Op de derde verdieping van de beton kolos ‘De Meelfabriek’ in Leiden staat een klein huisje met gezellige dakpannetjes. De toegangsdeur is duidelijk herkenbaar als een boekenkast – denk: het Achterhuis. Binnen is er, behalve een Perzisch tapijt en iets dat op een islamitische preekstoel lijkt, nog weinig te zien. De Amerikaanse kunstenaars John Ewing en Christopher Robbins, medeoprichters van kunstenaarscollectief Ghana ThinkTank, hebben tot volgende week vrijdag om te werken aan een installatie die wel eens zou kunnen uitgroeien tot het meest spraakmakende werk van de tentoonstelling Global Imaginations.

Uit een doos haalt Robbins de speciaal gemaakte tegels die binnen komen te hangen – Delfts blauw, met afbeeldingen van tulpen en islamitische symmetrische motieven. Tegen de muur staat een bord met een oproep tot het bedekken van hoofd, schouders en enkels in deze ‘sacred place’. Nog een tiental onuitgepakte dozen staan te wachten. Op de vraag hoe het kunstwerk er uiteindelijk uit komt te zien, reageren Robbins en Ewing terughoudend. Ze weten het zelf ook nog niet precies. Want de afgelopen weken is er achter de schermen intensief overleg gevoerd over dit project, met autoriteiten en vertegenwoordigers uit islamitische, joodse en christelijke kring. Of het wel kon. Of het niet te ver ging. Met welke reacties ze rekening moesten houden. En dat is allemaal niet zo vreemd als je de werktitel kent: de Anne Frank Moskee.

‘Developing the First World’

Het plan was het resultaat van een bezoek dat de kunstenaars in januari aan Leiden brachten, op uitnodiging van Museum De Lakenhal, om de problemen waarmee de lokale bevolking worstelt in kaart te brengen. Het startpunt van een vast procedé dat Ghana ThinkTank sinds de oprichting in 2006 hanteert. ‘Flipflopping’ noemen ze het zelf. Waar normaal gesproken het rijke Westen zich via ontwikkelingshulp bemoeit met de problemen in arme landen en de oplossingen van bovenaf oplegt, met alle misverstanden en communicatiestoringen van dien, draait Ghana ThinkTank het principe om: ze laten problemen in de zogenaamde ‘ontwikkelde landen’ analyseren door denktanks in zogenaamde ‘onontwikkelde landen’, en hebben zich ten doel gesteld de oplossingen die worden bedacht ook echt te implementeren, hoe onpraktisch of triviaal die ook lijken. Hun motto: Developing the First World.

Het idee ontsproot uit de persoonlijke ervaringen die de kunstenaars na hun studententijd opdeden met ontwikkelingswerk. Vol goede bedoelingen waren ze, maar tot hun frustratie smoorden die vaak in gebrek aan kennis van een hun onbekende cultuur, miscommunicatie en de, zoals Ewing het noemt, ‘paternalistische aard van het systeem’. Robbins vertelt hoe hij in Benin zag dat een hulporganisatie prachtige varkenshokken van cement bouwde voor lokale boeren, terwijl bijna alle mensen daar zelf in lemen hutten woonden. Voor hen was het ondenkbaar om varkens zo’n luxueus onderkomen te geven. Tegelijkertijd verbood het stamhoofd de hokken om te bouwen tot woningen, uit angst de gulle gevers voor het hoofd te stoten. Resultaat: ze bleven ongebruikt.
Ewing veroorzaakte grote problemen toen hij op het platteland van El Salvador voor een mensenrechtenorganisatie werkte. ‘Ik interviewde lokale figuren over wat mensenrechten voor hen betekenden. Een jongen klaagde voor de camera over een corrupte burgemeester die op het dorpsplein maïs plantte voor eigen gewin. Ik dacht dat het goed was als mensen zich zo uitspraken om een dialoog op gang te krijgen. Maar ik had geen besef van de harde realiteit daar. Je had er doodseskaders en zo. Die jongen werd in elkaar geslagen, een van mijn collega’s werd ontvoerd en zelf werd ik met de dood bedreigd. Ik wilde iets goeds doen, dacht dat ik een beproefde methode hanteerde, but it turned into a real mess.’

In datzelfde El Salvador hielp Maria del Carmen Montoya, die later toetrad tot Ghana ThinkTank, namens een hulporganisatie lokale boeren in hun contacten met grote voedselproducenten. ‘Die werden allemaal geleid door Amerikanen,’ vertelt ze via Skype vanuit New York. ‘Ik moest vertalen en een vorm van wederzijds begrip tussen die groepen creëren. Daarom moest ik de Amerikanen een basale vorm van Spaans bijbrengen. Tot mijn verbazing waren ze alleen geïnteresseerd in woorden als “silo”, “wisselkoers” en “transportkosten”. De aanname bij de Amerikanen was dat er bij de arme boeren een instantvertrouwen in hen zou zijn, omdat ze trucks en andere middelen hadden en de belofte brachten van een beter bestaan. Ik dacht meteen: zo werkt dat niet. Je moet ook “goeiemorgen” kunnen zeggen, en “hoeveel kinderen heb je”. Dus heb ik zelf maar een handboekje gemaakt, met frases die getuigen van echte interesse.’

Nieuwe naam voor de hond

In hun laatste jaar aan de Rhode Island School of Design besloten Ewing, Robbins en hun van oorsprong Ghanese medestudent Matey Odonkor hun ervaringen om te draaien en tot kunstproject te verheffen. Ze togen naar het zeer welvarende stadje Westport in Connecticut, om daar ‘problemen’ te verzamelen. Die legden ze voor aan ‘denktanks’, bestaande uit mensen die ze voor het project hadden benaderd: een groep Ghanese fietsenmakers, New Yorkse gevangenen, Mexicaanse onderwijzers. ‘We wilden stemmen van buiten horen,’ zegt Robbins. ‘Wat onze New York Times-lezende Facebookvrienden vinden, dat weten we wel.’

De problemen van Westport liepen uiteen van klein en persoonlijk tot veelomvattend. Er een hond bij de buren blafte onophoudelijk, en er werd geklaagd over het gebrek aan diversiteit in deze blanke gemeenschap. Ewing: ‘De reactie die we kregen van de denktanks was: waar hebben ze het over? Er wonen in dat stadje vast flink wat latino’s die hun gras maaien en hun was doen. Alleen worden die niet echt gezien als mensen, laat staan als vrienden. Hun oplossing was: nodig dagloners uit op feestjes en openingen, en betaal ze daarvoor.’ En zo vond Ewing zichzelf terug op een opening, met aan zijn zijde twee Mexicanen die geen Engels spraken. ‘De galeriehouder was helemaal opgewonden dat er iemand van buiten het gebruikelijke kringetje kwam opdagen,’ zegt hij lachend. ‘Hij vroeg meteen of ze vaker wilden komen. Waarop een van de Mexicanen zei: “Nou, elke keer als je me vijftien dollar per uur betaalt om wijn te drinken en een praatje te maken, kom ik graag.” Dat heb ik toen maar niet vertaald. Het was allemaal behoorlijk ongemakkelijk. Maar ook dat was onze bedoeling. Het idee van dit project is om de blik op de werkelijkheid te doen kantelen. Bij anderen, maar ook bij onszelf.’

Wat de blaffende hond betreft: vanuit Latijns-Amerika kwam het advies om een schoen tegen het raam van de baas te gooien, zodat het een probleem tussen twee mensen werd, en niet tussen mens en dier. ‘De hond deed alleen maar zijn werk,’ zegt Ewing. ‘Het was een intermenselijk probleem.’ De Ghanese denktank stelde voor om het beest een nieuwe naam te geven, zodat de pogingen van zijn baasje om hem stil te krijgen minder onvriendelijk door de buurt zouden schallen. ‘Dat is gebeurd,’ zegt Montoya. ‘Duke werd omgedoopt tot Love. Zijn eigenaresse zei later dat ze het gevoel had dat de hond daar daadwerkelijk een beetje rustiger van werd.’ Het klinkt misschien triviaal, maar Montoya vindt juist de kleine, persoonlijke problemen die tijdens een project naar voren komen en de daarvoor aangedragen oplossingen, vaak het interessantst. ‘Want die tonen aan dat wij als mensen toch veel gemeenschappelijk hebben, waar ter wereld we ook wonen. En het is ook praktisch. Soms krijgen we van de denktanks te horen: gooi het hele onderwijssysteem om. En dat is iets dat natuurlijk niet binnen onze mogelijkheden ligt.’

Sexy herinneringen

In tien jaar groeide Ghana ThinkTank uit tot een wereldom spannend project. De groep wordt gesponsord en per opdracht betaald. Ze trokken onder meer langs afgelegen Marokkaanse dorpen en lieten in de verdeelde stad Mitrovica in Kosovo een Albanese denktank peinzen over oplossingen voor de problemen van Serviërs. Voor een project bij de grens tussen de VS en Mexico bogen uitgewezen immigranten en burgerwachten die langs de grens patrouilleren zich over elkaars sores. Er werden tal van denktanks opgericht: medische studenten in Gaza, een gezin van drie generaties op Cuba, een groep kunstenaars in Iran, een hackerscollectief in Indonesië, de oprichters van een klein radiostation in El Salvador et cetera. ‘Het gaat ons om de wijsheid van de massa,’ zegt Ewing. ‘Om opinies en analyses te krijgen vanuit een perspectief dat je in westerse landen niet snel zult zien. We vragen denktanks om hun sessies te filmen, en die video’s tonen we bij onze tentoonstellingen. Dan kunnen de bezoekers zien hoe die mensen daar onze problemen analyseren.’

Een van de terugkerende kwesties in rijke landen, zegt Ewing, is het feit dat ouderen buiten de samenleving komen te staan. ‘Een probleem dat ze in veel zogenaamde derdewereldlanden niet kennen. We kregen te horen: “Serieus? Wonen kinderen bij jullie niet in één huis met hun grootouders?” Dat leek hen echt een afgrijselijke situatie.’ Volgens de analyse van de Iraanse denktank waren westerse jongeren simpelweg vergeten hoeveel ze gemeen hebben met de oudere generatie, die immers ook ooit jong is geweest. Bij wijze van oplossing adviseerden ze Ghana ThinkTank om zoveel mogelijk vrolijke verhalen van ouderen te verzamelen over hun vroegere seksuele escapades, en die vervolgens als podcast te laten horen aan de jeugd. De uitvoering ervan had aanvankelijk nogal wat voeten in de aarde, lacht Carmen Montoya. ‘Ik moest in Wales de straat op om lukraak oude dametjes aan te spreken. Op een van de eerste dagen kreeg ik, toen een vrouw eenmaal doorhad waar ik op uit was, een enorme hengst met haar handtas. Mán, het leek wel alsof er een baksteen in zat! Maar uiteindelijk is het allemaal gelukt, en konden we een “dirty tea” organiseren waarbij allemaal oudjes met een grote glimlach sexy herinneringen aan hun jeugd ophaalden.’

Door de jaren heen bleef het project ook de oprichters steeds weer verrassen. ‘Het is een proces van spiegeling,’ zegt Montoya. ‘Door het inventariseren van problemen ontstaat er een beeld van een gemeenschap. A portrait in discontent. De reacties die terugkomen, geven een indruk van hoe die gemeenschap eruit ziet in de ogen van anderen, die daarmee indirect ook weer inzicht in hún gemeenschap geven. Het zorgt dat alle partijen steeds weer opnieuw naar zichzelf kijken.’

Liever Turks dan paaps

In januari van dit jaar streek Ghana ThinkTank neer in Leiden, om in een met vogelhuisjes opgefleurde bouwkeet de wijken in te trekken. De Leidenaren konden hun klachten deponeren in een knalrode brievenbus of ventileren tijdens een interview. De kunstenaars, die bij hun projecten altijd bewust de positie van naïeve buitenstaander koesteren, hadden vooraf het stereotype beeld van het tolerante land waar alles kan. Van de veranderingen die Nederland doormaakte sinds de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh hadden ze geen benul.

Ze begonnen hun inventarisatie daags na de terroristische aanslagen in Parijs. Maar er stapte niet één Leidenaar naar binnen met klachten over moslims en de islam. Naast de overlast van meeuwen in de stad was de groeiende intolerantie in Nederland dé grote zorg die naar voren kwam. ‘Het ging vooral over de opkomst van rechtse partijen en over de positie van moslims in Nederland,’ zegt Ewing. ‘Mensen waren bezorgd dat die aanslag ook hier gevolgen zou hebben. Er kwamen moslims binnen die voorbeelden gaven van de vooroordelen waarmee ze te kampen hadden. Zo vertelde een jonge vrouw dat ze op haar werk met de nek werd aangekeken sinds ze een hoofddoek was gaan dragen, en niet meer op feestjes werd uitgenodigd.’

De reactie van de denktanks – in dit geval het hackerscollectief in Indonesië en de groepen Eritreërs en Soedanezen die in Israël proberen een vluchtelingenstatus te verwerven – was eenduidig: creëer begrip over en weer. Ewing: ‘Ze zeiden: een wereldwijde religie wordt beoordeeld op de daden van een groep extremisten, en dat is niet fair. Er moet een dialoog komen, interactie – dat soort zaken.’

Dat was allemaal mooi natuurlijk, maar hoe? De kunstenaars begonnen zich te verdiepen in de Nederlandse geschiedenis. ‘We ontdekten een spoor van islamitische invloeden in het Nederland van de zestiende eeuw,’ zegt Robbins. ‘Dat Willem van Oranje bijvoorbeeld nauwe banden onderhield met Suleyman de Grote, de toenmalige sultan van het Turkse Rijk. Daar werden indertijd verschillende godsdiensten naast elkaar gedoogd, terwijl in Europa de protestante opstanden werden neergeslagen en de Inquisitie huishield. We kwamen er achter dat de Watergeuzen de leus “Liever Turks dan paaps” voerden, en de Turkse halve maan als symbool gebruikten. Die sieren nu nog steeds de torentjes van het Leidse stadhuis. En weet je wie er bij Suleyman voor pleitte om de opstand van Willem van Oranje te steunen? De joodse diplomaat Joseph Nasi, die het katholieke Spanje was ontvlucht, naar Antwerpen trok en daarna een machtig man werd aan het hof in Constantinopel. Allemaal zaken die de mensen hier vergeten lijken te zijn. Dus wat we eigenlijk willen zeggen is…’ Ewing: ‘Dat de Nederlanders die nauwe relatie met de islam opnieuw moeten invullen, willen ze hun tolerantie hervinden.’

Vervolgens vroegen de kunstenaars zich af wat hét symbool van tolerantie in Nederland is, en al gauw kwamen ze uit bij Anne Frank. Robbins: ‘Dat is dus hoe ons idee begon post te vatten.’ Een nogal heikel verband: weliswaar verklaarde Otto Frank bij de opening van het Anne Frank Huis in 1960 dat ‘wat Anne écht wilde […] werken aan vrede, tolerantie en begrip’ was, maar voor veel mensen is Anne Frank toch vooral een herinnering aan de verschrikkingen van de Holocaust, en dus een symbool waar je vanaf moet blijven. Zoals de kunstenaars al snel zouden ontdekken. Ewing: ‘De eerste reactie kwam van de familie van mijn vrouw, die joods is. En van vrienden wier ouders de Holocaust overleefden. Zij raakten nogal van streek. Zo van: wat probeer je te zeggen? Anne Frank is iemand die ons vertegenwoordigt. Don’t mess with her.’

Maar bij de denktanks in verre windstreken viel het idee in veel betere aarde. ‘Toen we zoveel boze reacties kregen, zijn we opnieuw bij hen te rade gegaan. De Eritreërs in Israël vertelden dat een van hen net, toevallig, bezig was om het dagboek van Anne Frank in het Eritrees te vertalen. Voor hen was Anne veel meer een universeel symbool. Van kracht, menselijkheid. Dus zij zeiden: dat lijkt ons een prachtig idee. En dit is precies waar Ghana ThinkTank over gaat: culturele connecties en de dialoog die daaruit voortkomt. Met alle begrip en onbegrip die daarbij hoort. Het proces is in zekere zin het doel.’

Verwoed overleg

En dus meldden de kunstenaars zich zes weken geleden bij Museum De Lakenhal met het idee voor de Anne Frank Moskee. Het gebouwtje zou officieel worden ingewijd door een imam. ‘Dat zou weleens heftig kunnen worden,’ was de eerste gedachte van Meta Knol, directeur van het museum. ‘Maar ik dacht ook: dat klinkt als een goed werk. Ik realiseerde me wel dat ik overruled zou kunnen worden door heftige reacties.’

Daarmee begon een periode van verwoed overleg, waarbij Knol fungeerde als intermediair tussen de kunstenaars en verschillende personen en instellingen in Nederland – namen wil ze niet noemen. ‘Het is voor een museumdirecteur een nogal ongebruikelijke positie,’ zegt ze. ‘Je opereert in het brandpunt van heikele maatschappelijke kwesties. Uiteindelijk is het goed gekomen, maar het heeft veel diplomatie gekost.’

Dat is ook aan de kunstenaars zelf te merken. ‘Ik had niet voorzien dat dit het meest emotioneel traumatiserende project zou worden dat we ooit deden,’ zegt Christopher Robbins. Uiteindelijk werd het kunstwerk door de kunstenaars zelf aangepast, onder invloed van de reacties. Er is niet langer sprake van een moskee. De kunstenaars hebben ervoor gekozen om in plaats daarvan een ander aspect, dat al in het kunstwerk aanwezig was, beter uit te lichten: de geschiedenis van de islam in relatie tot de Nederlandse geschiedenis. In het kunstwerk komen wel, zoals vanaf het begin geland, plakkaten te hangen van zowel Suleyman de Grote en Joseph Nasi als van Otto en Anne Frank. De inwijding door een imam is van de baan. En de voornaamste aanpassing is de naam van het project. ‘Anne Frank Moskee’ stuitte op teveel weerstand. Het is nu: Monument to the Dutch. Ondertitel: an installation that brings together sacred symbols of tolerance. Het zij zo, zeggen zowel Ewing als Robbins. Om provocatie was het hen nooit te doen. ‘Het is belangrijk dat mensen het kunstwerk enigszins onbevangen ervaren,’ zegt John Ewing. ‘We willen niet dat het groepen uit elkaar drijft, maar juist samenbrengt.’