Schrijvende Afghaanse vrouwen

Khalida leunt ontspannen achterover in de donkerrode kussens van het prieeltje. In de tuin van het theehuis is het lawaai van de stad niet meer dan zacht geroezemoes. Ze steekt een dunne sigaret met bananensmaak op en geniet van het uitzicht op de bergen waar het laatste zonlicht langs strijkt.

Haar vijf vriendinnen hebben er geen oog voor. Zij maken zich kwaad over de jongste conservatieve oprispingen. Een moellah verbood een popconcert. ‘Hij is een populist die jonge onwetende mannen ophitst,’ vindt een van hen. Khalida neemt een paar trekken en zegt dan gedecideerd: ‘Ik wil vrij en onafhankelijk zijn.’

De achtentwintigjarige Khalida is schrijfster. Haar vriendinnen zijn dichteres, filmmaakster, juriste, fotografe en activiste. Het zestal jonge vrouwen vormt een ongebruikelijk gezelschap in de behoudende stad Herat in West-Afghanistan. ‘We hebben dezelfde ideeën. Dat verbindt ons. Dankzij elkaar kunnen we overleven.’

Khalida draagt een blouse met pastelkleurige bloemetjes die past bij haar zachtroze lippenstift en het diadeem in haar donkere haar. In mijn geheugen was ze blijven hangen als een donkere verschijning in een chador. Ze herinnert zich niet meer dat we elkaar ruim tien jaar geleden spraken, maar ik kan het me goed voor de geest halen. Het was begin 2002 en de taliban waren net verjaagd uit Herat. In de zes jaar van hun bewind hadden ze in de stad een zwaardere terreur uitgeoefend dan elders in Afghanistan. Na hun vertrek hing overal opwinding en hoop in de lucht.

Verstopte notitieboekjes

Ik maakte een huwelijk mee waar musici speelden op hun tabla (kleine trommel) en rubab (snaarinstrument) die ze jaren hadden moeten verbergen. Op straat maakten kappers overuren met het afscheren van baarden. De plukken haar dansten over het plaveisel. Op de kunstacademie werd weer geschilderd, al was het bij gebrek aan beter op wit karton. De stad maakte zich op om haar eeuwenoude reputatie als bolwerk van kennis en cultuur te doen herleven.

Zo hoorde ik over een groepje jonge schrijfsters die regelmatig elkaars werk bespraken in de bibliotheek. In het lage, vaalwitte gebouw vulden lijvige religieuze werken de planken. De rest van de collectie was een curieuze mengeling afdankertjes: Getting Agriculture Moving en Men, Memory and Madness uit 1964. Volgens een bibliothecaris hadden de taliban de oorspronkelijke kostbare collectie verbrand.

In een zijkamertje trof ik een viertal studentes die onlangs met colleges Perzische literatuur waren begonnen. Khalida was een gedreven achttienjarige met expressieve lichtbruine ogen onder lange wimpers. Ze vertelde hoe ze de afgelopen jaren dankzij boeken en lessen had overleefd. Haar ouders waren ruimdenkend, maar toch was ze depressief geraakt in haar beperkte bestaan. ‘Ga schrijven,’ adviseerde haar moeder die haar liefde voor taal had opgemerkt. Khalida schreef verhalen voor kinderen, maar het gaf haar weinig voldoening. Toen kreeg ze van haar broer Simone de Beauvoirs De tweede sekse te lezen. De visie van de Franse schrijfster dat de vrouw niet autonoom is maar gezien wordt in verhouding tot de man, zette haar wereld op z’n kop. Ze las het boek meteen vier keer. Toen ze via via hoorde dat een professor in het geheim literatuur doceerde, aarzelde ze geen moment. Met haar notitieboekjes verstopt onder naalden, kluwens garen en ander handwerkmateriaal glipte ze met haar vriendinnen dagelijks langs de controleposten van de taliban. Met hun leraar discussieerden ze over Perzische poëzie en verboden westerse werken van Shake­speare en Dostojevski. Maar ze deelden vooral hun verlangen naar een onafhankelijker en vrijer leven. Nu haar stad betere tijden tegemoet ging, had ze plannen om over tal van feministische onderwerpen te publiceren. ‘Vrouwen krijgen te weinig kansen in werk en politiek,’ zei ze. Het was haar ambitie dat te veranderen. Ze negeerde een oudere vrouw die waarschuwde: ‘We moeten niet proberen te springen, want dan vallen we.’

Jaloerse echtgenoot

Naast Khalida zat haar beste vriendin Nadia. Ze was stiller dan de anderen, maar haar naam zoemde in 2002 al rond als een veelbelovend talent. Het notitieboek dat ze liet zien, was één grote aanklacht tegen het leven onder de taliban: In deze storm van onderdrukking, / Welke stelende handen hebben het gouden standbeeld van je dromen geplunderd?

Nadia’s eerste bundel Gul e dodi, ‘Donkere bloem’, verscheen in 2005. Het waren nog altijd treurige woorden: Ik ben gekooid in deze hoek, Vol melancholie en zorgen. Mijn vleugels zijn gesloten en ik kan niet vliegen. Nadia’s teksten raakten een snaar bij de vrouwen van Afgha­nistan, maar ook in de buurlanden Iran en Pakistan.

Enkele maanden later kwam het bericht van haar dood. Het was onduidelijk wat zich had afgespeeld, want de familie had autopsie geweigerd. Volgens sommigen had ze zelf een einde aan haar leven gemaakt, maar ingewijden en een politieagent verklaarden dat ze door haar conservatieve echtgenoot zo zwaar was mishandeld dat ze aan haar verwondingen overleed.

Als ik Khalida nu vraag hoe haar vriendin is gestorven, antwoordt ze zonder aarzelen: ‘Haar man is schuldig aan haar dood. Ze trouwde om te ontsnappen aan haar familie die het afkeurde dat ze gedichten schreef. Maar het was van het begin af aan een zeer ongelukkig huwelijk. Ik mis haar nog steeds. Ze komt altijd terug in de karakters die ik creëer.’ Khalida wil verder praten, maar de anderen schudden hun hoofd. Het licht is al nagenoeg verdwenen uit de straten. ‘Het donker is onze vijand,’ zegt Khalida’s vriendin de dichteres Somaya.

De vriendinnen delen kauwgom aan elkaar uit om de geur van tabak te verdrijven. Ze slaan hun chador om zich heen. ‘Dit redt ons onderweg,’ zegt Somaya schamper. Een paar mannen in het theehuis staren het groepje vrouwen verbijsterd na als ze hun auto’s het verkeer in sturen.

Lijfwacht

De ochtendzon maakt Herat fris van kleur. Op het plaveisel nestelen zich wit bebaarde waarzeggers met hun korans en boekjes vol berekeningen. Er hangt de geur van verse naan en geroosterde kebab. Anders dan het vuile overbevolkte Kabul met zijn explosiewerende betonnen muren en politieposten, nodigt Herat met zijn brede avenues omlijnd door pijnbomen uit tot wandelen.

In het kantoor van de mensenrechtenorganisatie waar ze werkt, zit Khalida met een frons op haar voorhoofd achter haar laptop. ‘Er is zo veel geweld. Toen de taliban vertrokken waren, liep ik uren over straat en zag overal glimlachende gezichten. Ik voelde zo veel hoop. Voor mezelf, voor ons land.’ Even is ze stil, dan met een zucht: ‘Destijds dacht ik dat de taliban onze grootste uitdaging vormden. Inmiddels weet ik dat de echte uitdaging het veranderen van onze cultuur is.’ Haar toon wordt feller. ‘De krijgsheren en de moedjahedien bezitten machtige posities, voor hen zijn mensenrechten slechts een grap. Het weinige dat er in de afgelopen tien jaar is bereikt, kan maar al te makkelijk weer afgebroken worden. Natuurlijk is het belangrijk dat er veel meer meisjes naar school gaan. Maar als je kijkt naar de enorme sommen geld die Afghanistan daarvoor heeft gekregen, is die verandering ook weer niet al te groot. We moeten beter nadenken over hoe we het fundamentalisme kunnen aanpakken. Een opener samenleving vergt langetermijninvesteringen, en die zijn er veel te weinig.’

Haar bundel, die in 2011 bij een kleine uitgeverij verscheen, ligt als een stil verwijt op tafel. ‘Twijfel’ luidt de titel boven een kluwen van blauwe gedaantes waaruit blote handen steken. Door de fictieve verhalen klinken steeds dezelfde opstandige vragen over het lot van vrouwen. Waarom is er nog steeds geen recht, geen gelijkheid? Ze schrijft ook over liefde en gevoelens van lust, al verwerkt ze dat thema grotendeels in metaforen.

Het is moeilijk voor te stellen dat het boekje met een oplage van duizend exemplaren ophef veroorzaakte. ‘Ik word door de samenleving gezien als een vrouw die morele en culturele grenzen schendt.’ De boot was pas echt aan toen bleek dat Khalida ook de fundamentalistische interpretatie van de islam ter discussie stelde. ‘Als onze religie vrouwen zo weinig rechten geeft, is die religie dan wel iets voor mij?’ Al snel vertelde het zich rond dat ze de islam wilde vernietigen. Enkele bestuurders van de stad waarschuwden dat ze een lijfwacht zou moeten nemen. ‘Ik neem een risico, maar het is ook een keuze.’

Niet te veel willen

Zoals bij vrijwel elke ontmoeting in Afghani­stan werpen zorgen over de toekomst een schaduw over het gesprek. In 2014 staat het vertrek van de ongeveer honderdtwintigduizend man sterke NAVO-troepen ge­­pland, terwijl een politieke oplossing nog niet in zicht is, de Afghaanse veiligheidsdiensten nog niet op sterkte zijn en er presidentsverkiezingen moeten plaatsvinden. Ook de geheime onderhandelingen met de taliban vergroten Khalida’s onrust. ‘Niet alleen mijn vriendinnen en ik, alle vrouwen wachten af wat 2014 gaat brengen,’ zegt ze. ‘Zijn wij handelswaar voor een politieke deal met de taliban?’

Ze denkt aan Nadia, met wie ze tien jaar geleden haar plannen en ambities deelde. ‘Nadia was als dichteres meer op zichzelf dan wij, maar ze werd in de loop van de jaren steeds somberder,’ vertelt ze. ‘Ze schreef nog wel gedichten, maar ze kwam niet meer naar onze bijeenkomsten in de bibliotheek.’ Khalida weet dat haar echtgenoot het afkeurde omdat mannen en vrouwen de literaire club bezochten. Ze had geprobeerd haar vriendin te stimuleren om actiever te worden. Het was tevergeefs. ‘We kunnen nu eenmaal niet te veel willen,’ had Nadia geantwoord. Khalida be­­toogde dat Nadia als schrijfster een verantwoordelijkheid had en dat ze het niet op een akkoordje moest gooien. ‘Ik heb een zoontje groot te brengen,’ wierp Nadia zwakjes tegen. Het waren de laatste woorden die ze wisselden. Een week later stond Khalida verbijsterd in het ziekenhuis bij het dode lichaam van haar vriendin.

Ze hoort mijn vragen niet meer nu de herinneringen boven komen. Ze staart een tijdje voor zich uit en herneemt zich dan: ‘Nadia is niet het eerste slachtoffer. Er zijn duizenden anderen zoals zij en om hen maakt niemand zich druk. Mijn verhalen gaan ook over deze vrouwen.’

De pijn van vrouwen

Ruim tien jaar geleden vertelden Khalida en haar vriendinnen me trots dat hun Herat de bakermat van dichters en schrijvers was. Zelfs in de moeilijke tijden wilden ze niet vluchten, zoals honderdduizenden Afghanen dat wel deden. Tijdens mijn verkenningstochten door Herat begon ik te begrijpen waarom ze zo gehecht waren aan hun vijfduizend jaar oude stad. In de Middeleeuwen was Herat het centrum van christendom en soefisme (de spirituele, mystieke islam). Het tastbaarste bewijs van de rijke historie vormden de vijf minaretten. Hun hoeder Abulhadji sprak over de torens alsof het weeskinderen waren over wie hij zich had ontfermd. ‘De wereld kan wel denken dat we moordenaars zijn die alleen maar oorlog willen, maar dit zijn wij ook,’ zei hij terwijl hij naar de minaretten wees. De bouwsels waren restanten van een complex met scholen en een moskee uit 1417. Aan die periode dankte de stad het gezegde ‘als je in Herat een voet uitsteekt, is de kans groot dat je op een dichter stapt’.

Inmiddels is Khalida’s verhouding met Herat ambivalenter. Het benauwde klimaat heeft de afgelopen jaren meer vat op haar gekregen dan haar lief is, en haar verzet daartegen vergt een dagelijkse strijd. Ze prijst zich gelukkig met haar echtgenoot, een gemoedelijke kinderarts die haar werk ondersteunt. Voor de literaire bijeenkomsten in de bibliotheek heeft ze vrijwel geen tijd meer, maar ze schrijft thuis in de gestolen late uurtjes in haar werkkamer met tweeduizend boeken. Op tafel haar favorieten: Virginia Woolf, Hegel en Nietzsche. ‘In die stilte beschrijf ik de pijn van vrouwen in mijn land. Succes hebben betekent hier dat je in de gevarenzone komt.’ Ze tuurt even naar haar modieuze rode slippers, dan zegt ze: ‘Maar ik ben trots op mijn succes.’

Bedreigingen

‘Natuurlijk loop ik ook gevaar,’ zegt dichteres Somaya licht spottend terwijl ze langs twee metalen deuren en een bewaker met geweer naar haar kantoor loopt. ‘Maar als we geen risico’s nemen, verandert er nooit iets.’

De vijfentwintigjarige Somaya begon haar schrijfcarrière zo’n vijf jaar geleden met een vrouwenrubriek bij een krant. In 2008 gaf ze in eigen beheer haar eerste dichtbundel uit: ‘Een klein geschenk’.

Uit haar werk spreekt eenzaamheid en het verlangen om gekend te worden: Ik wil opnieuw ontspruiten / Als een palmboom in het voorjaar. Haar wereld in Herat is klein, maar haar inspiratie komt overal vandaan: de Roemeens-Duitse Herta Müller, de Iraanse Forugh Farrokhzad en de Colombiaan Gabriel García Márquez.

Met haar zorgvuldig opgemaakte gezicht en elegante tuniek van roestbruin velours oogt Somaya zelfverzekerd. Als ze met snelle zinnen over haar leven vertelt, wordt ze steeds verontwaardigder. ‘We hebben geen eigen bestaan. We leven voor anderen, voor vaders, voor echtgenoten, voor broers. We verloven ons met mannen die we niet kennen en van wie we niet houden. We verlaten onze studie, we verlaten ons werk en blijven thuis. Telkens weer.’ Enkele jaren geleden trouwde ze onder druk van haar familie, maar het was een ongelukkige relatie en ze besloot haar man te verlaten. Er volgden twee jaar van bedreigingen. Die zijn nu achter de rug, maar nog steeds is ze niet officieel gescheiden. ‘Soms ben ik boos. Op een maatschappij die negatief oordeelt over vrouwen zoals ik. Maar als ik schrijf, voel ik me beter. Het biedt troost.’ Binnenkort verschijnt een tweede poëziebundel: ‘Brieven aan mijzelf’. ‘Het is een eerbetoon aan alle vrouwen van Herat. Ik wil namens hen het echte leven en echte gevoelens laten zien.’

Ze runt ondertussen ook een organisatie die met westerse steun culturele evenementen organiseert. De afgelopen dagen regelde ze een concert om de Week van de Vrede af te sluiten. Nu is ze druk met het opzetten van een lokaal radiostation voor vrouwen: Radio Sherzad. Haar witte iPhone rinkelt voortdurend en op het bureau laat ook een Nokia van zich horen. Ze inspecteert de kleine studio verderop op de compound. Nog even en de zender zal proefdraaien met een muziekprogramma. ‘Werken, werken, werken, als wij het niet doen, wie dan wel?’

Naar Canada

Somaya is nog altijd een vaste bezoekster van de literaire bijeenkomst waar enkele van de vriendinnen elkaar ruim tien jaar geleden troffen. ‘Dit is de belangrijkste plek in mijn leven,’ zegt ze terwijl ze naar het gebouw loopt. In haar agenda zit een nieuw gedicht dat ze wil presenteren. Binnen wachten veertien leden van de literaire kring Anjumana Edebi aan formicatafels. Lakens voor de ramen sluiten het daglicht buiten. Zelfverzekerd schuift Somaya aan naast twee meisjes die fluisterend over een kladblok gebogen zitten. De sfeer is ongemakkelijk. Enkele jongens werpen steelse blikken. De meisjes turen nadrukkelijk naar het tafelblad. Ze beseffen maar al te goed dat conservatieven er schande van spreken dat mannen en vrouwen met elkaar discussiëren.

Sommigen hebben zoals Somaya al werk op hun naam, anderen zijn beginners. Een van de nieuwkomers, een man in een driedelig krijtkleurig pak met een vlassig snorretje, transpireert hevig als hij zijn regels voorleest. Er wordt besmuikt gelachen om zijn voordracht.

Zodra Somaya aan de beurt is, gaat ze op in haar tekst. Haar bovenlichaam beweegt mee op het ritme van de zinnen: Er zijn zo veel vrouwen zoals ik, / Een geschenk in de ochtend, Maar in de avond zonder bestemming.

Het maakt de tongen flink los. Van de vrouwen krijgt ze bijval. Twee mannen betogen dat ze niet over haar gevoelens moet schrijven. Op geërgerde toon spreekt Somaya hen tegen. Pas als een derde man suggesties doet om de klanken en het ritme te verfijnen, belandt de discussie weer in rustiger vaarwater. Tevreden noteert Somaya zijn advies in de kantlijn.

Anderhalf uur later rijdt ze langs een zee van reclameborden en afbeeldingen met de bebaarde gezichten van de vermoorde moedjahedien-leiders Massoud en Rabbani naar huis. Aan de gevels van de kleine supermarkten gloeien gekleurde lampen sprookjesachtig op. Maar voor Somaya is het vooral oorlog in de straten. De mannelijke bestuurders belemmeren haar opzettelijk het doorrijden, denkt ze. ‘l just beeb and go.’

Khalida belt om te overleggen wat ze zullen doen op hun vrije dag. Op vrijdag rukt heel Herat uit naar de parken en naar de oevers van de rivier Harirud. Maar de vriendinnen halen hun neus op voor die locaties. ‘Te midden van zo veel anderen zijn we nog niet vrij,’ zegt Somaya. Met plastic zakken met gebraden kip en trossen druiven en een waterpijp in de kofferbak laveert ze de volgende ochtend al bijtijds de stad uit naar het tuinhuis van een kennis.

Een half uur later rijden we door zanderige velden met geiten en schapen. Bij een ommuurde tuin met moerbei- en perzikbomen wachten de vriendinnen. Ze hangen hun chadors aan de takken. Dan laden ze hun auto’s uit en vullen de bontgekleurde tapijten en doeken met schalen kip, friet, gehaktballen en salades. Khali­da’s familie heeft zelfs een harmonium meegebracht. ‘Dit voelt als vrijheid,’ zegt Somaya terwijl ze het tafereel tevreden overziet. Ze neemt een hijs van de waterpijp en maakt een paar danspassen tussen de bomen. Terwijl de anderen meezingen met de ouderwetse klanken van het instrument, laat Khalida met een slang water in het lege zwembad klateren. Als haar twee dochters in het water spartelen, zegt ze: ‘Misschien was het een vergissing om niet weg te gaan. Ik pieker over de toekomst van mijn dochters. Al die onzekerheid blokkeert me en zet een rem op mijn schrijven. Ik krijg de laatste tijd geen verhaallijn meer te pakken; alleen maar flarden van gedachten.’ Dan zegt ze meer tegen zichzelf dan tegen mij: ‘Misschien moeten we maar naar Canada.’

Betrapt tijdens het bellen

De vrouwen in Herat zijn niet de enigen die hun stem verheffen met verhalen en gedichten. Wie zoekt, vindt overal daden van verbaal verzet.

Elke zaterdagmiddag komen de leden van Mirman Bahir, een vereniging van vrouwen die in het Pasjtoe schrijven, bijeen op het ministerie van Onderwijs in Kabul. Sahira Sharif, een oudere vrouw met een bril op haar grote gebogen neus en gekleed in een elegant mantelpak met zwarte bloemen, is de spil van het gezelschap. Ze is een van de initiatiefneemsters van de organisatie, die een paar jaar geleden met westerse steun werd opgezet. Met een resoluut handgebaar dat haar gouden armbanden doet rinkelen, zegt ze: ‘Een gedicht is als een zwaard.’ Ze citeert een tekst die een van de jonge leden schreef als een boodschap aan de taliban: Jullie steken onze scholen in brand / Jullie verbieden me arts te worden / Maar op een dag / Zullen jullie ziek zijn.

Sharif, tevens parlementslid uit de oostelijke provincie Khost, legt uit: ‘We kunnen onze problemen niet alleen via de politiek oplossen. Bovendien moeten veel vrouwen niets meer hebben van politiek. Die associëren ze met corrupte leiders, macht en wapens. Daarom gebruiken we ook een ander middel om de stem van vrouwen te laten horen.’

In de Afghaanse hoofdstad hebben vrouwen meer vrijheid dan in de meeste andere delen van het land. Op papier heeft Mirman Bahir ongeveer honderd leden in Kabul. Tientallen anderen maken op afstand deel uit van het netwerk. Zij bellen hun gedichten vanuit de dorpen en gehuchten door naar de leden in de hoofdstad. Deze middag komt er geen gedicht, maar een verlangen vanaf het platteland. ‘Het is mijn grootste wens een bijeenkomst bij te wonen en jullie te zien,’ zegt een meisjesstem uit Paktia, bij de grens met Pakistan. ‘Dat vind ik belangrijker dan trouwen.’ Ze klinkt nerveus. Door op eigen houtje contact op te nemen, riskeert ze de woede van haar familie.

Op het platteland gebruiken veel leden de landai als dichtvorm. Het zijn korte haiku-achtige verzen, soms nauwelijks meer dan een gezegde of een spreekwoord. Landai betekent giftige, korte slang. Ze worden mondeling verspreid. Sharif: ‘Tachtig procent van de vrouwen woont buiten de steden en grotere plaatsen. Velen kunnen niet lezen of schrijven, maar met de landai zijn ze vertrouwd. En omdat de maker anoniem blijft, is het een geschikte uitlaatklep voor emoties die anders taboe en zelfs gevaarlijk zijn.’ Zo worden de dichtregels door vrouwen onderling gebruikt om de gedwongen huwelijken met veel oudere mannen te bespotten.

Twee jaar geleden verloor Mirman Bahir een van haar actiefste leden. Vrijwel elke zaterdag belde Zarmina haar dichtregels vanuit een dorp in de provincie Helmand door. In haar woorden lag verdriet over een geliefde met wie ze van haar familie niet mocht trouwen. Ze was bang, maar haar verlangen om vanuit haar isolement van zich te laten horen was groter dan haar angst. Een van haar laatste telefoontjes vormde een voorbode van haar lot: Ik schreeuw maar jij antwoordt niet. Als je me ooit gaat zoeken, zal ik niet meer op deze wereld zijn. Kort daarna werd ze betrapt tijdens het bellen. Haar familie ging ervan uit dat ze haar geliefde aan de lijn had. De eer was geschonden en woedende broers sloegen haar in elkaar. Uit wanhoop stak ze zichzelf in brand. Ze overleed in het ziekenhuis in Kandahar. ‘Zarmina is onze martelaar,’ zegt een van de leden terwijl de bijeenkomst in Kabul ten einde loopt.

In de problemen

Het Mirwais-ziekenhuis in Kandahar is het enige grote hospitaal in het zuidelijke frontliniegebied. Regelmatig is het een angstwekkende chaos van doden en gewonden, maar deze ochtend is het vrij rustig. Twee agenten sjouwen een collega met een schotwond in zijn bovenbeen uit een taxi. Een bord in de gang laat zien dat de afgelopen twee weken zestien van de twintig patiënten een spoedoperatie ondergingen vanwege verwondingen door mijnen en beschietingen.

Op de vrouwenafdeling reageren vijf verpleegsters verbaasd op de vraag naar Zarmina. Ze tasten welwillend hun geheugen af, maar het door brandwonden verminkte meisje heeft geen herinnering nagelaten. ‘Het gebeurt te vaak,’ zegt de jonge hoofdverpleegkundige Abida. ‘Soms komen er meerdere gevallen per maand.’ Uit het weinige onderzoek dat tot nog toe mogelijk was, blijkt dat de meisjes en jonge vrouwen hun toevlucht nemen tot zelfverbranding omdat ze er van anderen over hoorden. Abida knikt naar een collega. ‘Haar zusje stak zichzelf onlangs in brand.’ Het meisje overleed in het ziekenhuis na een week van helse pijnen.

Als de verpleegsters op de grond van hun kantoortje aan de thee zitten, willen ze meer weten over Zarmina. Als ze horen dat het meisje landai doorbelde, trekt een van hen mijn notitieboekje naar zich toe. Ze schrijft een dweperig tekstje over een verleidelijke blik die achter wimpers schuilt. Het kan haar niettemin in de problemen brengen, zegt ze. Haar collega neemt de pen over en noteert: Als je niet het leven laat in de slag bij Maiwand / Zweer ik bij God dat je als teken van schaamte zult overblijven. Het zijn de woorden van Malalai, de Afghaanse Jeanne d’Arc die in 1880 jongemannen opriep om de Britten uit de streek rond Kandahar te verjagen. ‘Dit is een tekst die elke Afghaan kent,’ zegt ze. Schrijft ze die woorden uit protest tegen de buitenlandse troepenmacht? Ze schudt haar hoofd, maar haar ogen spreken een andere taal.

Deze reportage kwam tot stand met een bijdrage van het Postcode Loterij Fonds – Free Press Unlimited