Volgens de een is er een malaise in de literatuur, volgens de ander is de literatuur een onderdeel te geworden van de vermaakindustrie. En de roman zou er niet meer toe doen. Een deconstructie van het nieuwe defaitisme.

Voor een schrijfster die bepaald geen gebrek heeft aan waardering en aandacht is het artikel ‘De roman als Phoenix’ van Nelleke Noordervliet in De Groene Amsterdammer van 21 augustus wel erg defaitistisch. Het is natuurlijk nooit een schande om je verlies te erkennen als de overmacht zo groot is, maar iemand als Noordervliet, die na de dood van Hella Haasse min of meer de titel van Grande Dame van de Nederlandse literatuur kan voeren, moet tegen een stootje kunnen.

Het verhaal van Noordervliet in de Groene
Het verhaal van Noordervliet in de Groene

Maar Noordervlietmokt dat ze heus wel bescheiden wil zijn, maar dat ze zich op de proef gesteldvoelt nu ze daar toe gedwongen wordt door het feit dat alle aandacht gaat naarde sociale media, naar amateurs op Facebook die maar aan schrijven. En dat ersteeds minder gelezen wordt en dat de lezende burger ‘is vervangen door dehedonistische opportunist, de corrupte autocraat, de kortzichtige egoïst’ (driewel erg onnauwkeurige typeringen voor de hedendaagse plaatsvervangers van ‘deburger’, wat ook al geen erg scherpe naamgeving van de hedendaagse mens is).

Noordervlietmoet wel in een bijzondere stemming geweest zijn bij het schrijven van ‘Deroman als Phoenix’. Ze schetste een wereld waarin het niet altijd eenvoudig isom Nederland te herkennen. Wanneer ze het over de ‘burgerlijke democratie’ heeft,waarin de roman ooit zou hebben gedijd, is het alsof ze het over de negentiendeeeuw heeft. En die ‘burgerlijke democratie’ zou nu ‘een containerbegrip’geworden zijn ‘waarin de dictator zijn macht verpakt’. Een dictator, inNederland? Op welke planeet leeft Noordervliet? En in die burgerlijkedemocratie, geleid door een dictator, brengen bovendien ‘gezichtslozeambtenaren oekazes uit’ en beleeft ‘geen enkele belofte zijn inlossing’. Waarnadie burger ineens is overleden ‘aan vraatzucht en onverschilligheid’. En nu datallemaal zo is, ‘is de literatuur een verwaarloosbaar onderdeel geworden van devermaakindustrie, nu krijgen doordachte en goed geschreven romans cynisch eenplaats toegewezen in een niche voor ongevaarlijke dwazen.’

Literatuur is altijd iets voor goede verstaanders geweest, een jongensclub waar ook meisjes lid van waren

Het gaat welerg lukraak toe bij Noordervliet wanneer ze ook schrijft dat er geen ‘grotelezers’ meer zijn, dat er geen essays meer geschreven worden, en dat er sprakeis van ‘de definitieve proletarisering van de smaak’. Dat er bepaalde uitgeverszijn die de smaak willen ombuigen naar platter dan plat, en dat bepaalde televisieprogramma’sliteratuur als louter vermaak willen behandelen, zal ik niet ontkennen, maardat er geen goede lezers meer zijn is eenvoudig te weerspreken. Lees maandelijksDe Gids, of Hollands Maandblad. Of The New York Review of Books. Of op internet Slate, The New Republicof The Nation. Wanneer Noordervliet jammert dat‘grote lezers’ als ‘Auerbach, Steiner, Haasse, Reich-Ranicki, Lodge, Manguel,Coetzee, Byatt’ ‘verschijningen uit het verleden’ zijn, dan zijn daar makkelijkhedendaagse goede lezers tegenover te stellen, al aarzel ik om meteen zo’n pompeuzekwalificatie als ‘grote’ te gebruiken als ik James Wood van The New Yorker of Daniel Mendelsohn vande New York Review of Books noem.

Het is natuurlijkonzin dat de literatuur ‘een verwaarloosbaar onderdeel van de vermaakindustrie’is geworden. Wat literatuur is onttrekt zich daar vanzelf aan. Zo bont maaktzelfs Cyrille Offermans het niet. Offermans kan ook aardig apocalyptisch uit dehoek komen (we leven in ‘een op drift geraakte werkelijkheid’ die de‘bestaanszekerheid onder de voeten van de mensen wegslaat’), maar hij houdt hetin zijn nieuwe boek Wat er op het spelstaat bij ‘een minimale restwaarde’ waartoe de maatschappelijke rol van deliteratuur is geslonken, en dat de literatuur verdrongen is naar de‘maatschappelijke periferie’.

Henri Fantin Latour 'De verzoeking van de heilige Antonius'.
Henri Fantin Latour ‘De verzoeking van de heilige Antonius’.

Hetdefaitisme van Noordervliet en Offermans gaat ervan uit dat de literatuur ercultureel en maatschappelijk ooit betekenisvol ‘toe gedaan heeft’. Dat is nooitzo geweest. Literatuur was altijd iets bijzonders, ook al was het voor wie ermee leefde heel gewoon. Wie er een zintuig voor had wilde er onderdeel van zijn,wetend wat er te halen viel. Literatuur is altijd iets voor goede verstaandersgeweest, een jongensclub waar ook meisjes lid van waren. En zo is het nogsteeds.

Het ishelemaal niet verbazingwekkend dat de echte lezers aan het afnemen zijn: kunnende verleidingen om iets anders te doen dan het lezen van boeken nog groter zijndan ze nu zijn? Je moet van ijzer zijn wil je niet dagelijks worden verleiddoor televisieseries, films, muziek, documentaires, talk shows, games, radio, Facebook,e-mail en de giganteske wereld van internet. Het is een pervers bombardement.Wie is daar tegen bestand?

Het is alsofde duivel elke dag aan de deur komt met de verleidelijkste aanbiedingen, bijnagratis. Het is alsof Flauberts roman Deverzoeking van de heilige Antonius, zoals verbeeld door de verleidelijkevrouwen op het gelijknamige schilderij van Henri Fantin Latour, permanent voorje neus danst. Met deze onweerstaanbare verleidingen hebben we elke dag temaken. We?, ja, zo ongeveer iedereen die geen kluizenaar is als de heiligeAntonius, en zelfs dan, zoals de legende laat zien.

Benali had wel een bom willen gooien op de nieuwe schrijversgeneratie

Gegeven dezeverleidingen is het bewonderenswaardig hoe de literatuur toch stand houdt envoor een groot deel doet alsof het leven gewoon doorgaat. In het bijzonder deroman zou er niet meer toe doen, volgens Noordervliet, ook al kan ze elke weekin de Volkskrant, Trouw, de NRC, De Groene en Vrij Nederland zien dat hij meer danserieus genomen wordt. Eerder (in 2011) twijfelde Bas Heijne aan de betekenisvan de roman in Echt zien, zijn boekover de ‘literatuur in het mediatijdperk’. De twijfel van Heijne (zie ook deze kroniek) had voornamelijkmet een stadiumpje in zijn eigen ontwikkeling als essayist te maken. Zijnzintuig voor het belang van de roman heeft zich snel hersteld, want in elkeaflevering van Literaturfest in DeRode Hoed in Amsterdam hield hij de afgelopen jaren steeds een gloedvol betoogover een door hem uitverkoren roman. Beter ambassadeurswerk voor de roman waser niet.

Noordervlieten Offermans slaan allebei een defaitistische toon aan, maar anders danOffermans lukt het Noordervliet niet om ‘een nieuw elan’ aan te brengen, zoalsze zegt te willen doen in het laatste deel van haar stuk in De Groene. Door haar aanvankelijke klachten een klein beetje terelativeren (zo erg als de anti-boeken nachtmerrie in Fahrenheit 451 is het nu ook weer niet), maakt ze het nog erger. Zemaakt een terugtrekkende beweging: als de roman er toch niet meer toe doet dantrek ze zich terug en profiteert ze van ‘een nieuwe vrijheid’.

Abdelkader Benali (Foto boven. Door Matěj Baťha via CC) en Nelleke Noordervliet (Foto onder. Via CC)
Abdelkader Benali (Foto boven. Door Matěj Baťha via CC) en Nelleke Noordervliet (Foto onder. Via CC)

Dat is dereactie van de afgewezen minnaar die zegt dat hij blij is zijn vrijheid terugte hebben. Terwijl het toch niet zo moeilijk is om een blik op de hedendaagseliteratuur te werpen en dan te denken dat er schrijvers en boeken zijn diehelemaal geen ‘nieuw’ elan nodig hebben omdat ze al genoeg elan in zich hebben:Stefan Hertmans, Oek de Jong, Tom Lanoye, Niña Weijers, Merijn de Boer, JamalOuariachi. Alleen al deze paar namen logenstraffen ook de uitval naar dejongste Nederlandse literatuur die Abdelkader Benali een paar maanden geleden opzijn Facebook deed. Daarvan zingt al een tijdje een flitsende, maar onzinnigealinea rond.

Benali hadwel een bom willen gooien op de nieuwe schrijversgeneratie. Ze zouden allemaal hetzelfde boek schrijven. Deschrijvers en hun personages zijn allemaal ‘hoog opgeleid’ (wat natuurlijk eengodsgeklaagde schande is): ‘Iedereen heeft ouders met “gekke trauma’s”,iedereen is een drop-out van het Montessori Lyceum, iedereen is neurotisch ophet debiele af, iedereen is de hele dag aan het filosoferen over de idealebereiding van een cappuccino, iedereen woont in Amsterdam, iedereen is ongelukkig,iedereen heeft geld, iedereen droomt van armoede, iedereen twijfelt aanzichzelf, iedereen heeft seks, iedereen zoekt liefde, iedereen heeft briljantea-logische redeneringen, iedereen is licht duizelig door alle verwendheid diemen heeft ervaren, niemand slaapt thuis, maar ergens anders op locatie die eennormaal mens nooit zou kunnen betalen. Iedereen is wezenloos middelmatig enniemand heeft een leven.’

Het is eenschitterend en suggestief rijtje manco’s en preoccupaties, behalve dat Benali vergeetde titels noemen van de romans waarin dit allemaal zou voorkomen. Dat maakt datBenali zich kennelijk alleen maar aan een paar (niet genoemde) schrijvers inAmsterdam heeft geërgerd en die als pars pro tot gebruikt om ‘iedereen’ maar inéén keer aan te pakken. Benali maakt er een sociale kwestie van, alsof deschrijvers van de jongste generatie allemaal uit verwende gezinnen komen en dusverwende literatuur schrijven.  

Hetopvallende is wel dat twee van de meest zichtbare schrijvers zo opspelen. Noordervlietis alomtegenwoordig en heeft als romanschrijfster columns in Trouw en bij Onvoltooid Verleden Tijd (OVT), Benali maakt regelmatig literairetelevisieprogramma’s. Kennelijk voelen ze zich desondanks verdrongen door de‘vermaakindustrie’ of door andere schrijvers. ‘Zit het niet in de wereld, maarin mij?’, vraagt Noordervliet zich terecht af. In allebei, zou ik zeggen. Dathet met de geletterdheid van Nederland ondertussen achteruit gaat valt niet teontkennen, maar dat ligt niet aan de literatuur. Het zijn de ‘omstandigheden’,de eerder genoemde helse verleidingen.