‘Vila Pouca heet mijn dorp. Als “geringe nederzetting” zou je dat kunnen vertalen, als “nietige samenklontering”, als een “gehucht van niets”. Niemands-dorp noem ik het zelf graag.’ Zo begint Gerrit Komrij de kroniek van het Portugese dorp waar hij al vanaf 1988 woont, vijfentwintig verhalen lang. Zoveel tekst gewijd aan niets, dat lijkt zelfs voor een boek geschreven met Komrijs pen wat veel.

 

Maar, zoals de vaste Komrij-lezer weet, is het verstandig de auteur niet direct op zijn woord te geloven, want dan tuin je er geheid in.

Vila Pouca gaat dus ongemerkt over álles en dat is veel – maar niet te veel. Door die bescheiden aanpak – die hij typeert als grenzeloze arrogantie –, door die quasi-bescheidenheid dus, krijgt hij de lezer waar hij hem hebben wil: daar waar de verwachting nihil is en daarmee de ontvankelijkheid reusachtig – ragfijne manipulatie. Tegen het slot, wanneer de slangen-mens zich niettemin heeft vastgelegd en zowaar geëngageerd,...