Het herdrukken van Menno ter Braaks brochure Het nationaalsocialisme als rancuneleer uit 1937 vraagt erom te worden vergeleken met de boosheid of rancune die zich nu in Europa op grote schaal een uitweg zoekt in populistische partijen en demonstraties. Er zijn zo’n tachtig jaar voorbij gegaan waarin dat nationaalsocialisme voor een wereldoorlog heeft gezorgd en voor zes miljoen joodse doden. Er heeft daarna een Koude Oorlog gewoed die, na een tijdje rust, weer is teruggekeerd. Vanaf het midden van de jaren zestig was niet de rancune maar de verbeelding een jaar of tien aan de macht. Ondertussen kwam er een einde aan de oorlog in Vietnam, maar ontstond in de jaren tachtig de oorlog in Joegoslavië. De val van de muur in 1989 bracht een kleine tien jaar euforie over de triomf van de liberale democratie, maar die werd verstoord door het religieuze ressentiment dat zich uitte in de aanslagen van Al Qaida en de oorlogen in Koeweit, Irak en Afghanistan. Het islamitsch fundamentalisme kwam op en al die jaren woedde het conflict tussen Israël en de Palestijnen.

Sinds de jaren zestig vindt veel ongenoegen een weg via demonstraties, in de jaren dertig nog een zeldzaamheid, maar als artikel 9 een recht geworden in de Grondwet. Als uitvloeisel van de jaren zestig had een geleidelijke democratisering plaats die weer leidde tot de verzorgingsstaat. Die werd weer gevolgd door het neoliberalisme. Toch ontstonden de populistische partijen van Pim Fortuyn en Geert Wilders als totaalprotest afkomstig van de onderste treden van de samenleving.

Een lastig besef

In al deze conflicten deed zich vergelding, wrok, woede, wraak en genoegdoening voor, maar wanneer hoor je zeggen dat het om rancune of ressentiment ging? Volgens Ter Braak behoort rancune tot de ‘meest essentiële verschijnselen van onze cultuur’, dat wil zeggen: het is ook een onderdeel van de democratie. Bas Heijne noemt dit in zijn verhelderende inleiding ‘een ongemakkelijke conclusie’ en ‘een lastig besef’, want men geeft niet gauw toe dat ook in de democratie ressentiment voorkomt. Ter Braak maakt het nogal ingewikkeld, maar het komt erop neer dat het om gradatie gaat: er zit een bepaalde mate van rancune in de democratie, maar in het nationaalsocialisme is het niets anders dan rancune.

Lees ookFrans Kellendonk bleef een leven lang verlangen naar de geborgenheid van de kerk25 september 2018

Dit ‘lastige besef’, het toegeven dat wijzelf niet vrij zijn van rancune, is een specialiteit van Ter Braak: hij wilde zichzelf niet te goed voelen voor het hebben van beschamende emoties of instincten. Het snijden in eigen vlees, zoals we dat ook kennen uit het werk van Frans Kellendonk, was bij Ter Braak een onderdeel van zijn persoonlijke demaskeringsdrang: het blootleggen van motieven en verborgen emoties. Dat is wat hij ook al op zijn dertigste deed in zijn essayistische autobiografie Politicus zonder partij.

Dit was rancune puur: ‘het zijn de formules van de haat, de stembuigingen van de nijd, de schelheid van de laster.’

Iets van rancune mag in iedereen zitten en ook een onderdeel zijn van de democratie, in het nationaalsocialisme is het volgens Ter Braak tot ‘een perversie’ geworden, het werd daarin tot een leidend principe, tot een toetssteen voor alles. Dit was rancune puur: ‘het zijn de formules van de haat, de stembuigingen van de nijd, de schelheid van de laster.’ Dit betreft de toon, maar wat zorgde bij het nationaalsocialisme concreet voor die haat en wrok? Waarvoor wilde het vergelding, genoegdoening, herstel? Ter Braak veronderstelde dat min of meer als bekend.

Een blik op de concrete ideologische inhoud van het nationaalsocialisme laat zien wat hedendaagse extreemrechtse partijen en bewegingen daarmee in wisselende gradaties gemeen kunnen hebben. Geen kosmopolitisme, maar nationalisme of extreem chauvinisme (‘America First’). Griekse mythologie niet als mooie verhalen, maar het vereren van mythische helden met heuse biceps. Niet flaneren of lopen, maar marcheren. Niet vrij worden geboren, maar uit een bepaalde bodem en met een bepaald bloed. Geen modernisme, maar traditionalisme. Geen verdraagzaamheid, maar het haten van groepen, minderheden of hele bevolkingen (zoals de joden, de zigeuners of de moslims). Niet elk individu telt, maar ‘het volk’ is waar het om draait. Niet de vrije mening, maar de media die zich moet aanpassen aan de ideologie. Niet het vrijlaten van de kunsten, maar voorschrijven wat voor kunst er gemaakt moet worden. Geen onafhankelijke rechtspraak, maar een die door de regering wordt gestuurd.

Rancune en ressentiment

Ter Braak benadrukt dat de verdediging van deze gedachtewereld gepaard gaat met demagogie en fraseologie, ‘een synthese van pathos, leugen en simplisme’. Ook hier wijst hij erop dat wij als democraten ook niet vies zijn van fraseologie en simplisme, maar als het goed is weten we het en maken we er geen misbruik van. Of het simplisme krijgt te maken met ongenadige kritiek. Net als in het nationaalsocialisme is in de democratie sprake van ‘bevel, propaganda, leugen en constructie’, schrijft Ter Braak, maar die hebben in de democratie altijd te maken met de daarin verankerde ‘kritiek, gedachtewisseling, waarheid en ‘tegenonderzoek’’. Het verschil noemt Ter Braak van ‘enorm belang’, maar dan had hij de overeenkomst niet eerst zo groot hoeven maken.

Veel van deze componenten (zoals xenofobie, mediabeknotting, rechtspraak, nationalisme) zijn nu te vinden bij de extreemrechtse politieke partijen van landen als Duitsland (AfD), Frankrijk (Rassemblement National), Nederland (PVV) en Oostenrijk (FPÖ). Verschillende van deze ingrediënten, maar nog ver weg van de nationaalsocialistische ideologie, zijn te vinden in de landen waarin nu een ‘democratuur’ heerst, de landen waar een naar dictatuur neigende regering en president heerst die door democratische verkiezingen aan de macht is gekomen, zoals in Turkije, Rusland, Hongarije, Venezuela, Polen, India en Amerika.

Wanneer het tegen ‘Den Haag’, ‘de elite’ of ‘de globalisering’ gaat, gaat het vaak over een onderaards gekoesterde vergeldingszucht van lange adem.

De vraag is of we hier met rancune of ressentiment te maken hebben. Sinds de jaren zestig is het hebben van ‘kritiek’ zo’n vanzelfsprekend onderdeel geworden van het bestaan in democratisch geregeerde landen, dat er een gedetailleerde analyse nodig is om te bepalen of er sprake is van rancune, sociale onrust, woede, onbehagen, ideologiekritiek of het aankaarten van onrecht. (Sjaak Koenis schreef hierover in de Democratisering van het ressentiment uit 2012). Wel kun je zeggen: hoe groter en generaler de kritiek, hoe eerder die voortkomt uit rancune. Wanneer het tegen ‘de politiek’, ‘Den Haag’, ‘de elite’, ‘de rijken’, ‘de moslims’ of ‘de globalisering’ gaat, dan hebben we veelal vandoen met een onderaards gekoesterde vergeldingszucht van lange adem. Maar ook dan wordt die meestal ‘gestileerd’ (zou Ter Braak zeggen) in een protestgroep of politieke partij. Maar krijgt zo’n partij de meerderheid dan sneuvelen onmiddellijk een aantal liberale vrijheden. Zoals in Hongarije.

Er was in de tijd dat Ter Braak Het nationaalsocialisme als rancuneleer schreef alle aanleiding om zwaar pessimistisch te zijn en te vrezen voor de vernietigende laars uit Duitsland. Dat is zo, maar (het is al eerder opgemerkt door Ter Braaks biograaf Léon Hanssen), er maakte zich van Ter Braak in die onheilspellende jaren een fatalisme meester dat hem belette ook nog maar iets bemoedigends in zijn omgeving te zien. Hij werd geen totale defaitist, want hij schreef stug door in Het Vaderland. Maar de ‘Hollandse mediocriteit’ weerhield hem ervan enige hoop te koesteren over het eventuele verzet dat geboden zou worden wanneer Duitsland een oorlog zou beginnen.

Ook van de intellectuelen had hij geen hoge pet op. En de Europese cultuur, die toch verdedigd moest worden als het erop aankwam? ‘Wanneer ergens gesproken wordt over ‘de Europese cultuur’’, schreef Ter Braak in 1937 in Van oude en nieuwe christenen, ‘die verdedigd moet worden of ten ondergang is gedoemd, dan vraag ik mij steeds weer af, waar de spreker het eigenlijk over heeft. Bedoelt hij de academische of de artistieke bezigheden van een kleine groep mensen, de intellectuelen en kunstenaars, die zichzelf gaarne als elite beschouwen, maar door politici en zakenlieden hoogstens worden aanvaard als luxe, die hun bestaan rechtvaardigt of versiert?’

Het huis van Europa staat in brand

Je zou toch hopen dat ‘de Europese cultuur’ toen voor iets meer stond dan voor dit ‘kleine groepje’. Maar Ter Braak zag het even niet. Volgt zijn vraag of die cultuur dan misschien staat voor algemene vorming op school, of voor de dagelijkse pers die zo goed is in het vulgariseren van de cultuur. Het is alsof Ter Braak door zijn fatalisme aan bewustzijnsvernauwing ging lijden waardoor hij elk perspectief op wat de Europese cultuur zou kunnen voorstellen was kwijt geraakt. Hij ziet alleen maar ‘halfbeschaving’ die gespeend is van zelfkritiek. Hij vindt het beschamend dat hij door de omstandigheden de Europese cultuur moet verdedigen, terwijl hij gewend was altijd vooral kritisch te zijn (ook al kon hij ook bewonderen).

Volgens de Franse geëngageerde intellectueel Bernard-Henri Lévy is het één minuut voor twaalf op de Europese klok nu de anti-liberale, populistische en extreemrechtse partijen steeds invloedrijker worden. De Europese cultuur en de Europese waarden moeten weer verdedigd worden, vindt Lévy en nam het initiatief tot een manifest. ‘Het huis van Europa staat in brand,’ schreef hij met dertig andere ‘Europese patriotten’ op 25 januari in een manifest dat in de Libération, The Guardian, Die Welt, El Pais en een reeks andere Europese kranten werd afgedrukt. Ondertekend ondermeer door Orhan Pamuk, Salman Rushdie, Milan Kundera, David Grossman, Ismail Kadare, Anne Applebaum, Elfriede Jelinek en György Konrád. De populistische partijen in Europe mogen nog ver afstaan van waar Ter Braak het in zijn brochure over heeft, maar ze vertegenwoordigen wel zoveel verontrustende tendenzen die de vrijheid en creativiteit in Europa dreigen aan te tasten, dat de Europese verkiezingen in mei aanstaande cruciaal worden. Ze zouden van Europa ‘une deuxieme patrie’ moeten maken ‘pour tous les hommes libres du monde’, zoals Lévy en de andere ‘Europese patriotten’ menen.

Het Nationaalsocialisme als rancuneleer door Menno ter Braak, met een voorwoord van Bas Heijne, verscheen bij Uitgeverij van Oorschot. Paperback, 96 pagina’s. € 12,50.