Dichters van nu

Bij de bekendmaking van de nominaties voor de VSB ­poëzieprijs 2014, uit te reiken op 29 januari van dit jaar, meldde de jury verrast te zijn door het hoge aantal inzendingen, liefst 115 bundels, veel meer dan in vorige jaren. Aha, er bestaat dus een brede voedingsbodem voor de kleinste, meest exclusieve tak van de literatuur: de dichtkunst.

En inderdaad, het lijkt op het eerste gezicht puik gesteld met de Nederlandse poëzie. Veel goede bundels van zowel gevestigde dichters als van aanstormende jongeren en actieve ouderen, leuke debuten, en daarnaast af en aan bewegende podium- en slamdichters, al heb ik de indruk dat het orale circuit de laatste tijd toch wat buiten adem begint te raken. Komt allicht omdat die podiumtijgers uiteindelijk toch ook liefst uitgegeven en gelezen willen worden, teneinde op papier te beklijven. Want hoe je het ook wendt of keert, de papieren bundel vormt nog altijd de spil van het Neder­landse poëziebedrijf, podium, internet en dvd ten spijt.

Hommage-nominatie

De grootste Nederlandse prijs voor poëzie, de VSB-prijs, gaat dan ook als vanouds naar bundels en nog altijd niet naar poëzie in de mediale uiterwaarden. Juryvoorzitter Ahmed Abou­taleb en zijn secondanten plukten er dit jaar vijf uit: Maria Barnas met Jaja de oerknal, F. van Dixhoorn met De zon in de pan, Micha Hamel met Bewegend doel, Antoine de Kom met Ritmisch zonder string en Miriam Van hee met Ook daar valt het licht.

Het was een selectie die menigeen de wenkbrauwen deed optrekken. Waren dit nu heus de beste bundels van het jaar? Zeker, de licht vervreemdende observaties van Maria Barnas en de schuimende regels van Micha Hamel werden her en der lovend besproken, maar het werk van de overige drie leek toch niet direct eerste keus. Van Dixhoorn beoefende in zijn laatste bundel de concrete poëzie zoals hij dat al jaren doet, Antoine de Kom was wel mateloos exotisch en grensoverschrijdend in de weer met e-mailtjes en bluesliedjes, bedelaars en zeeleeuwen maar toch ook nogal ongeconcentreerd, en Miriam Van hee, ach, Van hee lijkt me de eredichter van dienst. Dat doen VSB-jury’s namelijk graag: een eerbiedwaardig dichter nomineren, bij wijze van hommage en ongeacht of het werk nog verrassend is of niet. Dit keer dus Miriam Van hee, schrijfster van een integer en stabiel oeuvre, goed voor twee vliegen in één klap: Vlaams en veteraan. Maar zo’n hommage-nominatie lijkt me een twijfelachtig principe. Kun je niet beter een leuke debutant in het zonnetje zetten om te laten zien dat de poëzie springlevend is?

De vraag is dus: wat dreef de VSB-jury bij haar wonderlijke keuze?

Oerkoe

Maar eerst een andere vraag: waarom een van de meestgeprezen en beste bundels van het jaar, Tempel van Mustafa Stitou, niet bij de nominaties zit. Jazeker, hij won tien jaar geleden met zijn laatste bundel Varkensroze ansichten de vette VSB-prijs, 25.000 euro, ook al eens, maar er staat nergens geschreven dat iemand na zoveel jaar niet voor de tweede keer kan winnen, het is per slot de P.C. Hooftprijs niet.

Stitous Tempel laat zien hoe eeuwenoude vragen en bijdetijdse decors kunnen samengaan. In toegankelijke maar nooit behaagzieke taal beweegt hij zich op het vlak van een soort seculiere religiositeit. Als dichter is hij een filosoof en in de lijn van Cicero’s opvatting ‘filosoferen is leren te sterven’ dicht hij op een onderhuidse manier over de dood. Over de dood van zijn eigen vader bijvoorbeeld, maar ook over de Apocalyps, zoals in het grappige en tegelijkertijd enigszins angstaanjagende gedicht over de ‘nigersaurus’, waarin hij de uitgestorven Nigeriaanse oerkoe naast een YouTube-filmpje legt waarop een Duits meisje, bij gebrek aan een paard, een koe dresseert om met haar op de rug over een hekje te springen: ‘als een eigentijdse ruiter Dood / op zijn vaalgele paard uit de Openbaring van Johannes, een mys- / terieus soort naar binnen buitelend glimlachje van eenzelvigheid / op haar blakende gezicht.’ Bij Stitou is poëzie, hoe talig en plastisch en bijdetijds ook, altijd levensbeschouwing.

Het lichte kaliber

Eerlijk gezegd vond ik Tempel een ietwat eenzaam hoogtepunt in 2013, want veel van de omringende poëzie is wel mooi en raak en beeldend, maar toch ook nogal voorspelbaar. Of er nu jonge moeders, bedreven oudjes, hemelbestormers of grappenmakers aan het woord zijn, er (over)heerst een oecumenische vrede in de dichtkunst. Zo te zien heeft een succesvol, veilig en transparant idioom wortel geschoten, een soort middenregister waar het gros van de dichters zich aan houdt: het is toegankelijk, persoonlijk, open, welgevormd; het is speels en zo nu en dan ernstig, filosofisch als het zo uitkomt. En het is dat alles in het lichte kaliber: licht weemoedig, licht relativerend, licht wijsgerig. Wie ik het afgelopen jaar miste, waren de uitgesproken experimentelen waar je misschien geen touw aan kunt vastknopen, maar ook de rare snuiters en buitenissige opstandelingen, zoals in het recente verleden Delphine Lecompte of Ilja Leonard Pfeijffer. Ja zelfs steil klassieke, vormvaste dichters à la Jean-Pierre Rawie lieten het in 2013 grotendeels afweten. Wat je dan overhoudt, heeft iets braafs en modaals. Bundels die afzonderlijk allicht drie of vier sterren waard zijn, maar die als je ze allemaal naast elkaar legt toch iets van een goegemeente vormen en dat is, wat die kwalificatie ook suggereert, natuurlijk niet goed.

Receptuur

Je kunt de dichtkunst van het moment altijd goed temperaturen bij de debutanten. Bernke Klein Zandvoort en Iris Brunia bijvoorbeeld. Heel aardige bundels. De titels zeggen al heel wat. Klein Zandvoort: Uitzicht is een afstand die zich omkeert, Brunia: Laten we mijn lichaam delen. Hele zinnen als om te laten zien: ik praat tegen u, ik heb iets te vertellen, leest u mee?

Bernke Klein Zandvoort etaleert een prettige ontvankelijkheid voor de wereld als ze bijvoorbeeld ‘de schoonheid van een bachelor party / op een doordeweekse dag / een vrachtwagen die moet keren op een te kort stukje gracht’ opmerkt. Iris Brunia schrijft over de voor- en tegenslagen in de liefde: ‘je ligt niet meer stil, mijn hand / op je scrotum, omdat je dan pas sliep’. Meer dan de thematische verschillen vallen de stilistische overeenkomsten op: ze zijn beiden transparant en mededeelzaam, de lezer kan ze makkelijk volgen. Dat geldt ook voor die andere, onwaarschijnlijke debutant, Arthur Docters van Leeuwen, bekend van heel andere zaken, die in Weggewaaid hetzelfde middenregister bespeelt: ‘Nu mededogen echt bestaat / Is het moeilijk het lijden buiten de deur te houden.’

Kennelijk is het dat wat je te zien krijgt als je voor het eerst de Nederlandse poëzie van nu betreedt: spraakzame, levensechte, gevoelige openheid met oog voor details en kleine verschuivingen. Het lijkt of de poëzie van het moment geregeerd wordt door het geluid van dichters als Remco Campert en Wislawa Szym­borska, groot in hun soort maar erg besmettelijk voor de volgzamen. Ik zie er ook de invloed in terug van de bloeiende schrijfopleidingen, de Schrijversvakschool, de Rietveld, die hun leerlingen onmiskenbaar met een soort receptuur voor geslaagde poëzie de wereld insturen.

Weinig spectaculair

Verstaanbaarheid beheerst die rijke oogst van 2013. Over een grote bandbreedte schrijven dichters gedichten in de taal van nu. Van de brave, empfindsame Marjoleine de Vos tot de militante Erik-Jan Harmens, je hoeft niet bang te zijn dat je ze niet kunt volgen. Hier, De Vos, ‘Favourite things’ uit Uitzicht genoeg over Coltrane en het Niets nota bene, maar toch vooral over verliefde haasjes:

Mensenvragen, van geen belang

voor de verliefde hazen die zij aan zij

over het veld rennen. Vrij zijn ze

niets draagt ze dan hun poten.

Om maar aan te geven hoe heerlijk het zou zijn om zonder levensvragen te zijn. Best wel een mooie, zij het weinig spectaculaire gedachte. Nee dan Harmens die wil dat de poëzie niet gezapig is maar een bijl, dat ze urgent is en onze gure tijd in beeld brengt. Maar ook met de dichter van Open mond kun je rustig bij je schoonmoeder langs:

de radio wispert iel

contouren van het nieuws

spat als bolle vrucht

mijn hart de beat die je nakt

waarom legt iemand een hand op onze mond

waar we aan likken tot ie ’m wegtrekt

ik huil om de mensen die ik niet ken

en om hen die ik vergeten ben

Natuurlijk, twee totaal verschillende dichters, De Vos en Harmens, de een introvert en beschouwelijk, de ander streetwise en geëngageerd, maar toch klinken ze op een of andere manier als soortgenoten, verwanten, namelijk in hun drang de lezer met hun dichterlijke taalgebruik in te pakken en mee te nemen.

En zo gaat het met tientallen dichters in dat grote middenveld, allemaal erop uit lezers te charmeren en te vervoeren. Bijvoorbeeld Pim te Bokkel ‘In het diepst van mijn gedachten’ uit Dit is hoe een storm ontstaat: ‘er is een man / die in mijn hoofd / als in een doorzonwoning / woont’. Zeker, het is raak en beeldend verwoord, zij het weinig origineel, zo’n homunculus in je kop, maar zijn dit tegenwoordig de diepste gedachten? Ik zou zeggen dat het daar vrijwel onverstaanbaar moet zijn, duister in plaats van welbespraakt, ondoordringbaar, een heuse baaierd.

Of hier, uit het wat minder gevestigde circuit, Rense Sinkgraven met de zoveelste praattitel Liefde is voor feestdagen. Daaruit het gedicht ‘Ondenkbaar’.

Als het ondenkbare iets zou zijn,

zou het dan lijken op wat wij al kennen?

Iets vertrouwds?

Zoals een huis een huis blijft ook

al ben je er niet.

Iemand antwoordt maar

niemand die roept.

Thuiskomen en weer gaan.

Ik hou van Sinkgraven, hij is een dichter naar mijn hart, maar in het koor van al die verstaanbaren valt hij bijna weg. Waarom krijgen we zulke diepe of zelfs ondenkbare gedachten steeds zo welbespraakt en soepel te horen? Waarom wroet niemand verder, desnoods al mompelend en molenwiekend uit het zicht van de lezer verdwijnend?

Ouderwets asociaal

Van de weeromstuit lees ik oudgedienden die zich van de mode van de dag niets aantrekken. Jan Kuijper bijvoorbeeld met zijn zoveelste bundel dichterstomben, ditmaal Ondoden geheten. Kuijper is een ouderwets asociaal dichter die zich totaal niets aantrekt van zijn publiek en zijn ijselijke belezenheid uitvent in zijn verzen. Je moet echt diep de literatuur in duiken om er iets van te begrijpen, maar die arrogante houding bevalt me eigenlijk prima, vooral omdat het een soort krankzinnige gedichten oplevert, zoals in de slotregels van ‘De tombe van Vauvenargues’ (een Franse B-schrijver van wie ik natuurlijk nog nooit had gehoord): ‘Eén ding is duidelijk: heeft hij een wens, / dan moet jij die vervullen, imbeciel! / en vliegensvlug! Niet op tijd? Koppie kwijt!’ Snap ik niks van, maar het is in elk geval iets heel anders dan de middelmaat.

Of Jules Deelder, tegenpool van Kuijper, maar ook met z’n eigen tombe, te weten Het graf van Descartes, alleen om die titel al moet ik bij Deelder lachen. En dan dat wegwerpgebaar in ‘Gezicht op Bergen’: ‘Ach Bergen… wat zal ik ervan zeggen? / Ik blijf er niet voor thuis maar wie ben ik?’ Gekwadrateerde humor want voor Bergen moet je natuurlijk júist de deur uit.

Dichters als Kuijper en Deelder, die allang hun eigen geluid hebben ontdekt en ontwikkeld, je dreigt ze te onderschatten, maar ze lappen de modes aan hun laars en dat is in dit klimaat van gelijkgestemdheid soms een verademing.

Iets dergelijks moeten de juryleden van de VSB-prijs ook hebben vastgesteld, net zoals het overigens eerder dat jaar de juryleden van de Buddingh’-prijs voor poëziedebuten al was opgevallen: zij gaven de prijs aan buitenbeentje Henk Ester voor zijn bundel Bijgeluiden.

Beide jury’s probeerden zo te zien de modieuze middenstroom van al die welsprekende, vaak onberispelijke poëzie te vermijden en werk te nomineren en belonen dat buiten de geijkte paden valt. De VSB-jury had het daarbij over dichters die ‘radicaal voor de taal kiezen en de moed hebben hun werk zo te laten rijpen dat het aan hun individualiteit ontstijgt.’ Meer een poëticaal dan een kwalitatief criterium dus. Met die wonderlijke nominaties tot gevolg die dus op een of andere manier wel te begrijpen zijn maar die ook iets jammerlijks in de poëzie van dit moment blootleggen.

Hoog tijd voor nieuwe Maximalen.

Bladwijzer

Online bron

Poetry International

De beste dichters in beeld

‘Jaja de oerknal’, ‘De zon in de pan’, ‘Ritmisch zonder string’, hoe kom je erop? In vijf korte filmpjes vertellen de genomineerden voor de VSB poëzieprijs 2014 over hun bundeltitels, inspiratie en vocabulair fetisjisme (Micha ­Hamel). De beelden zijn geschoten door de Nederlandse stichting Poetry International, die de uitreiking van de poëzieprijs verzorgt. De filmpjes laten het blikveld van de dichters zien, vanuit hun thuisomgeving dragen ze voor uit eigen werk en brengen ze woorden tot leven.

Ga naar

VN.nl/dichters

Nee

Ga naar