Na de dood van Pim Fortuyn verruilden inwoners van Almere Haven hun steun aan de PvdA massaal voor een stem op de LPF. ‘Eigen volk eerst-denken bespeur ik niet om me heen. Er wordt wél gezegd: eigen Almeerders eerst.’ Een reportage in de oudste wijk van de polderstad.
Vroeger was het er gezellig. De padvinderij, de sinterklaasoptocht, de sportclubs – samen zetten ze de schouders eronder. Maar tegenwoordig vinden de bewoners van de Schoolwerf, de eerste straat in Almere, het kil in de buurt. De woningen verloederen, hangjongeren maken het winkelcentrum onveilig. De gemeente trekt buitenlanders voor, de politiek heeft de pioniers van 1976 in de steek gelaten. ‘De gewone mensen zijn in de meerderheid, maar ze krijgen niets voor elkaar.’
Ik zou alle politici willen verzuipen,’ zegt Wim van Wensveen. Met zijn grote lijf zit hij kettingrokend op de bank naar het televisieverslag van de bouwfraude te kijken. ‘Het zijn allemaal bedriegers in Den Haag,’ meent hij. En voegt eraan toe dat hij daar niet altijd zo over heeft gedacht. Van Wensveen, zeventig jaar nu, komt oorspronkelijk uit de Spaarndammerbuurt in Amsterdam, waar hij zijn vrouw Els heeft leren kennen. Een ruige omgeving was het, waar ‘de ene straat vocht tegen de andere’. Er woonden communisten, anarchisten, zijzelf kwamen uit een sociaal-democratisch nest. De vader van Els was jeugdleider bij de AJC.
De Van Wensveens trokken in hun jonge jaren met de rode vlag voorop de stad door. Om van het volksdansen en gezamenlijk kamperen nog maar te zwijgen.
Sinds 1986 wonen ze aan de Schoolwerf, de allereerste straat van Almere. Wim van Wensveen werkte jarenlang als buschauffeur in Amsterdam. Hij is nog steeds lid van de vakbond en stemde altijd op de PvdA. Bij de verkiezingen van 15 mei gaf hij zijn zoon Cor opdracht namens hem op Pim Fortuyn te stemmen. Els en Wim van Wensveen gaan namelijk twee keer per jaar vijf weken naar Frankrijk om te kamperen en toen waren ze net niet in Nederland.
Ze voelen zich in de steek gelaten door de PvdA.
Hij: ‘De PvdA was er voor de gewone man, maar nu niet meer.’
Zij: ‘Voor ons soort mensen wordt het steeds minder. Dat stoort me.’
Hij: ‘Ik was vanmorgen bij de trombosedienst, daar hebben ze het er allemaal over. Een vrouwtje moest van het zangkoor af, ze kon het niet meer betalen.’ Zij: ‘De gewone mensen zijn in de meerderheid, maar ze krijgen niets voor elkaar.’
Hij: ‘Pim zei waar het op staat, dat de PvdA één groot slap zootje is.’
Een paar huizen verderop woont zoon Cor met zijn vrouw Mary, drie kinderen en Aleida, hun chihuahua. Van meters afstand is hun kleurrijke balkon al te zien. Bloementrossen, wijnranken, parasols, ze hebben er zoveel aandacht aan besteed dat SBS6 er zelfs filmopnamen van kwam maken. De kleine huiskamer staat vol met beertjes, poppen en andere snuisterijen. Nog even afgezien van de houten klomp, de koekoeksklok en de vogelkooi aan de muur. Dochter Mellony van zes kijkt naar de televisie, zoon Delano van anderhalf blèrt vanuit de box om aandacht.
Ze hebben allebei op de LPF gestemd en zijn nog absoluut niet over de dood van Fortuyn heen.
Cor beschouwt de verhuizing van de familie uit Amsterdam-West naar het nieuwe polderland als een vooruitgang: ‘De Spaarndammerbuurt heette ook wel de moord- en brandbuurt. Het verbaasde niemand als er een fikkie werd gestookt of iemand werd omgelegd. Almere is rustiger, de irritaties zijn hier van een andere orde.’ Maar de irritaties worden wel steeds groter. Het huis van Cor en Mary is erg klein, zeker sinds ze drie kinderen hebben. Aan een nieuwe woning komen is in Almere niet eenvoudig. Vrijkomende huurhuizen worden te koop aangeboden of toegewezen aan mensen die het predikaat ‘urgent’ hebben verworven. Niet zelden zijn dat immigrantenfamilies. ‘Terwijl wij op de wachtlijst worden gezet.’
Ze hebben allebei op de LPF gestemd en zijn nog absoluut niet over de dood van Fortuyn heen: ‘Er is te veel gebeurd waar de politiek geen acht op heeft geslagen: de scholen die veel te groot zijn geworden, de wachtlijsten in het ziekenhuis, de toestroom van allochtonen. Hij stond daartegen op. Iedereen hier in de buurt had het over Pimmie. We geloofden in hem. De dag na de moord zeiden de mensen tegen elkaar: nu is het afgelopen met Nederland.’
Op het eerste gezicht heeft Almere-Haven (de oudste wijk van de polderstad) alles wat bewoners zich kunnen wensen: huizen met tuintjes, een winkelcentrum op loopafstand, de kade met talloze terrassen en restaurants, de seksshop Almera (‘voor al uw erotica-artikelen’) en de twee dierenwinkels voor de vele honden en katten in de buurt. Toch moet de onvrede die er sluimert groot zijn.
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart en de Tweede-Kamerverkiezingen van 15 mei werd in gebouw Corrosia (waar stembureau 10 was gevestigd) massaal tegen de gevestigde partijen gestemd. Op 6 maart was de plaatselijke partij Leefbaar Almere de grote winnaar. Op 15 mei de inmiddels vermoorde Pim Fortuyn. Op hem werden anderhalf keer zoveel stemmen uitgebracht als op de PvdA.
Op een terras met uitzicht op de haven van Almere legt Nico van Duijn uit waarom. Van Duijn werkt sinds jaar en dag als huisarts in de buurt, richtte de plaatselijke afdeling van de PvdA op, maar is nu fractievoorzitter van Leefbaar Almere in de gemeenteraad. De dokter woonde aanvankelijk zelf ook op de Schoolwerf, waar rond 1976 de polderpioniers neerstreken. Nu heeft hij er nog steeds veel patiënten. In zijn spreekkamer in gezondheidscentrum De Haak aan de Schoolstraat maken ze hem ook deelgenoot van hun zorgen en grieven.
‘Eigen volk eerst-denken bespeur ik niet om me heen,’ meldt hij. ‘Er wordt wél gezegd: eigen Almeerders eerst. Dat richt zich niet per se tegen de allochtonen, maar tegen iedereen die zich hier nieuw vestigt zonder economische binding met Almere. Het is weinig bekend, maar dertig procent van de inwoners bestaat inmiddels uit allochtonen. Grote gezinnen waarvoor in Flevoland nog plaats is en in steden als Amsterdam minder. Daarom komen ze hier.’
De autochtone bewoners van de Schoolwerf omschrijft hij als ‘bescheiden, doorsneemensen’. ‘Ze hebben banen als buschauffeur, bejaardenverzorgster of bouwvakker. Het grootste deel komt oorspronkelijk uit Amsterdam en dat valt nog te merken. Er wordt rauw Jordanees gesproken, met de grote bek die daarbij hoort. Ze maken zich zorgen over het gebrek aan veiligheid. Vroeger had je hier één alcoholistencafé. Als je daar niet kwam, werd je niet lastig gevallen. Dat is nu anders.’
Van Duijn benadrukt het verschil tussen zijn eigen partij en de nazaten van Pim Fortuyn. Leefbaar Almere is links georiënteerd en sloot na de verkiezingsoverwinning een coalitie met PvdA, GroenLinks en CDA. Hoe het dan valt te verklaren dat veel aanhangers van Leefbaar Almere op 15 mei op de LPF stemden? Van Duijn: ‘Het ging niet om een keus tussen links of rechts, maar om een proteststem tegen de gevestigde orde.’ Maar, voegt hij daar meteen aan toe: ‘In mijn spreekkamer merk ik de sympathie voor Fortuyn.’
Wie bij de bewoners van de Schoolwerf langsgaat, krijgt veel ontevreden verhalen te horen. Bijna iedereen idealiseert de beginperiode, toen Almere-Haven letterlijk vanuit het niets moest worden opgebouwd. De bewoners stonden dicht bij elkaar, ze hadden elkaar nodig. Politieke partij-afdelingen, sportclubs, de padvinderij, de vereniging die de sinterklaasintocht organiseerde – alles wat elders in Nederland allang bestond, moest in de polder helemaal opnieuw worden uitgevonden. Dat lukte alleen als je het samen deed.
De buurt kende – zoals wetenschappers als Kees Schuyt het later zouden noemen – een grote mate van sociale cohesie. Voor mensen die in Amsterdam driehoog achter hadden gewoond, betekende het een grote stap vooruit om een eigen huis met een tuintje te krijgen. Tot de euforie droegen ook de zaterdagse bezoekjes van de sociaal-democratische landdrost Han Lammers bij. Die leidde gasten rond om te laten zien welk een idyllisch arbeidersparadijsje rond de werven aan het ontstaan was.
Maar nu is het een kwarteeuw later en is er van het elan uit de pioniersdagen weinig meer over. Je hebt niet meer zoveel contact met elkaar als vroeger. Je past niet meer op elkaars kinderen. Het is tegenwoordig zoveel killer en minder gezellig dan toen. Iedereen die we spreken beklemtoont dat – zij het in verschillende bewoordingen. Zoals vrachtwagenchauffeur Harry van der Most het formuleert: ‘Vroeger was het knusser. De mensen waren nog close met elkaar.’
Tot het gevoel er alleen voor te staan, heeft bijgedragen dat Almere-Haven geen kleinschalig experiment meer is, maar inmiddels samen met Almere-Stad en Almere-Buiten deel uitmaakt van een van de grootste gemeenten van Nederland (met nu al meer dan 160.000 inwoners). Voorzieningen die eerst speciaal voor de buurt getroffen waren, zijn ontmanteld of verplaatst naar het grotere Almere-Stad. Dat zit de bewoners van het eerste uur niet lekker.
Yvonne Duyts, werkzaam in de thuiszorg: ‘De politie is nog alleen tussen twaalf en vijf te bereiken. De EHBO-post die er was, hebben ze ook weggehaald. Ik heb het aan mijn rikketik. Als mijn hart oversloeg, kon ik vroeger hier meteen aan de monitor worden gelegd. Nu moet ik daarvoor naar de stad.’
Cor van Wensveen: ‘Mijn vrouw heeft een postnatale depressie gehad. Toen we ’s avonds laat medicijnen wilden halen, kon dat niet in Almere-Haven maar alleen nog in Almere-Stad. Ik heb een auto, dus voor mij is dat geen probleem. Maar voor oudere mensen is het dat wél.’
Ook de tijd dat je de huisdeur niet op slot hoefde te doen als je even bij de buren wilde binnenwippen, is voorgoed voorbij. Bijna iedereen vertelt over het bushokje vlak achter het woonerf waarvan de ruiten voortdurend worden ingegooid. Over de verloedering van woningen die door nieuwkomers van buiten Almere – vaak buitenlanders dus – zijn betrokken. Daar hangen geen gordijnen voor de ramen. Zo’n huis heeft geen uitstraling meer. En dan zijn er nog de hangjongeren die het winkelcentrum onveilig maken. Harry van der Most: ‘Er loopt daar allerlei gespuis rond. Vooral ’s avonds is het daar voor vrouwen niet prettig.’
Dat soort verhalen krijgen we vaker te horen.
‘Een net straatje vinden we in Nederland heel belangrijk,’ zegt Elly Rijnbeek, nu gepensioneerd, maar vroeger werkzaam in de gezinszorg. De inrichting van haar kamer getuigt van dezelfde properheid. Alles is even keurig. Vanmiddag is buurvrouw Anneke Bekkering bij haar op bezoek. Ze heeft nooit gewerkt, al deed ze een tijd lang dienst als voorleesmoeder op de plaatselijke basisschool.
Elly Rijnbeek: ‘Ik durf ook overdag niet meer met de fiets naar Almere-Stad. Er is daar laatst weer een invalide overvallen.’
Anneke Bekkering: ‘Vorige week stond er nog iemand met een alarmpistool te zwaaien bij ijssalon Mariola.’
Elly Rijnbeek: ‘En afgelopen vrijdag werd op de markt een van de marktmeesters neergestoken.’
De dames gaan ’s avonds niet meer alleen de straat op. Allebei wijzen ze de beschuldigende vinger in de richting van de buitenlanders die Almere-Haven tegenwoordig ook bevolken.
Elly Rijnbeek bleef op 15 mei uit gewoonte het CDA trouw. Maar diep in haar hart had ze liever op de LPF gestemd. In het Amsterdamse Oosterpark, waar ze oorspronkelijk vandaan komt, maakte ze mee hoe migranten langzamerhand de meerderheid van de buurt gingen uitmaken. Ze moet er niet aan denken dat zich dat in Almere-Haven herhaalt.
Mevrouw Rijnbeek: ‘Ik ben hier naar toe gevlucht voor de buitenlanders. Voor de Marokkanen die stonden te dealen in mijn portiek. Ik ben Amsterdamse in hart en nieren maar dat ging me te ver.’ Ook in Almere worden de allochtonen voorgetrokken, vindt ze: ‘Ze hebben lang fietsles en zwemles op kosten van de gemeente gekregen. De autochtonen moesten daar zelf voor betalen. Ik vind het idioot dat nu hier ook al moskeeën worden gebouwd. Ik ben zelf rooms- katholiek, maar voor mij bouwen ze toch ook geen kerk in Verweggistan?’ Haar slotsom over de allochtonen: ‘Het zijn mensen net zoals wij, maar je voelt je op het laatst hier geen Nederlander meer.’
Buurvrouw Anneke Bekkering (vroeger PvdA-stemmer, maar bleef op 15 mei thuis) valt Elly Rijnbeek bij: ‘Ik ben niet vol haat tegen buitenlanders, maar we hebben ze te veel met open armen ontvangen.’
Het thema ‘ik ben Amsterdam niet voor niets ontvlucht’ komt in meer gesprekken voor. ‘Ik ben in 1985 aan het getto van Bos en Lommer ontsnapt,’ zegt LPF- stemmer Yvonne Duyts. ‘In de klas van mijn kinderen waren nog maar vier van de vijfenveertig leerlingen Nederlands.’ Nog even en ook de Schoolwerf is een getto, vreest ze: ‘Zodra er een woning vrijkomt, douwen ze er buitenlanders in. Deze buurt holt achteruit.’
In de woning van Harry en Ilona van der Most herinneren tientallen bekers en oorkonden aan de tijd dat de heer des huizes in zijn vrije uren politiehonden africhtte (een was er zo goed dat die nu in dienst is genomen door de politie van Chicago). De vrachtwagenchauffeur vertelt dat hij het liefst bij de PvdA was gebleven (‘Ik ben van huis uit socialist’). Maar bij de Tweede-Kamerverkiezingen kwam hij niet bij het stembureau opdagen.
Bij zijn oude partij mist hij tegenwoordig het ‘sociaal gevoel’. De ‘werkende mensen’ worden te vaak vergeten. De aandacht gaat vooral uit naar de nieuwkomers van buiten. ‘We zijn maar een klein klotelandje, maar we worden overspoeld door buitenlanders,’ merkt Van der Most op. ‘Dat kost de gemeenschap veel geld. Het land gaat naar de donder en wat doet de PvdA? Die heeft oogkleppen op.’
Vroeger, toen hij nog bij de stadsreiniging werkte, heeft de chauffeur de komst van de eerste gastarbeiders meegemaakt. Prima mensen waren dat (‘Die namen deel aan het arbeidsproces’). Nu is dat niet altijd meer zo. Van der Most: ‘Als ik in mijn autootje bij een stoplicht sta, zie ik nog alleen dure BMW’s en Mercedessen om me heen met types erin waarvan je denkt: die werken niet gewoon bij de slager of de timmerman. Er wordt steeds gezegd dat de buitenlanders gediscrimineerd worden. Maar door de tolerantie die we hebben opgebracht, worden wij, de autochtonen, nu gediscrimineerd.’
‘De PvdA is in de ogen van de kiezers: te bestuurlijk en te geïsoleerd, te weinig betrokken, houdt geen rekening met de emoties van mensen.’ De partij is ’te uitleggerig en overtuigd van het eigen gelijk’. Dat schrijft de commissie-Andersson in het PvdA-rapport ‘Onder een gesloten dak groeit geen gras’. Geen slechte typering. Op de Schoolwerf vonden ze dat al langer.
De herinnering aan de ongedwongen manier waarop een overheidsdienaar als Han Lammers in het begin met de bewoners van de buurt omging, is langzaam vervaagd. Toen de gemeente groeide en een volwassen ambtelijk apparaat opbouwde, werd het steeds moeilijker tot de politici door te dringen. Het gemeentehuis (inmiddels gevestigd in Almere-Stad) was vooral met zichzelf in gesprek. De burgers raakten – zoals sociologen dat met een duur woord noemen – gaandeweg van het bestuur vervreemd. Het leidde tot gemopper op de gevestigde politiek maar vooral op de PvdA, de partij die in Almere lang de grootste was en waarmee de ‘werkende mensen’ op de Schoolwerf een sterkere emotionele band hadden dan met de VVD of D66.
Inmiddels kan de gemeente Almere in de ogen van de bewoners weinig goed meer doen. Iedereen klaagt wel over iets dat de overheid voor hen had moeten regelen. Over de traagheid waarmee op klachten wordt gereageerd. Over de minachting die tentoon wordt gespreid tegenover de gewone man.
De een kan zich eindeloos opwinden over de struiken die niet op tijd worden gesnoeid. De ander over het fietspad dat dwars door het woonerf loopt en door brommerrijders als racebaan wordt misbruikt. Een derde maakt zich kwaad over de glascontainers die zonder overleg met de bewoners bij de ingang van de straat zijn geplaatst (groen glas, bruin glas en wit glas moeten in een aparte koker worden gestort) en over de strenge straffen die er staan op het openlaten van de vuilnisbakken (eerst wordt dan een gele kaart uitgedeeld, daarna een rode).
Niemand op de Schoolwerf kan het ongenoegen over het bureaucratisch optreden van de overheid zo gedreven onder woorden brengen als Cor van Wensveen, de kelner in het enige echte Italiaanse restaurant van Almere-Haven. Een tijdje geleden zag hij opeens mieren over zijn balkon kruipen. Van Wensveen was ervan overtuigd dat dat kwam omdat de gemeente had nagelaten het onkruid tussen de tegels voor zijn huis te wieden. Dáár kwamen die insecten vandaan.
Ondanks de door de Marokkaanse Culturele Vereniging Almere (MCVA) rondgedeelde thee en zoete koekjes liepen de emoties hoog op.
De kelner: ‘Ik ben een felle, ik ken alle nummers van het stadshuis uit mijn hoofd. Ik heb de wethouder gebeld en verteld over de mierenplaag. Ze zei: ik kan hier niets aan doen, het geld is op. Toen heb ik geantwoord: dat is dan simpel, dan betaal ik geen milieubelasting meer. Dat kunt u niet doen, u bent verplicht te betalen, zei de wethouder. Waarop ik gedreigd heb dat ik ervoor zou zorgen dat de rest van de buurt ook niet meer zou betalen.’ Triomfantelijk: ‘Nou, binnen anderhalve week kwam de gemeente met veertig man sterk het onkruid weghalen.’
Maar zulke overwinningen op de gehate overheidsbureaucratie behaalt de buurt niet altijd.
Het vertrouwen in het gemeentebestuur werd zwaar op de proef gesteld toen vier jaar geleden zonder enig overleg werd besloten om op het enige grasveldje dat de Schoolwerf nog rijk was een Marokkaans ontmoetingscentrum te bouwen. De bewoners waren not amused. Een door de gemeente in alle haast belegde inloopavond in de Goede Rede-kerk kon daar niet veel meer aan veranderen.
Ondanks de door de Marokkaanse Culturele Vereniging Almere (MCVA) rondgedeelde thee en zoete koekjes liepen de emoties hoog op. Toenmalig PvdA- wethouder van welzijn Lies Spruit, die het doelwit van de agressie van de bewoners was, kan het zich nog als de dag van gisteren herinneren. ‘Ik hoopte op hoor en wederhoor in de Goede Rede-kerk,’ zegt ze. ‘Maar iedereen was tegen.’ Spruit stoorde zich er vooral aan dat MCVA-voorzitter M. Kissami het spreken onmogelijk werd gemaakt. Een Marokkaans ontmoetingscentrum zou voor overlast zorgen, riepen de bewoners in koor. Misschien trok het ook wel criminaliteit aan.
De buurtbewoners vertellen ons stuk voor stuk dat ze niets tegen Marokkanen hebben, maar vooral kwaad waren dat de bouw van het centrum al een voldongen feit bleek te zijn. Dus werd een handtekeningenactie op touw gezet. Vrijwel de hele Schoolwerf tekende. En werden er uitspraken gedaan als: ‘We zullen dit verhinderen, al moet de laatste steen uit de grond.’
De gemeenteraad probeerde tevergeefs de wethouder tot de orde te roepen. Ze had eerder overleg met de buurt moeten voeren, werd gezegd (‘Er is duidelijk sprake geweest van een gebrekkige communicatie richting de omwonenden’). De bouwplannen bestonden namelijk al twee jaar voordat de buurt geraadpleegd werd. En nu konden de toezeggingen aan de Marokkaanse culturele vereniging volgens B & W niet meer ongedaan worden gemaakt.
De bewoners besloten het vervolgens hogerop te zoeken. Een jaar lang werden ze van het kastje naar de muur gestuurd. Van de Nationale Ombudsman (‘In reactie op uw brief moet ik u meedelen dat ik de kwestie die u voorlegt niet mag beoordelen’) tot de bestuursrechter (‘Het bouwplan voldoet aan alle voorschriften’) – iedereen liet hen in de kou staan. Ondertussen voelden ze zich door de overheid steeds meer in de verdachtenbank geplaatst. Zo schreef
GroenLinks-gemeenteraadslid Ruud Pet in zijn column in het plaatselijke Dagblad van Almere dat op de Schoolwerf ‘discriminatie en racisme op de loer lagen’.
Vlak voor Kerstmis 1998 organiseerde de Almeerse Werkgroep Mensenrechten en Anti-Discriminatie een stille tocht om het gedrag van de bewoners aan te klagen. Met kaarsen en fakkels werd vanaf het stadhuis naar het Bezinningsmonument in het Mandelapark gewandeld. Voorzitter Kissami van de MCVA gooide olie op het vuur door de buurt van ‘pure discriminatie’ te betichten (‘Wij zijn er zeker van dat als het geen Marokkaans ontmoetingscentrum was geweest, de oppositie veel en veel kleiner was geweest’). Toen voelden de bewoners van de Schoolwerf zich pas echt onbegrepen. De politiek had hen belazerd.
Luc en Sjoerdtje Vos wonen pal tegenover het ontmoetingscentrum dat in het voorjaar van 2000 zijn deuren (één aan de voorkant voor de mannen, één aan de zijkant voor de vrouwen) opende. Hij werkt bij een leverancier van kopieerapparaten, faxen en printers. Zij doet de debiteurenadministratie bij een cosmeticabedrijf. Bij de verkiezingen stemden ze op het CDA omdat ze Balkenende ‘minder stoffig’ vonden dan bijvoorbeeld Melkert. Luc en Sjoerdtje zijn actief in de Bewoners Belangen Vereniging de ‘Werven’ die de handtekeningenactie tegen de bebouwing van het grasveldje destijds initieerde. Ook zij benadrukken dat ze niets tegen Marokkanen hebben. Maar wel veel tegen de ‘alles is al in kannen en kruiken’-houding van de gemeente.
Luc Vos: ‘Vroeger hebben hier borden langs de kant van de weg gestaan met: Kom naar Almere, dat is een groene stad. Nu wordt alles volgebouwd. Hier tegenover was een van de laatste plekken waar de kinderen konden spelen. We vinden het een schande dat die verdwenen is.’
Sjoerdtje Vos: ‘We hadden net onze huurwoning gekocht toen werd besloten daar een Marokkaans ontmoetingscentrum neer te zetten. Je denkt dan wel: misschien daalt ons huis nu in waarde. We nemen het de gemeente vooral kwalijk dat er zo geheimzinnig over is gedaan.’
Luc: ‘We zijn voor een voldongen feit geplaatst.’
Sjoerdtje: ‘Toen heb ik mijn vertrouwen in de overheid verloren.’ Luc: ‘We zijn om de tuin geleid.’
Sjoerdtje: ‘Ze doen alsof ze alles beter weten dan mensen als wij.’
Pim had charisma. Maar nu hebben de meelopertjes het voor het zeggen. Ik denk nu: bekijk het maar.’
Op een donderdagavond leiden voorzitter Kissami van de MCVA en zijn medebestuurslid Ahaggane ons rond door hun gebouw. Er is een grote gebedsruimte voor de mannen, een kleine voor de vrouwen. Een bescheiden winkeltje verkoopt Marokkaans brood en watermeloenen. De bovenverdieping wordt in beslag genomen door een grote kale zaal waar mannen rond een tafel thee zitten te drinken. Van de beloofde open dag voor de buurt is het nog niet gekomen, geven Kissami en Ahaggane toe. Op een prikbord bij de voordeur hangt een aankondiging van een lezing over de islam voor moslimvrouwen, een oproep financiële hulp te geven aan de Islamic Relief en het dienstrooster van de veerboot van Almeria (Zuid-Spanje) naar Nador (Noord-Marokko). Daarnaast prijkt trots de naam van de instelling: moskee Ataouba. Geen woord over een ontmoetingscentrum.
Is dat niet een beetje raar?
‘Als de Marokkanen er nu een moskee van hebben gemaakt, kan me dat niet schelen,’ reageert oud-wethouder Spruit. ‘Dat is hún zaak.’
De bewoners van de Schoolwerf blijken het erover eens dat het met de gevreesde overlast ten gevolge van de komst van de Marokkanen reuze is meegevallen. Je ziet ze niet, je hoort ze niet. Maar de hele gang van zaken wordt de gevestigde politiek nog steeds zwaar aangerekend.
Op 15 mei 2002 namen de bewoners van de Schoolwerf wraak. Door in groten getale op Pim Fortuyn te stemmen. Al hebben degenen díé dat deden na het tumult binnen de LPF al wel weer spijt van hun keuze.
Cor van Wensveen: ‘Pim had charisma. Maar nu hebben de meelopertjes het voor het zeggen. Ik denk nu: bekijk het maar.’ Zijn moeder Els: ‘Er is geen stuurman meer.’
Zijn vader Wim: ‘Dit is ook niet de oplossing voor de gewone man.’
Veel bewoners van de Schoolwerf overwegen de volgende keer helemáál niet meer naar de stembus te gaan. De gouden bergen die Han Lammers beloofde, zijn zilveren bergen gebleken, terwijl het inmiddels eigenlijk diamanten bergen hadden moeten zijn. Want bijna iedereen heeft een aardig huis, voorzien van inbouwkeuken, kleurentelevisie om naar SBS6 en RTL4 te kijken, en een personal computer op zolder. De uitstapjes die hun ouders zich hoogstens naar Zandvoort aan Zee en de Blaricumse heide konden veroorloven, zijn vervangen door weken met de caravan naar Frankrijk of uitblazen in Portugal.
De bewoners van de Schoolwerf hebben het beter dan de generatie vóór hen, maar toch zijn ze niet tevreden over wat het leven hun heeft gebracht. Want veel mensen om hen heen hebben het nog beter dan zij zonder dat ze er zo hard voor hebben gewerkt. Ze voelen zich gekleineerd door de overheid en koesteren de diepgewortelde overtuiging dat de gevestigde politiek ongeveer iedereen beter behandelt dan de ‘gewone mensen’. Dat de buitenlanders worden voorgetrokken. Dat de PvdA, die het vroeger voor hén opnam, haar zorgzame hand inmiddels vooral naar de allochtonen uitstrekt. Als je daar iets van zegt, word je door de linkse politici ook nog eens voor racist uitgemaakt. Op zo’n moment voelen de buurtbewoners zich helemaal verongelijkt. Zoals gezinsverzorgster en LPF- stemmer Yvonne Duyts haar gevoelens verwoordt: ‘De buitenlanders lachen je uit als je gewoon je werk doet. Mijn man en ik werken wél, maar we redden het maar net.’
De enige buitenlanders die door de buurt zonder reserves worden geaccepteerd, zijn de mensen die hun handen net zo uit de mouwen steken als de autochtonen en hun gordijnen netjes voor het raam hebben gehangen.
Op de hoek van de Schoolstraat en de Schoolwerf begint de multiculturele samenleving van de toekomst gestalte te krijgen. In de schaduw van de Goede Rede- kerk en de als ontmoetingscentrum vermomde moskee Ataouba, zijn de shoarmabar Luxor en het Chinees restaurant New City verrezen. Er is ook een snackbar die tot kort geleden de naam ‘Niet te geloven’ droeg. De – autochtone – eigenaar klaagde honderduit over de hangjongeren die de parkeerplaats voor zijn zaak onveilig maakten. Sommige bewoners van de Schoolwerf vinden dat de man zijn eigen glazen ingooide: het was een alcoholist die slecht volk aantrok.
Inmiddels is zijn zaak overgenomen door de Turk Yaman en zijn compagnon Mercan. ‘Ja Man’ heet de snackbar nu. Naast traditionele gerechten als het patatje oorlog, de kaassoufflé en de berenhap wordt er ook döner kebab bereid. De zaak maakt na een schilderbeurt een heel wat opgewektere indruk dan vóór de verkoop. Een bordje aan de muur vermeldt dat alcoholgebruik binnen niet langer is toegestaan. De hangjongeren zijn verdwenen want de compagnons Yaman en Mercan hebben hun duidelijk weten te maken dat ze de gewone klandizie afschrikten.
Mede-eigenaar Mercan is goed te spreken over de buurt waar hij is neergestreken. Alleen de Marokkanen van Ataouba laten zich nooit zien. Die vinden zijn voedsel niet halal. Maar voor de rest heeft hij over gebrek aan belangstelling niet te klagen. Terwijl we met de snackbareigenaar spreken, lopen de buurtbewoners de een na de ander binnen. Vier jaar geleden ondertekenden veel van hen de petitie tegen het Marokkaanse centrum aan de Schoolwerf. Nu komen ze bij Yaman en Mercan een döner kebab halen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.