijn jongste bundel Vuur valt dat bijzonder goed waar te nemen, want er staan gedichten in van jaren terug. Het oudste dateert in de kern uit 1970, is dus een half mensenleven oud, het heet ‘De wan’ en begint als volgt:

Wan ouder dan Rome, gele ode

uit de strot van ’t kaf gevlogen:

ochtend komt, de avond over

wacht de wan tot slot de schoven.

Een gedicht over een hulpstuk uit de landbouw dat ‘ouder dan Adam’ uit de voormenselijke geschiedenis lijkt te zijn voortgekomen, en het eindigt dan ook met noties over tijdloosheid ‘want totdat de dood ons scheidt, want tot de goede eeuwigheid.’ Ter Balkt staat te boek als een bij uitstek aardse dichter, maar zijn werk bezit opmerkelijk genoeg soms ook een metafysische dimensie, niks met God of andere oppermachten, maar iets dat tijd en ruimte overschrijdt.

In Vuur, dat naast nieuw werk vooral achterstallig onderhoud aan oud werk biedt, viel me weer eens op hoezeer deze dichter zijn best doet de tijden niet alleen te becommentariëren, maar vooral ook te overleven. Enerzijds ‘wij hebben haast alles verkeerd gedaan’, de slotregel uit een lang gedicht ‘Nijmeegse getijden’, anderzijds een gedicht over zandwegen en daarvan ‘zijn er nog weinige over / maar misschien zijn een paar genoeg’.

Ook in Vuur keert Ter Balkt zich gewoontegetrouw tegen zijn bêtes noirs, de wereldbedervers en machthebbers ‘presidenten van de wereldbol / bij de speekselopwekkende lekker wijn’, en dat moet hij ook maar blijven doen, een ander lied past hem nu eenmaal niet.

ONBEGRIJPELIJK ALLEDAAGS

In Valery Larbauds beroemde ‘Images-gedicht over de “Quai des Boompjes”‘ observeert de schrijver twee meisjes die op een Rotterdamse straathoek afscheid van elkaar nemen. In het gedicht ‘In Schrafft’s’ kijkt W.H. Auden naar een middelbare vrouw die in een restaurant een taartje zit te eten. Aan beide gedichten moest ik denken bij het lezen van Annemieke Gerrists debuutbundel Waar is een huis. Omdat haar gedichten er op lijken en toch ook juist weer niet.

Ze beschrijft steeds tafereeltjes die herkenbaar zijn en tegelijk door haar invalshoek tot verwondering stemmen. ‘Je kunt tegen iemand aanliggen die tegen een muur aanligt’ schrijft ze ergens, en zo is het, waar jij tegen aanligt hoeft niet per se tegen jou aan te liggen. Het is dit geheimzinnige gevoel van frictie in de werkelijkheid dat de toon in deze verzen bepaalt. Steeds lijkt iets helder, of zelfs de waarheid, maar vervolgens blijkt het er toch net iets naast te liggen:

Een man wijst met zijn wandelstok naar een hoek waar hij wil gaan zitten

Ik trek een kopje koffie naar me toe

Zijn vrouw protesteert tegen een groot stuk taart en eet hem helemaal op

Ik vul een kleine stoel. In de hoek vechten twee kinderen om een bal

Als je me ziet, maak me zo, dat ik wegkom

Het is heel doorzichtig en toch ook een soort schimmenspel dat Gerrist ons voortovert in haar gedichten waarin de ik even gevoelig als registrerend optreedt. ‘Ik wil niet zeggen dat het niet waar is wat ik zing,’ oftewel: ook poëzie bevat een soort waarheid, al ziet die er misschien anders uit.

Het debuut van Annemiek Gerrist werd, op grond van voorpublicaties, met de nodige verwachting tegemoet gezien. Dat legt altijd druk op een debuut. Maar met haar volstrekt eigen manier van kijken naar de dingen blijkt Gerrist die druk met gemak aan te kunnen.

BIDDENDE BOMEN

Edwin Fagels debuut Uw afwezigheid heeft in de verte wel wat weg van Gerrists eersteling. Ook hier staat vervreemding in de alledaagse wereld van vandaag op het programma. Nijhoff schreef in ‘De wandelaar’: ‘Mijn eenzaam leven wandelt door de straten,’ haast een soort programma voor de ontheemde mens in het interbellum. En kennelijk is het weer zover.

Fagels bevreemding is wel beduidend minder schimmig dan die van Gerrist en daarmee ook niet zo intrigerend. Hij is concreter, actiever, geeft meer lucht aan zijn temperament. Heeft ook sterker de neiging om de werkelijkheid te overschreeuwen: ‘Laat niemand nog ontkennen dat wij in deze wereld op onze plaats zijn. / We zien er goed uit. Wat we zeggen heeft gewicht.’

Toch leidt ook bij deze dichter de gelijktijdigheid en nevenschikking van alles tot een vorm van poëtische verbijstering, of het nu het politiebusje is dat langskomt en waar de mensen geïntimideerd naar staren of de vriendin die wie weet zelfmoord wil plegen: ‘Ik hield mijn vriendin vast / bij een spoorwegovergang.’

Dit zijn niet meer de luidruchtige ‘anything goes’-performance-dichters van nog maar een seizoen geleden, maar verwonderde toeschouwers met hun verwarde gedachten:

Alles was er. De gedachte aan een besmuikt huilend meisje,

op tv een trage voetbalwedstrijd. Ik was er

getuige van. Ik keek naar een oude boom die aan de straatkant stond

te bidden. Bomen, dacht ik, bidden niet, maar nu we dan toch

de vergissing hebben gemaakt zou ons een zeker

geloof daarin wel sieren. Deze boom bidt, dacht ik.

In Fagels gedichten komt het nieuws langs en staat de tv aan, maar helderder en vanzelfsprekender wordt het daar allemaal niet van. Al noemt hij een afdeling dapper en koeltjes ‘Agendapunten’, we zijn onmiskenbaar weer terug bij de ontwortelden van Nijhoff.