Non-fictie / Pleitbezorger van het egoïsme

Op 10 maart 2011 werd in de Amerikaanse Senaat een debat gevoerd over het op handen zijnde verbod op gloeilampen. Geen spannend onderwerp, zou je zeggen. Maar het debat verliep emotioneel. Toen de als libertair bekendstaande senator Rand Paul het woord kreeg, hield hij een gepassioneerd pleidooi voor keuzevrijheid op het gebied van lampen. Om zijn woorden kracht bij te zetten, haalde hij er een romanschrijfster bij. Had Ayn Rand in haar roman Anthem niet laten zien waartoe een bemoeizuchtige overheid kon leiden? En was er in dat boek niet ook een conflict om elektriciteit?

Ayn Rand – wie goed oplet, ziet haar naam de laatste tijd vaker opduiken. Tea Party’ers lopen rond met spandoeken waarop staat ‘Ayn Rand was right’, en Fox-presentator Glenn Beck wapperde in zijn show te pas en te onpas met haar boeken. Het kon niet uitblijven, in Amerika is nu ook een boek verschenen over Rands invloed op de publieke opinie: Ayn Rand. The Hidden Struggle for America’s Soul. Wie is de romanschrijfster die iedereen in Amerika lijkt te kennen?

Na de Bijbel is Ayn Rands ruim elfhonderd pagina’s tellende Atlas Shrugged (1957) het meest gelezen boek in de Verenigde Staten. Ze vormen een markant tweespan: waar de Bijbel naastenliefde predikt, is egoïsme de hoogste deugd in Atlas Shrugged. Ayn Rand (1905-1982), die op twintigjarige leeftijd naar Amerika emigreerde, hield aan haar jeugd in de Sovjet-Unie een levenslange haat jegens het communisme over. In haar werk, dat bestond uit fictie en filosofische essays, bezong ze het perfecte spiegelbeeld: een ongereguleerd kapitalisme. Ze werd het bekendst met haar romans. Een combinatie van groots opgezette plots, controversiële seksscènes en een onvervalst ideologische boodschap leverde haar miljoenen lezers op. Alleen al van Atlas Shrugged worden er elk jaar nog honderdduizenden verkocht.

Talentloze droeftoeters

Ayn Rand was een ongewone, volgens sommigen gemankeerde romanschrijfster. Ze negeerde alle literaire mores over subtiliteit, geloofwaardigheid en psychologie. In Rands fictieve wereld bestaan maar twee soorten mensen: de kneuzen en de helden. De kneuzen zijn lelijk (pafferig, kaal, noem maar op) en hebben misselijkmakende namen als Balph Eubank en Wesley Mouch. Ze zijn continu op zoek naar erkenning, ondanks hun gebrek aan talenten en karakter. Verantwoordelijkheid schuiven ze het liefst door naar anderen (‘Maar niemand heeft me gezegd wat ik moest doen!’) en vanzelfsprekend hebben ze lege vriendschappen en troosteloze seks.

Aan de andere kant van de randiaanse scheidslijn staan de helden. Zij zijn slank en woest aantrekkelijk en hebben robuuste namen als Hank Rearden en Howard Roark. Ze trekken zich niets aan van anderen, werken hard, nemen de ene goede beslissing na de andere en worden zelden geplaagd door zoiets triviaals als emoties. Ze hebben wilde, soms naar verkrachting neigende seks met andere dunne, sexy mensen. Daarnaast beginnen ze vaak midden in een gesprek een filosofische monoloog die zich over meerdere pagina’s uitstrekt.

De zwaar aangezette tweedeling in personages mag dan belachelijk lijken, ze dient een duidelijk doel. In haar hele oeuvre maakt Rand een onderscheid tussen creatieve genieën (‘prime movers’) en parasiterende massamensen (‘second-handers’). De tweede groep is afhankelijk van de eerste, maar weigert dit in te zien. In The Fountainhead (1943) laat Rand aan de hand van haar hoofdpersoon, de geniale, eigenzinnige architect Howard Roark, zien wat het belang is van originaliteit en individuele scheppingskracht. Roark weigert zich te conformeren aan de normen van andere architecten, die oude tradities nabootsen door zuiltjes en timpanen tegen gebouwen te plakken. In plaats daarvan maakt hij revolutionaire, strakke gebouwen die de meesten van zijn tijdgenoten krankzinnig en gevaarlijk vinden. Uiteraard zegeviert Roark: op de laatste pagina staat hij met wapperende haren boven op zijn eigen wolkenkrabber.

Rands tweede grote roman, Atlas Shrugged, gaat over de plaats van het onafhankelijke genie in een steeds socialistischer wordende samenleving. De staalmagnaat Hank Rearden, ontwikkelaar van een superieure metaalsoort, wordt voortdurend lastiggevallen door rottige, slijmerige overheidsdienaren die op zijn patent uit zijn. Later dwingt de overheid Rearden simpelweg zijn geheim openbaar te maken ‘voor het publieke belang’. Het is maar één voorbeeld uit Atlas Shrugged van een genie dat wordt dwarsgezeten door de staat. Uiteindelijk trekken alle ‘prime movers’ zich gezamenlijk terug in een verborgen vallei waar zij de tijd van hun leven hebben – eindelijk worden ze niet meer lastiggevallen door luie, talentloze droeftoeters. Het spreekt voor zich dat de parasieten niet zonder de genieën blijken te kunnen en hen uiteindelijk smeken terug te keren. Het kapitalisme heeft gezegevierd.

Onbegrepen genietje

In Rands ideale samenleving krijgen de men of the mind, zoals zij ze noemt, alle vrijheid hun eigenbelang na te jagen. De overheid beperkt zich tot het regelen van rechtspraak, politie en defensie, en vertrouwt voor het bekostigen van deze publieke goederen op giften. Er wordt geen belasting geheven en er bestaat geen door de overheid geregelde sociale zekerheid. Het lot van werklozen, gehandicapten en zieken in een randiaanse samenleving laat zich raden. Maar dit was niet haar zorg, zei Rand: het welzijn van het hele volk is niet de verantwoordelijkheid van krachtige individuen.

Rands helden zijn overduidelijk verlengstukken van haarzelf. Al tijdens haar jeugd in de Sovjet-Unie ontstonden haar paranoia, rigiditeit en superioriteitsgevoel. Als eenzaam, onbegrepen genietje las ze boeken van Nietzsche en raakte ze ervan overtuigd dat de andere kinderen jaloers waren op haar intellect. Haar onvermogen tot zelfrelativering is nooit verdwenen.

Later, toen ze in de Verenigde Staten woonde, raakte ze gebrouilleerd met de ene na de andere vriend. In de jaren vijftig verzamelde ze een kring van jonge, trouwe volgelingen om zich heen: een sekteachtig clubje waarvan ook de oud-voorzitter van de Federal Reserve Alan Greenspan deel uitmaakte. Wie Rand tegensprak, werd ten overstaan van de groep aan een heus verhoor onderworpen en geroyeerd wanneer hij niet inbond. Zo’n royement voltrok zich op de ouderwetse sovjetwijze: de anderen moesten een document tekenen waarin stond dat ze nooit meer contact zouden hebben met de verschoppeling. Merkwaardig genoeg bleven de meesten van Rands volgelingen, die zich ‘Objectivisten’ noemen, haar en haar filosofie trouw, ook na haar dood in 1982. Er werd een instituut opgericht dat moest waken over haar intellectuele nalatenschap. Nog steeds beschouwt het Ayn Rand Instituut de geschriften van Rand, die naast vier romans bestaan uit een groot aantal essaybundels, als heilig.

Hulpeloze zakenlieden

Rand lijkt op het oog misschien een meedogenloze gek, iemand die niet serieus genomen hoeft te worden. Zo is ze ook behandeld door literair critici, wetenschappers en door de meeste media. Zelfs haar conservatieve tijdgenoten wilden niets met haar te maken hebben: voor hen was ze te militant atheïstisch en waarschijnlijk ook te excentriek. Maar wie Rand negeert, doet haar tekort. Hoe voorspelbaar, humorloos en opdringerig haar boeken ook zijn, het zijn spannende pageturners met talloze subplotjes en cliffhangers. En, belangrijker: als je bereid bent je in te leven in de helden, zijn ze zelfs overtuigend. Na een paar honderd pagina’s Atlas Shrugged is het onmogelijk om geen medelijden te hebben met Hank Rearden, het eenzame genie dat wordt geplaagd door geldbeluste slapjanussen. Het is moeilijk om geen hekel te krijgen aan de overheid, die steeds meer regels verzint om de vrije competitie aan banden te leggen. En nog lastiger is het om sympathie op te brengen voor de zijige mensen die lispelen over liefde en broederschap. Het is knap dat Rand er, ondanks haar radicale ideeën, in slaagt haar lezers – ook de niet-libertaire – aan het denken te zetten. En lang niet alles wat ze zegt is extreem. Over uiteenlopende zaken als zelfvertrouwen, originaliteit, bureaucratie en verantwoordelijkheid heeft ze zinnige dingen geschreven – en ook nog op een scherpe, soms zelfs grappige manier.

Het is bovendien belangrijk om te erkennen dat Rand een grote invloed heeft gehad op rechts Amerika – van de Tea Party en de Republikeinse Partij tot Alan Greenspan.

Aan deze invloed heeft Gary Weiss, onder meer journalist bij The New York Times en Business Week, nu een boek gewijd. Hij sprak met verschillende objectivisten en Rand-liefhebbende Tea Party’ers, bezocht bijeenkomsten van geldschieters die het objectivisme willen verspreiden, en deed onderzoek naar de ideeën van Alan Greenspan. Zijn stelling: Rand is bezig aan een opmars. Nog nooit zijn haar ideeën zo populair geweest als sinds de economische crisis van 2008. Dat lijkt raar: waarom zou de godin van het kapitalisme floreren bij het falen van de markt? Maar Weiss laat zien dat er in de ogen van randianen geen contradictie bestaat. De crisis is volgens hen niet ontstaan door te weinig regulering, maar juist door te veel. In een echt kapitalistische economie was er geen crisis geweest.

Deze omkering hanteren de randianen ook als het gaat om de bêtes noires van de kredietcrisis: de zakenlieden. In haar essay ‘America’s Persecuted Minority: Big Business’ (1961) betoogt Rand dat de ‘kleine, geëxploiteerde, veroordeelde, hulpeloze minderheid van zakenlieden’ wordt gediscrimineerd en opgejaagd door liberale intellectuelen. Hun positie vergelijkt ze met die van de Joden in nazi-Duitsland en de bourgeoisie in de Sovjet-Unie. De randianen met wie Weiss sprak, associëren zichzelf met deze ‘hulpeloze minderheid’, of het nu gaat het om kleine boeren of om CEO’s van grote banken.

Randiaanse Revolutie

Rands invloed op de samenleving is overal te zien, schrijft Weiss. Op belangrijke posities in de Tea Party zitten mensen die al op jonge leeftijd haar boeken hebben gelezen en sindsdien op een randiaanse manier naar de wereld kijken. Voor veel van de nieuwe Congresleden van de Republikeinse Partij geldt hetzelfde. Onder­tussen is het Ayn Rand Instituut bezig de geesten van de jonge generatie rijp te maken voor de randiaanse revolutie door honderdduizenden gratis exemplaren van Atlas Shrugged op te sturen naar scholen. En het belangrijkst, volgens Weiss, is Rands invloed op Alan Greenspan, van 1987 tot 2006 voorzitter van de Fed. Green­span was in de jaren vijftig en zestig een van Rands naaste vertrouwelingen. In haar bundel Capitalism: The Unknown Ideal (1966) schreef hij drie essays waarin hij greed en het ongereguleerde kapitalisme bezong. Tijdens zijn zittingsperiode bij de Fed heeft hij ervoor gezorgd dat de markten verder gedereguleerd werden. Zo steunde hij de afschaffing van de Glass-Steagall Act, de wet die commerciële en zakenbanken van elkaar scheidde. En hij weigerde toezichthouders te sturen naar de hypotheekafdelingen van nationale banken. Volgens Greenspan zelf had dit allemaal weinig te maken met zijn jeugdige flirt met het objectivisme, maar Weiss betwijfelt dat. Uit al Greenspans uitspraken en geschriften zou blijken dat hij nooit afstand heeft gedaan van de ideeën die hij in 1966 op papier zette. Ook na de crisis van 2008 wees Greenspan dit gedachtegoed niet af.

Hamburgerbakker

Wat zou Rand zelf denken over de huidige economische crisis? Uit haar boeken blijkt dat ze een ouderwets idee had van werken, maken, creëren. Ze spreekt uitsluitend over tastbare uitvindingen en producten, zoals spoorwegen, elektrisch licht en revolutionaire motoren. Howard Roark staat, te midden van zijn werknemers, in een bouwput om daar met blote handen een gebouw in elkaar te zetten. Alle randiaanse helden weten hoe ze een vliegtuig moeten besturen en repareren. En de wetenschapper Dr. Akston uit Atlas Shrugged blijkt naast een briljante natuurkundige ook een uitstekende hamburgerbakker te zijn. Hoe zou Rand denken over de handelaren in dubieuze producten als credit default swaps? Ze opereerden vanuit egoïsme, dat staat vast. Maar ze creëerden niets.

Weiss wijst de lezer op het essay ‘The Money Making Personality’ dat Rand in 1962 schreef voor Cosmopolitan. In dit stuk maakte zij een onderscheid tussen de Money Maker, die rijkdom creëert door ‘de natuur te bedwingen’ (door iets uit te vinden of te maken) en de Money Appropriator, die aan zijn geld komt door anderen te manipuleren. De eerste soort hecht bovendien niet aan luxe en status, in tegenstelling tot de tweede. Het is duidelijk bij welke groep Rands sympathie lag. Ze liet zich in dit essay negatief uit over Wall Street. Toen ze Alan Greenspan vroeg een schatting te maken van het percentage Money Makers op Wall Street, gokte hij op vijf procent. Zo bezien lijkt het bijna onmogelijk dat Rand nu positief zou oordelen over het gros van de zakenmannen van Wall Street. Maar hoe zit het met de huidige randianen?

Het antwoord van Weiss is duidelijk: met de realiteit hebben Rands volgelingen niets te maken. De randianen die hij spreekt, herhalen een globaal praatje over de crisis waarin de overheid alles verkeerd heeft gedaan. Op tegenwerpingen en vragen reageren ze met clichématige abstracties over vrijheid en dwang. In een debat dat Weiss bijwoonde tussen het Ayn Rand Instituut en Demos, een progressieve denktank, praatten beide sprekers volledig langs elkaar heen. Yaron Brook, directeur van het Ayn Rand Instituut, stelt dat elke economische transactie rechtvaardig is zolang die vrijwillig wordt gedaan. Maar zo’n ruil veronderstelt twee gelijke partners, werpt de Demos-afgezant tegen. Brook is niet onder de indruk. ‘De oude randiaanse praktijk van het negeren van het overduidelijke en het verkeerd voorstellen van de werkelijkheid vond recht voor onze ogen plaats,’ schrijft Weiss. Wanneer Brook voorstelt het openbaar onderwijs af te schaffen, wordt het Weiss teveel. ‘Waarom debatteren we weer over deze thema’s, deze basisprincipes? Is dat echt nodig?’ vraagt hij zich af.

Roep om meer ongelijkheid

Aan het eind van het boek wordt duidelijk dat Weiss het schreef met een politiek doel. Zijn ironische distantie maakt plaats voor een ernstige, zelfs gealarmeerde toon. Hij maakt zich zorgen om de agressie ten opzichte van de overheid en de breed klinkende roep om meer ongelijkheid. Ayn Rand ziet hij als de evil genius achter deze tendens, en de Tea Party, het Ayn Rand Instituut en een deel van de Republikeinse Partij als haar voetsoldaten. Hij pleit ervoor ‘de verborgen strijd om Amerika’s ziel’ aan te gaan met hetzelfde middel dat de randianen hanteren: de moraal. Weiss begrijpt de aantrekkingskracht van Rands boeken en ideeën. Ze bieden mensen houvast, geven simpele antwoorden, behandelen fundamentele vragen over rechtvaardigheid waarover anderen allang niet meer praten.

Haar boeken geven de aanhangers de illusie terug te kunnen keren naar een tijd waarin het beter ging met Amerika. Intussen spannen Democraten en progressieven zich niet in om te beargumenteren waarom hun visie op de overheid moreel superieur is. Daardoor lijkt Rand nu aan de winnende hand. Met klem verzoekt Weiss progressief Amerika om Rand voortaan serieus te nemen en ‘filosofischer te denken’ om haar van een weerwoord te kunnen voorzien. ‘We moeten kiezen – ons erfgoed of Ayn Rand.’

Gary Weiss, ‘Ayn Rand Nation. The Hidden Struggle for America’s Soul’, St. Martin’s Press, 290 p.