Schrijfster Elfie Tromp woont met haar naakthond Chin-Chin in een verzorgingshuis. Drie weken lang, terwijl ze schrijft en proeft aan het leven van een senior. ‘Ik ben altijd een warmbloedig mens geweest,’ hijgt Karel. ‘Maar nu is mijn vrouw er niet meer.’

Hoewel ik leef om aftakeling zoveel mogelijk te vermijden, weet ik dat ik ook ooit ergens last van ga krijgen. In het verzorgingstehuis zie ik honderd mogelijke toekomstversies van mijzelf. Krijg ik later suikerziekte of een versleten rug? Word ik dement, depressief of beide?

Ik hoor Karel voordat ik hem zie. Er zit een ritme in zijn ademtekort. Zijn gierende uithalen worden begeleid door constant gepruttel van een zuurstoffles die hij in een schoudertasje met zich meedraagt. Hij ploft naast me neer in de bibliotheek.

‘Natte longen,’ zegt hij als hij me ziet kijken. ‘Ik kom bij jou zitten, want ik ben onrustig.’