Het is aangenaam om met mijn oude bekenden door Rangoon te dwalen nu pal voor hun neus de historische veranderingen plaatsvinden waarvan ze de afgelopen vijfentwintig jaar hebben gedroomd.
‘Het is net alsof we allemaal lichter bewegen,’ zegt Nilar terwijl we ons in de voetgangersstroom langs piramides van appels en mandarijnen en pannen met somosa’s in pruttelende olie persen. Ze vervolgt: ‘Alsof er een last van onze schouders is gevallen.’
Nadat de Nationale Liga voor Democratie, de partij van Aung San Suu Kyi, vorig jaar november een monsterzege boekte, liep Nilar met een knoop in haar maag. De kordate trainster die jonge politici bijspijkert over de ins en outs van openbaar bestuur was bang dat al te openlijke triomf over de zege een reactie van het leger zou uitlokken. Of dat mensen in de roes van de overwinning zouden beginnen over een tribunaal voor het ancien régime. Dat was immers een van de redenen dat het leger een eerdere oppositiezege in 1990 naast zich neerlegde. Maar toen het dagen en vervolgens weken rustig bleef, ontwarde de knoop in haar maag zich. So far so good, zegt ze nu regelmatig tegen zichzelf, ook al beseft ze dat de militairen nog altijd cruciale macht bezitten. Met vrolijke trots herhaalt ze een grap die sinds de verkiezingsoverwinning populair is: ‘De Birmese burgers zouden de Nobelprijs voor de Vrede moeten krijgen.’
Zelfs het anders zo strenge megalomane parlementsgebouw in de nieuwe hoofdstad Naypyidaw gonst van de opgetogen opwinding als voor het eerst na meer dan een halve eeuw weer een democratisch gekozen parlement en regering aan de slag zullen gaan. Overal in de gangen van spiegelend marmer zwermen de vaaloranje jasjes van de verkiezingswinnaar de Nationale Liga voor Democratie (NLD). Meer dan honderd van de nieuwbakken volksvertegenwoordigers zijn ex-politieke gevangenen. Terwijl Pyone Cho, een ingetogen activist die twintig jaar vastzat, het geklik van camera’s onwennig over zich heen laat komen, denk ik aan zijn jongere broer die in gevangenschap overleed, en aan zijn broze ouders met het portret van hun vermoorde zoon aan de muur van hun kleine, met vocht doortrokken huis.
Sommige van mijn lokale collega’s deelden jarenlang een cel met de nieuwe parlementariërs en de journalistieke distantie laat hen in de steek als ze elkaar geëmotioneerd omhelzen. Ook ik zou mijn kritische overpeinzingen over de ingewikkelde toekomst met een overdosis aan problemen liefst even in de coulissen parkeren. Maar dan komt opeens die ene opmerking die de ontnuchterende kern raakt. ‘Vandaag voelt als een droom, maar als er geen duurzame vrede komt, zal dit alles zonder betekenis zijn.’ Dat zegt Khin Maung Myint, een parlementariër voor de NLD uit de noordelijke staat van de Kachin minderheid, terwijl hij in het geroezemoes om zich heen blikt. In zijn afgelegen thuisland wordt weer gevochten, net als in enkele andere delen van Birma. De taak om een eind te maken aan de langstdurende burgeroorlog van deze tijd, ligt nu op het bord van Aung San Suu Kyi en haar collega’s. Zo beland ik weer bij het onderwerp waar vijfentwintig jaar geleden mijn journalistieke liefde voor het land begon.
Houtje-touwtje leger
Het conflict in de jungle van Oost-Birma trok mijn aandacht toen ik in het begin van de jaren negentig op zoek naar verhalen door Azië reisde. Ik ving flarden op over een ministaat Kawthoelei, Bloemenland, waar de etnische minderheid de Karen al sinds de onafhankelijkheid van 1948 vocht voor meer autonomie en gelijke rechten. De schaarse foto’s van het rebellenhoofdkwartier Manerplaw, dat Veld van de Victorie betekent, maakten me nog nieuwsgieriger: een verzameling houten hutten in het groen, een toegangsbord met ‘Give Me Liberty or Death’ en een houtje-touwtje leger op een paradeveld. Die onderbelichte oorlog in een al even onderbelicht land leek me een onderwerp waar ik als beginnend journalist flink mijn tanden in kon zetten.
De Birmezen willen dat wij binnenkort alleen nog in een museum te zien zijn.
De rivier die vanuit Thailand de enige route naar Manerplaw vormt, lag er doods bij toen ik enkele weken later naar het hoofdkwartier voer. Er werd een luchtaanval verwacht. Nauwelijks was ik aangekomen of helikopters en straaljagers denderden dichterbij. De schuilkelder was een hol van een paar vierkante meter uitgegraven in het zand. Ruim een half uur later bleek een buitenlandse fotograaf de enige die licht gewond was. Het bombardement door het Birmese leger zoemde onder de inwoners van het hoofdkwartier verder als een vermakelijk anekdote over wie het hardst gerend had om het vege lijf te redden. De vergeten oorlog bleek van dichtbij zo’n normaal onderdeel van het leven dat je er maar het beste af en toe een grap over kon maken, vertelden mijn nieuwe kennissen in Manerplaw. Sommigen vluchtten zo vaak van huis en haard dat ze inmiddels de tel waren kwijtgeraakt.
Na die intensieve kennismaking met het zenuwcentrum van de rebellen was ik verkocht. Een kleine houten kamer in Manerplaw met een brits en een tafeltje was maandenlang mijn thuis. Mijn bestaan paste in een rugzakje en de rest van de wereld was er alleen nog dankzij een kleine Sony radio.
Stap voor stap ontdekte ik tussen de vergezichten van fluwelen heuvels een overhoop gehaald gebied waar diepe grieven tegen het centrale gezag van generatie op generatie werden overgeërfd. De uitspraak: ‘De Birmezen willen dat wij binnenkort alleen nog in een museum te zien zijn,’ hoorde ik voor het eerst van een fanatieke vrouwelijke commandant, maar ook elders in de Karen-staat waren bewoners ervan overtuigd dat ze met uitroeiing werden bedreigd.
De meeste andere etnische minderheden verkeerden eveneens al decennia in oorlog met het regime. Bij elkaar besloegen de namen van alle opstandige groepen en subgroepen enkele pagina’s. En net als ik een beetje dacht te snappen hoe het zat, ontstond er weer een volgend nieuw Bevrijdingsfront. Gezamenlijk een vuist tegen de junta maken, was niet de sterkste kant van de rebellen.
Nadat het Birmese leger in Centraal-Birma in 1988 een opstand neersloeg, trokken duizenden opstandige studenten en scholieren vanuit de steden naar de jungle om zich aan te sluiten bij de guerrillastrijd.
De meesten waren maar enkele jaren jonger dan ikzelf en hun stadse humor was me vertrouwd. De verhalen hoe hun leven zo plotseling volledig om zijn as draaide, kropen al snel diep onder mijn huid.
Een van die nieuwkomers was Sonny Mahinder, een welbespraakte ex-scheikundestudent die op het witte doek niet zou misstaan. Zijn legerbasis was alleen te bereiken via een urenlange klimpartij over een junglepad. Het lag in het thuisland van de Karenni, een van de andere etnische groepen uit het oosten. Mahinder was opgegroeid in Loikaw, de hoofdstad van de Karenni staat, en hij had er van jongs af aan goede connecties. Net als de Karenni had hij als zoon van een Indiaas echtpaar – zijn vader was Sikh en zijn moeder Hindoe – aan den lijve ondervonden wat het betekent een tweederangsburger te zijn in de door boeddhistische Birmanen overheerste natie.
Die ervaringen speelden mee toen hij in 1988 in zijn woonplaats Loikaw de leiding nam bij de demonstraties tegen het bewind. Nadat het leger de protesten neersloeg en jacht op hem maakte, besloot hij de wapens op te nemen.
De zoon van welgestelde handelaren bleek een geduchte vechtjas. Maar hij was ook een denker. Onder het kussen op zijn brits lag Van Crevelds klassieker The Transformation of War en Von Clausewitz’ On War. Oorlog, wist Mahinder, is politiek met andere middelen. ‘Daarom is het belangrijk dat ons leger blijft bestaan,’ zei hij regelmatig terwijl hij een zoveelste cheroot, een Birmese sigaar, opstak. De naïeve gedachte van een snelle terugkeer naar huis had hij achter zich gelaten. Hij was een van de weinigen die voorbij de loopgraven keek toen hij uitlegde wat het meest cruciale probleem zou blijken als democratischer tijden ooit zouden aanbreken: ‘De toekomst van ons land staat of valt met de relatie tussen de minderheden en de regering. Zonder een politieke oplossing zal er in Birma nooit vrede zijn.’
Aanvankelijk overzag ik de betekenis van zijn woorden nauwelijks toen ik te voet met een bonte verzameling rebellen langs de frontlinies trok. In dorpen die op vrijwel geen kaart te vinden waren, trof ik talloze burgers die ontheemd waren geraakt door gevechten of die aan massale dwangarbeid waren ontsnapt. Het luguberste waren de verhalen van degenen die voor de Tatmadaw, het Birmese leger, als munitiedragers of als menselijke mijnenvegers dienden. Ze waren zo uitgemergeld dat ze op levende vogelverschrikkers leken. De rebellengroepen namen het ook niet al te nauw met de mensenrechten, maar de omvang van die schendingen stond in geen verhouding tot wat het regime onder de bevolking aanrichtte.
Terwijl ik alle verschrikkingen noteerde, werd de vraag wat de gewapende strijd opleverde steeds dwingender. En op een avond zag ik in de commandopost van Mahinder hoe onmogelijk die strijd geworden was. De raketten van de Tatmadaw sloegen zo dichtbij in dat de Nescafé uit onze bekertjes gutste. Terwijl Mahinder de evacuatie van het kamp voorbereidde, ging de enige foto van zijn moeder door zijn handen. Ze was kort daarvoor overleden. ‘Maak je geen zorgen, over een paar maanden zien we elkaar weer,’ had Mahinder tegen zijn moeder gezegd, toen hij zeven jaar eerder naar de jungle vertrok. ‘Kom terug als overwinnaar,’ luidde haar antwoord. Een terugkeer als overwinnaar? Het leek op die belaagde heuvel onrealistischer dan ooit.

Gefluisterde conversaties
De reizen door Centraal-Birma, waar de junta de macht had, zetten me verder aan het denken. De terreur was er tastbaar genoeg met al die gefluisterde conversaties, halve zinnen en vooral veel stiltes. Maar tegelijkertijd was het soms ook of de oorlog in de etnische gebieden een verzinsel was. De meeste stadse dissidenten werden in beslag genomen door hun eigen strijd.
Bij een ontmoeting met Aung San Suu Kyi in haar verweerde villa in Rangoon waar ze af en aan onder huisarrest verkeerde, bleek dat ook zij niet werkelijk besefte hoe diep de grieven gingen en hoe de niet-Birmaanse minderheden het nog zwaarder te verduren hadden dan de meeste andere landgenoten. Op de vraag wat zij vond van hun gewapende strijd, klonk ze in eerste instantie welwillend genoeg. De gebruikelijke bezemsteel in haar rug verdween zelfs even en haar stem werd warmer toen ze zei: ‘We zullen ze nooit afvallen omdat ze de wapens opgenomen hebben. Wij kunnen hun vrijheid en hun veiligheid immers niet garanderen.’ Maar daarna verviel ze in behoedzame algemeenheden over de rechtsstaat die mijn kennissen in de jungle vast weinig zouden aanspreken.
De wereld van verzet die onder de ijzeren vuist vande junta verborgen lag, was fascinerend
Het was fascinerend om in Centraal-Birma toegang te hebben tot de wereld van verzet die onder de ijzeren vuist van de junta verborgen lag. Maar ik was me er ook pijnlijk van bewust dat de krachtmeting tussen Aung San Suu Kyi en de generaals die in de internationale berichtgeving over Birma de meeste aandacht ving, slechts een deel van het complexe probleem vormde. Vaak sprongen de waarschuwende woorden van Mahinder over de cruciale rol van de minderheden uit mijn geheugen tevoorschijn.
In de loop der jaren verzwakten interne verdeeldheid en corrupt leiderschap de gewapende groepen. Mede onder druk van buurlanden China en Thailand sloot een groot deel van de rebellen wapenstilstanden met het bewind. In ruil voor die concessie mochten de etnische leiders ongestoord hun zakken vullen met inkomsten uit de opiumteelt, de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen of andere lucratieve handel. Maar de akkoorden bleven in de praktijk fragiele overeenkomsten die de politieke eisen van meer zelfbeschikking buiten beschouwing lieten en die vaak betekenden dat het Birmese leger zijn macht uitbreidde.
Mahinders rebellenleger slonk tot een omvang die hij met gêne verzweeg en hij bracht steeds minder tijd in de jungle door. Vanuit het nabijgelegen Thailand probeerden de voormalige guerrillastrijders het ondergrondse verzet en de internationale politieke lobby gaande te houden. Het klonk allebei als meer dan het in werkelijkheid voorstelde. Hij trouwde een vrouw van de Karenni minderheid en werd vader van twee zoons. Op Facebook postte hij foto’s van zijn lievelingsbloemen, orchideeën, en van allerlei noedel- en rijstgerechten.
In mijn werkkamer verbleekten de foto’s uit de jungle tot ze nog slechts als schimmen herinnerden aan alle tochten die ik maakte. In mijn zwartgalligste momenten betwijfelde ik of al degenen die ik er leerde kennen een terugkeer naar huis ooit zouden meemaken. Mijn reizen naar hun vaderland werden er des te wranger door.
Onhandige poging
Ben ik te somber geweest over de kans op vrede, vroeg ik mij af toen er vanaf 2010 betere tijden leken aan te breken. Nadat de aan het leger gelieerde partij dankzij fraude de verkiezingen won, werd het huisarrest van Aung San Suu Kyi opgeheven en het klimaat werd vrijer.
De concessies van het bewind leken vooral door pragmatisme ingegeven. Het stak de junta de arme sloeber van Azië te zijn en ook de noodgedwongen economische afhankelijkheid van China was de nationalistische generaals een doorn in het oog. In ruil voor de beperkte politieke hervormingen normaliseerden westerse landen de betrekkingen met de pariastaat. Internationale geldstromen kwamen op gang.
De nieuwe semi-civiele regering deed ook een handreiking aan de rebellengroepen. Ik geloofde mijn ogen niet toen de oude commandanten die me onderdak boden in de jungle in hun traditionele mouwloze vesten en onstadse stappers aan de thee gingen met Birmese ministers in een vijfsterrenhotel in Rangoon. Maar in een hoek van de conferentieruimte kregen de rebellen gefluisterde waarschuwingen van hun achterban: ‘Vertrouw niemand en vergeet niet dat jullie met de verkeerden praten. De militairen doen niet mee.’
De pogingen tot vrede kregen westerse steun. Mede met geld uit de EU werd in Rangoon eind 2012 het Myanmar Peace Center (MPC) opgezet om de besprekingen tussen rebellen en regering te faciliteren. Internationale vips kwamen hun expertise delen in het complex met vanillekleurige villa’s dat onder supervisie van een Birmese minister stond. Maar het duurde niet lang of de kwade reuk van projecten met buitenlanders en Birmezen uit de diaspora met riante honoraria, hing ook rond het MPC. In mijn favoriete theehuis op loopafstand van het complex noemden klanten het MPC spottend het Myanmar Prostitution Center.
Deskundigen speculeerden erop los. Waren al deze bijeenkomsten nu een hoopvolle aanzet tot vrede? Of waren de veranderingen vooral cosmetisch en gebruikten de haviken binnen het leger de regering als façade? De vragen werden des te legitiemer toen in delen van het land zware gevechten uitbraken waarbij zelfs bommenwerpers werden ingezet.
Mahinder en zijn collega’s waren in eerste instantie te sceptisch voor de vredespijp. Maar toen ik op een avond stond te kijken hoe de gouden koepel van de Shwedagon pagode opgloeide in het lauwe donker van Rangoon, schalde plotseling mijn naam uit een propvolle Toyotataxi. Na veel wikken en wegen hadden Mahinder en zijn lotgenoten besloten de uitnodiging van de regering toch een kans te geven.
‘Weet jij waar we een biertje kunnen drinken?’ riep Mahinder. Het is een onhandige poging tot scherts nu ze vreemden bleken in een stad die ze als studenten kenden als hun broekzak. De ouderwetse theehuizen met de geur van verse mohinga (traditionele ontbijtsoep) bleken deels vervangen door moderne uitspanningen die caffè latte verkopen. De lommerrijke lanen rond het Inya meer hadden zich ontpopt tot verstopte verkeersaders waarlangs hoogbouw uit de grond schoot.
‘Het voelt onwerkelijk om terug te zijn,’ zei Mahinder een dag later terwijl hij zich voorbereidde op de ontmoeting met de ministers. Het klonk afwezig, alsof hij eerder tegen zichzelf dan tegen mij sprak. Op bedachtzame toon vervolgde hij: ‘We zijn op onze hoede. Het is te vroeg voor al te veel vertrouwen.’
Ook na afloop van het overleg met de regering hield hij zich op de vlakte. Na wat aandringen zei hij: ‘We zaten aan tafel als overwinnaars.’
Hij zag er vermoeid uit toen hij zijn tassen in de donkere fourwheeldrive laadde waarmee een vriend van vroeger hem naar zijn geboorteplaats Loikaw zou rijden. In de jungle was de droom ontstaan ooit samen terug te reizen naar het landschap van zijn jeugd, maar Loikaw was nog altijd verboden terrein voor buitenlanders. Ik zag een forse, vroeg oud geworden man vertrekken. De bevlogenheid die ik van vroeger kende, was grotendeels verdwenen. Een overlevende, schoot het door me heen. Het moest pijnlijk zijn de achtergebleven families in Loikaw te gaan vertellen dat de meeste jonge rebellen geen heldendood stierven maar omkwamen door malaria. Het verbaasde me niet dat ik geen antwoord kreeg op de vraag hoe het bezoek was geweest.
De pogingen tot vrede sleepten zich zonder al te veel opzienbarends voort. Het landelijk staakt-het-vuren-akkoord dat eind 2015 met veel bombarie werd opgevoerd, is slechts ondertekend door acht van de tientallen rebellengroepen. De afwezigen, onder wie ook degenen met de machtigste legers die vanuit China’s grensgebied rugdekking hebben, wilden meer zekerheid over een politiek vervolg op het document. Zo bleef de aloude kwestie van meer zelfbeschikking als een gevaarlijke zweer dooretteren.
De Birmese geschiedenis van 1824 tot nu
1824-1886 Britse annexatie als onderdeel van India. Gebieden van de minderheden worden via lokale heersers bestuurd.
1941-1945 Nationalisten uit de Birmaanse meerderheid kiezen tijdelijk de kant van de Japanse bezetter. Veel minderheden vechten mee met het Britse leger.
1947 Aung San, de leider van de onafhankelijkheidsbeweging en vader van Aung San Suu Kyi, belooft de minderheden een gelijke positie en enkelen van hen het recht op zelfbeschikking. Hij wordt vermoord door een politieke rivaal.
1948 Birma wordt onafhankelijk.
1949 De Karen nemen de wapens op. Andere minderheden volgen.
1962 Militairen grijpen de macht.
1988 Aung San Suu Kyi keert vanuit Oxford terug naar haar vaderland. Massale protesten tegen het bewind worden neergeslagen.
1989 Aung San Suu Kyi wordt onder huisarrest geplaatst. Enkele machtige minderheden in de Shan staat sluiten wapenstilstanden.
1990 De Nationale Liga voor Democratie (NLD) wint de verkiezingen. De uitslag wordt genegeerd.
1995 Val van Manerplaw, het hoofdkwartier van de rebellen.
2010 Militairen en de aan hen gelieerde partij winnen door manipulatie de verkiezingen. Huisarrest Aung San Suu Kyi wordt opgeheven. In delen van het land laaien gevechten met minderheden op.
2011 Semi-civiele regering begint nieuwe vredesonderhandelingen.
2015 De NLD wint met ruime meerderheid de verkiezingen.
2016 Democratisch gekozen parlement en regering treden aan. Aung San Suu Kyi wordt de facto staatshoofd in de functie van Adviseur van Staat. Aan een vredesoverleg op 31 augustus nemen voor het eerst ook de machtige minderheden Wa en Kokang deel.

Vrede, welke vrede?
In dit ingewikkelde speelveld trekken in 2016 de democratisch gekozen politici binnen. Aung San Suu Kyi verklaart dat vredesoverleg bovenaan de agenda staat. Ze benoemt haar lijfarts als onderhandelaar ter voorbereiding op een historische landelijke conferentie. Maar terwijl de nieuwe leiders in de hoofdstad Naypyitaw hun zetels innemen, verhevigen de gevechten in de noordoostelijke Shan staat.
‘Vrede, welke vrede?’ gromt de advocaat La Lashi met wie ik daar nu rondreis. Hij kart stevig door en ook zijn zwarte leren jack geeft hem iets stoers, maar hij ontpopt zich als een milde, erudiete man die uitstekend op de hoogte is van heden en verleden.
Vlak naast de weg, op terreinen van pagodes en kerken of ergens zomaar in het veld, bivakkeren duizenden ontheemden. Het is een wonder dat bij een recente granaataanval door het Birmese leger op de kleine gemeenschap in Namjalap niemand gewond is geraakt. ‘De ene keer schiet het regeringsleger, de andere keer de rebellen. We zijn voor niemand veilig,’ zegt een van de tientallen vrouwen die in containers op het terrein van een kerkje wonen. Geen van hen toont grote emoties terwijl ze tussen wat dekens en wasgoed hun verhaal doen. Er is eerder berusting dat de geschiedenis over hen heen walste, en het besef dat dat voorlopig ook wel zo zal blijven.

Hun simpele getuigenissen mengen zich met de honderden andere die ik de afgelopen jaren hoorde, zodat het al snel voelt alsof ik weken in plaats van enkele dagen in de Shan staat ben.
Een van La Lashi’s oude vrienden, een grijs gekuifde, stakerige man bij wie we een theepauze houden, somt gedecideerd zijn bedenkingen op. Ondanks de overwinning van de democratische oppositie staan de drie machtige ministeries van Defensie, Binnenlandse Zaken en Grensbewaking nog altijd onder controle van het leger. Hij zegt: ‘We hebben in feite twee regeringen. Een civiele en een militaire.’ Er speelt een alwetend lachje om zijn lippen. Hij kan wel raden wie van de twee de machtigste is.
Terug in de auto gaat La Lashi verder in op de scepsis van zijn oude vriend: ‘Wij vrezen dat Aung San Suu Kyi een werkbare relatie met het leger een hogere prioriteit zal geven dan het waarborgen van de belangen van de minderheden.’ Die opmerking vat de situatie behoorlijk samen. Toch rest er nog een reis voordat ik het land verlaat. De geboorteplaats van Mahinder is niet langer afgesloten voor buitenlanders nu er een staakt het vuren is ingegaan. ‘Praat vooral ook met de jongeren,’ mailt hij als onverwachte bijeenkomsten hem beletten mee te gaan.
De kronkelweg naar Loikaw voert door uitgestrekte heuvelruggen die in de verte tot een waas vervagen. Een deel van dit gebied doorkruiste ik voorheen te voet. Terwijl we gehuchten en bergpassen passeren, komen de namen uit mijn oude notitieboekjes tot leven. Loikaw blijkt een oord van bescheiden bedrijvigheid. De kleine hindoetempel uit Mahinders jeugd staat er nog net zo bij, maar de stoffige hobbelwegen zijn nu tweebaans asfaltstroken met auto’s en brommers omlijnd door nieuwe, hoge bankgebouwen met spiegelende ramen. En als de avond valt verschijnen bij de restaurantjes zowaar enkele westerse backpackers om geroosterde vis en een Birmees biertje van de tap te nuttigen.
Be Du was nog een kleuter toen Mahinder in 1988 Loikaw verliet. Hij praat met respect maar ook met een zekere distantie over de generatie voor hem die naar de jungle trok. ‘Mahinder en zijn leger waren vroeger van belang, maar wij geloven in een politieke route.’ Hij heeft het gezicht van een kwajongen, maar al pratend wordt hij ouder. Hij blijkt een politiek dier en een analytische denker die de langetermijnplannen van zijn jongerenbeweging geroutineerd en in vlot Engels toelicht. Hij ziet het belang van de landelijke conferentie op 31 augustus, maar hij vindt ook dat civiele organisaties en burgers nog altijd te weinig in te brengen hebben. ‘We zullen veel meer moeten inzetten op decentralisatie, anders zal de Birmaanse meerderheid altijd winnen,’ zegt hij. Hij beseft hoe ingewikkeld dat zal zijn. De gebieden van de minderheden zijn voor de regering wingewesten vanwege alle natuurlijke hulpbronnen en bieden belangrijke mogelijkheid voor het bouwen van waterkrachtcentrales.
Ik luister aangenaam verrast naar zijn betoog. Maar onwillekeurig komen ook Mahinder en al zijn lotgenoten die geen andere uitweg zagen dan vechten in de jungle mij voor ogen. Hoe anders was hun leven misschien gelopen als ze destijds iets van de inzichten van Be Du en diens leeftijdsgenoten hadden gehad.
’s Avonds houdt Tun Kyaw, de commandant van een rebellengroep die een wapenstilstand voor Loikaw aanging, zijn verjaardagsfeestje. De klanken van een militaire blaaskapel wijzen de weg door de onverlichte straatjes. In een witte tennistrui en met een onberispelijke scheiding in het haar, schenkt de ex-guerrillaleider royaal lokale en westerse rode wijn in voor zijn gasten. De drank maakt de tongen van mijn tafelgenoten los en het duurt niet lang of de oorlog komt weer naar boven. Mijn ene gesprekspartner is een ex-guerrillastrijder met een kogel in zijn bovenlijf, de ander werkte als munitiedrager voor het Birmese leger. Een derde in het gezelschap vertelt wat zijn argwaan levend houdt, al zwijgen de wapens in Loikaw: het hele ambtenarenapparaat staat onder controle van het leger en in alle departementen zijn oud-militairen neergezet.
Nog maar nauwelijks heb ik Loikaw achter mij gelaten of vijf trucks met commandotroepen op weg naar de frontlinie verder in het noorden, denderen voorbij. Shoot, move, communicate staat er op de stenen zuilen naast de ingang van de legerbasis.
De opwinding over de politieke ontwikkelingen die me aan het begin van mijn verblijf nog in zijn greep had, is weggeëbd tot een nauwelijks hoorbare ruis op de achtergrond.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.