Na zijn ontmaskering als wetenschapsfraudeur verloor Diederik Stapel zijn baan, kreeg hij een taakstraf, geldgebrek, en dacht hij aan zelfmoord. Heeft de gevallen professor nog een toekomst? De pijn die hij heeft veroorzaakt is niet weg. ‘Soms zoeken mensen mij op en dan…’

Amsterdam is bedekt onder een dikke sneeuwlaag. Diederik Stapel beent er met ferme passen doorheen. ‘Tijd uit oog verloren,’ sms’te hij eerder. Het sneeuwt zo hevig dat zijn voetsporen alweer zijn uitgewist als hij een half uur later dan gepland café Luxembourg binnenstapt: een boomlange, forse man met een stoppelbaardje, zijn ogen zoekend achter zijn montuur.

‘Ik ben mijn muts kwijtgeraakt,’ zegt hij terwijl hij zijn lange ledematen achter een tafeltje manoeuvreert. ‘Zo’n muts met van die flappen over je oren.’ Hij kijkt verslagen. ‘Ik zit muurvast. Ik vind geen werk en mijn naam is besmet. Ik ben gestigmatiseerd voor het leven. En nu ook nog dit.’

Het is januari als we elkaar voor het eerst ontmoeten. Stapel is maandenlang negatief in de media geweest – ‘Diederik is de duivel,’ vat hij zijn imago samen – en wil het beeld bijstellen. Ik ben benieuwd naar wie er schuilgaat achter de gevallen professor en heb dit oriënterende gesprek voorgesteld.

Twee maanden eerder heeft de commissie-
Levelt haar eindrapport over de wetenschappelijke fraude van de ex-hoogleraar sociale psychologie gepresenteerd in een persconferentie: Stapel vervalste 55 van zijn 130 onderzoeken, goed voor een plaats in de internationale toptien van wetenschapsfraudeurs. Het werd wereldnieuws.

Daags na de presentatie van het rapport kwam Stapel met zijn eigen boek Ontsporing, waarin hij uitlegt hoe hij tot zijn daden kwam. De literaire kwaliteit ervan viel meteen op, maar het beoogde effect – begrip en inzicht – bleef uit, evenals het ‘broodnodige’ inkomen uit de boekverkoop. De morele verontwaardiging was te groot. Als mensen het boek al wilden lezen, dan kozen ze ervoor het gratis te downloaden via links die uit protest op internet waren verspreid door een aantal prominente Nederlanders zoals Jacobine Geel en Charles Groenhuijsen, opdat de gevallen hoogleraar er geen cent aan zou verdienen. Stapels uitgever deed aangifte van diefstal en heling, zonder resultaat. De publieke opinie luidde: Diederik Stapel is een ziekelijke narcist.

‘Ik dacht dat iedereen wel zou willen begrijpen hoe ik tot mijn wetenschappelijke fraude ben gekomen,’ zegt Stapel (1966) terwijl hij een slok Rivella neemt. ‘Want ik ben natuurlijk niet de enige fraudeur en er duiken steeds weer nieuwe gevallen op, niet alleen in de wetenschap maar in alle hoeken van de maatschappij. Er is meer aan de hand. Maar kennelijk willen mensen alleen maar oordelen. Ik ben een journalistieke prooi.’ Hij oogt vermoeid.

Toen de bom net was gebarsten, vertelt hij, stonden er dagelijks draaiende camera’s voor zijn huis in Tilburg waar hij met zijn vrouw en twee dochters woont. Wekenlang heeft hij zich achter gesloten gordijnen schuilgehouden. Ook nu nog wordt hij overstelpt met interviewverzoeken. ‘Maar het gaat vaak om sensatie en korte quotes, niet om diepgang of analyse.’

‘Wat niemand lijkt te willen horen is dat ik ook onderdeel was van een ziekmakende cultuur van publicatiedruk en doorgeschoten individualisme’
‘Wat niemand lijkt te willen horen is dat ik ook onderdeel was van een ziekmakende cultuur van publicatiedruk en doorgeschoten individualisme’

Stapel wil weer de regie over zijn leven. Wie wil hij spreken? Al twee jaar voert hij gesprekken met journalisten van kranten- en televisieredacties, dit is er een van.

Behendig draait hij de rollen halverwege dit eerste gesprek in januari om en ondervraagt mij uitvoerig over mijn intenties en stijl, de oplage en impact van Vrij Nederland, en de journalistieke mores. Hij heeft zijn hoop op het journaille gevestigd, maar is er tegelijkertijd ‘woedend’ op. ‘Ik lig geamputeerd op de grond en de media blijven op me intrappen,’ herhaalt hij meer dan eens. ‘De universitaire wereld heeft me afgestoten. Logisch natuurlijk, maar nu lijkt het of ik niet alleen als wetenschapper, maar ook als mens niet mag bestaan, dat ik moet verdwijnen. Het liefst zien ze me in rook opgaan, maar dat kan niet. Ik ben er.’

Hij steekt lange tirades af over de universiteiten en de journalistiek, niet altijd even goed te volgen, maar zodra het over hemzelf gaat, zinkt hij weg in moedeloosheid en verdwijnt zijn hoofd tussen zijn handen. ‘Ik heb geen enkel perspectief. De tijd haalt me steeds in, qua financiën. Zodra ik alleen ben, beginnen mijn zorgen te knagen.’ Het is misschien daarom dat hij zo lang blijft zitten. De Rivella’s worden cappuccino’s, de cappuccino’s worden glazen wijn. Pas als het buiten donker is staat hij op. ‘Je hoort van me,’ zegt hij en verdwijnt in de sneeuw, richting het treinstation, zonder zijn muts.

Leonardo DiCaprio

Vier maanden later ontmoeten we elkaar weer in Luxembourg, dit keer op een zonovergoten dag. Stapel zit fris geschoren aan hetzelfde tafeltje achterin en leest een pocketuitgave van The Great Gatsby. Hij is in de ban van de verfilming die hij met zijn jongste dochter in de bioscoop zag, en nog het meest van de ‘enigmatische’ Leonardo DiCaprio. ‘De film was een piekervaring,’ zegt hij. ‘Het gaat over een man die leegte ervaart en verhalen verzint om zichzelf een identiteit te geven; hij is een verzinsel. Dat herken ik. Als kind had ik al een ongebreidelde fantasie en verzon ik de mooiste verhalen. Mijn moeder zei altijd: “Als je je niets verbeeldt, ben je niets.” Nu heeft ze spijt dat ze mijn fantasie zo heeft gestimuleerd, terwijl ik meer dan ooit besef dat ze gelijk heeft. De mens is niets zonder zijn verbeelding.’

Stapel vertelt geanimeerd over Sartre, Camus, Capote, Hemingway. Zijn geest blijkt een rijk reservoir van wetenschappelijke kennis, filosofie en literatuur waartussen hij moeiteloos verbanden legt. Het gaat zichtbaar beter.

De vorige keer zat hij onder de pillen en was hij suïcidaal, vertelt hij na een slok Rivella. ‘De bodem was nog niet bereikt. Maar nu pak ik de draad weer op.’ Makkelijk is het niet. Onlangs had hij een gesprek met de directeur van een groot consultancybedrijf. ‘Die zag gelukkig dat ik echt wel wat kan, dat ik talenten heb.’ Maar een baan had hij niet voor hem. Hij werkte ook een tijdje als vrijwilliger mee aan extra onderwijs voor kinderen uit achterstandswijken. Soms vonden deze lessen plaats in een gebouw van de Tilburgse universiteit. Toen een universitair medewerker daar lucht van kreeg, is hem kort daarna door de rector de toegang tot het gebouw ontzegd en moest hij dit vrijwilligerswerk staken.

‘Mijn moeder heeft spijt dat ze mijn fantasie zo heeft gestimuleerd, terwijl ik meer dan ooit besef dat ze gelijk heeft. De mens is niets zonder zijn verbeelding’

Dan loopt er nog de strafzaak tegen hem die twee van de drie gedupeerde universiteiten hebben aangespannen wegens valsheid in geschrifte en oplichting. ‘Uit onderzoek is al gebleken dat er geen sprake is van oplichting of zelfverrijking,’ zegt Stapel. ‘Alles is keurig vastgelegd en door accountants verantwoord. Maar wat ik eng vind, is dat ik de eerste wetenschapsfraudeur ben die strafrechtelijk wordt vervolgd. Jurisprudentie ontbreekt. Straks hang ik om een voorbeeld te stellen.’

Zodra de rechtszaak achter de rug is, kan hij vrijuit praten. Stapel zal zijn eerste interview aan Trouw geven, heeft hij besloten. Veel journalisten twitteren achter zijn rug het één en zeggen in zijn gezicht het ander. Maar Trouw is ‘een mooie en rustige krant op zoek naar reflectie’.

Hij kijkt op zijn horloge, stopt The Great Gatsby in zijn tas en staat op. ‘We houden contact,’ zegt hij met een vriendelijk knikje.

Wonderboy en ‘sloppy science’

Diederik Stapel begon zijn ooit glansrijke carriere als een wetenschappelijke wonderboy. In 1991 studeerde hij cum laude af in de psychologie en in de communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1997 promoveerde in de sociale psychologie. Daarna stelde de KNAW hem meteen aan als academieonderzoeker. Vanaf 2000 was hij hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen en vanaf 2006 aan de Universiteit van Tilburg.

Hij werd binnen zijn vakgebied bekend met zijn onderzoek naar de invloed van situationele factoren op de eerste indruk en het zelfbeeld van mensen. Hij publiceerde in de meest prestigieuze wetenschappelijke tijdschriften en won wetenschapsprijzen. In 2011 werd hij bekend bij een breder publiek met zijn onderzoeken naar de ‘hufterigheid’ van vleeseters en racisme in desolate gebieden. Maar veel van zijn onderzoeken bleken dus fake. De resultaten waren te mooi om waar te zijn, meenden enkele jonge collega’s die in het najaar van 2011 aan de bel trokken. Stapel bekende, werd op staande voet ontslagen en met pek en veren van de universiteit verjaagd. In november 2011 leverde hij vrijwillig zijn doctorstitel in.

Het frauderapport van de commissie-Levelt bracht eind vorig jaar een schok teweeg in de wetenschappelijke wereld. Voorzitter Pim Levelt zei in NRC dat Stapels ‘grootschalige en langdurige’ fraude met data de wetenschap en met name het vakgebied van de sociale psychologie ‘in hoge mate’ had geschaad. Publicaties van ex-promovendi, ‘ten diepste aangetast in hun eer en carrière’, werden teruggetrokken. Maar het meest ‘schokkend’ was dat Stapel zijn ‘geknoei en fraude’ jarenlang ongestoord had kunnen voortzetten. De sociale psychologie met zijn ‘sloppy science’ had ‘van hoog tot laag’ gefaald.

Stapel kwam uit het rapport naar voren als een manipulatieve machtsmisbruiker die als ‘onaantastbaar’ werd behandeld. Hij kreeg ‘aanzienlijke steun’ en ‘uitzonderlijke toeslagen’ van het Tilburgse universiteitsbestuur. ‘Zijn positie van groots prestige en macht gebruikte hij om zijn fraude uit te voeren en om elke mogelijke twijfel aan zijn werkwijze in de kiem te smoren.’ Volgens de onderzoekscommissie zagen promovendi Stapel als vriend met wie ze naar het theater gingen, maar voelden ze zich bedreigd als ze kritische vragen stelden. Die deed hij volgens hen af als een gebrek aan vertrouwen.

Groot en charismatisch

‘In de karakteranalyse van de commissie-Levelt herken ik me totaal niet,’ zegt Diederik Stapel verontwaardigd. Er is een half jaar verstreken sinds ons laatste gesprek. In de tussentijd mailden we geregeld. Stapel stuurde updates van zijn wel en wee. Soms voegde hij artikelen bij die over hem waren verschenen, of berichten over nieuwe fraudezaken, onder meer in de wetenschap, de journalistiek en de bankwereld.

Met het OM kwam hij op initiatief van de officier van justitie tot een schikking. Hij werd vrijgesproken van oplichting en subsidiemisbruik maar kreeg een taakstraf van honderdtwintig uur wegens zijn wetenschappelijke fraude. Nu kan hij in elk geval vrijuit praten. Hij heeft besloten met VN in zee te gaan voor een ‘groot en diepgravend’ artikel.

Stapel betuigde spijt in een door de NOS uitgezonden verklaring: ‘Ik heb gefaald als wetenschapper’.
Stapel betuigde spijt in een door de NOS uitgezonden verklaring: ‘Ik heb gefaald als wetenschapper’.

We ontmoeten elkaar op een herfstdag in het Amsterdamse etablissement Lion Noir. Via een smeedijzeren wenteltrap kom je in een zaaltje vol tafels bedekt met wit linnen. Siervogelkooien bungelen aan het plafond. De lege ruimte vult zich al snel met Stapels woorden. Hij is nog steeds woedend als het rapport ter sprake komt, nog het meest over de analyse van zijn psyche.

‘Ik ben geen kille machtswellusteling,’ zegt hij, ‘en ook geen gewetenloze manipulator. In elk geval niet dat ik weet. Misschien ben ik zo overgekomen, want ik ben groot en charismatisch, en ik was de baas, maar dat is echt nooit intentioneel gebeurd. En het is toch ook echt in the eye of the beholder hoe je overkomt.’ Een aantal aio’s heeft wel ‘prettig’ met hem gewerkt, vervolgt hij. Daarover hebben ze uitgebreid aan de commissie-Levelt verteld. ‘Maar hun ervaringen zijn uit het rapport weggelaten. Sterker nog: als ze begonnen over de prettige samenwerking, werd hun de mond gesnoerd. Daarover hebben ze uitgebreid in Trouw verteld. Over sloppy science gesproken. De commissie-Levelt maakt met haar rapport de klassieke Stapel-fout: veel verhaal, weinig data. Het deugt niet, maar er zijn weinig wetenschapsjournalisten die daarover willen schrijven. Dat soort randverschijnselen vinden ze oninteressant: het gaat om man en paard, niet om de manege, de stal en het hooi. En daarbij: je zal Stapel maar goedpraten hè.’

In zijn boek Ontsporing vertelt Stapel hoe hij verslaafd raakte aan applaus en mooie antwoorden. Hij beschrijft de wetenschappelijke wereld als een miljoenenbedrijf waarin je jezelf voortdurend moet marketen onder een hoge publicatiedruk. Toen hij eenmaal ontdekt had dat je als psycholoog met ‘snelle, loze, trendy’ onderzoeken de grootste kans op publicatie en roem maakte, ging hij al zijn energie daarop richten. ‘Ik vond het applaus heerlijk,’ schrijft hij, ‘niet alleen in de loopgraven van de publicatieoorlog maar ook in de collegezaal. Het gaf mij het gevoel dat ik de moeite waard was. Maar het ging me ook om de antwoorden. Van het schrijvend puzzelen aan sociaal-psychologische fenomenen raakte ik high. Dan was ik degene die aan de knoppen draaide, had ik even maximale controle. Even was de wereld mooi en overzichtelijk.’ Steeds vaker sloot hij zich met zijn experimenten op. Die solitaire werkwijze maakte het later heel makkelijk om te frauderen. ‘Niemand controleerde me, mensen vertrouwden me.’

Stapel opereerde lang in een ‘grijs’ gebied, schrijft hij in zijn boek. ‘Ik kreeg al vroeg in mijn carrière een aantal onderzoekstechnieken goed onder de knie waardoor de slagingskansen van mijn experimenten omhoog sprongen. Het applaus dat ik ermee oogstte was heerlijk, heerlijk, heerlijk. Ik raakte eraan verslaafd. Daarna bekwaamde ik mij in technieken die matige resultaten konden oppompen.’

Stapel: 'Ik heb aangetoond dat de wetenschap niet onfeilbaar is, heb een heilig huis ingetrapt, en dus moet ik verdwijnen. Terecht. Maar door Diederik uit te gummen is het probleem niet weg. De wetenschap faalt voortdurend.'
Stapel: ‘Ik heb aangetoond dat de wetenschap niet onfeilbaar is, heb een heilig huis ingetrapt, en dus moet ik verdwijnen. Terecht. Maar door Diederik uit te gummen is het probleem niet weg. De wetenschap faalt voortdurend.’

Data manipuleren werd de volgende stap. ‘Het grijs werd steeds donkerder zwart. Ik kon de resultaten toch best een beetje aanpassen? Toen ik mijn gemanipuleerde resultaten zag was ik opgelucht. De wereld was weer logisch en ik was niet voorbijgestreefd door internationale wetenschappers die wel succesvol met hetzelfde onderzoek bezig waren.’ Hij had haast om zijn middelmatigheid te overstijgen, zegt hij. ‘Ik was niet eeuwig jong en veelbelovend.’

Toen hij een tijd lang geen succes met zijn experimenten had en ‘al’ een jaar niets gepubliceerd kreeg, ging hij nog een stap verder. ‘Ik was bang dat ik het veld moest ruimen en ben resultaten gaan verzinnen. Eerst deed ik nog drie experimenten en bedacht ik er één, daarna deed ik één experiment echt en bedacht ik de rest. Uiteindelijk verzon ik hele experimenten, onderzoeken en onderzoeksgegevens bij elkaar. Mijn scoringsdrift beheerste mij totaal, ik was een junk geworden. Het was nooit genoeg.’

In het openingshoofdstuk van Ontsporing rijdt de hoogleraar bezeten en bezweet door het land op zoek naar locaties in universiteitsgebouwen waar hij zijn gefingeerde onderzoeken kan situeren. Hij gooit stapels vragenlijsten in papierbakken en zit avonden achtereen achter zijn laptopje verzonnen, aan de eindresultaten aangepaste data ‘in te kloppen’. Wekenlang rijdt hij rond in zijn auto, de achterbak volgeladen met zakjes M&M’s voor zijn proefpersonen in een onderzoek naar de relatie tussen kapitalisme en overconsumptie. Uiteindelijk eet hij die allemaal zelf op.

Speelde uw geweten nooit op?

‘In het begin nog wel, maar naarmate ik me verder afsloot van anderen en me van mijn omgeving onthechtte, werd ik normlozer en gevoellozer. Ik heb in die tijd zelfs een cursus beroepsethiek aan studenten gegeven waarin ik alle dilemma’s schetste waarmee ik elke dag te maken had en waarin ik steeds de verkeerde keus maakte. Ik wilde ze behoeden voor wat er bij mij fout ging. Ik had nog maar één doel voor ogen: scoren. Het werd een obsessie. Ontsnappen ging niet meer, ik zat er te diep in.’

Hij neemt een slok thee en kijkt peinzend. Het is alsof hij in die paar seconden besluit dat hij het boetekleed nu even mag uittrekken. ‘Natuurlijk ben ik zelf verantwoordelijk voor mijn daden,’ zegt hij, ‘maar wat niemand lijkt te willen horen is dat ik ook onderdeel was van een ziekmakende cultuur van publicatiedruk en doorgeschoten individualisme. In mijn boek ga ik uitgebreid in op die toxische combinatie van mijn persoon en omgeving.’

‘Weet je, ik weiger in rook op te gaan, dat doe ik gewoon niet’

De universiteit had hem ook intern kunnen straffen, vindt hij, ‘zoals ze vaker met fraudeurs doen’, en hem drie jaar lang langs alle universiteiten kunnen sturen om over zijn fraude te vertellen. ‘Maar de universiteit heeft me afgestoten en er alles aangedaan om me publiekelijk aan de schandpaal te nagelen en te verguizen met eindeloze persconferenties, updates en de strafzaak. Want als het kwaad blijkt te zijn binnengeslopen is het het veiligst om te doen alsof het niet een van ons is, alsof het niet echt is. Het kwaad is geen mens maar een monster. Maar het kwaad is menselijk. De universiteiten dehumaniseren mij zodat ze niet naar zichzelf hoeven te kijken, of daar misschien ook iets fout zit.’

Maar een belangrijke conclusie van het rapport-Levelt is toch juist dat de sociale psychologie gefaald heeft?


‘Ja, maar sinds mijn fraude is er nauwelijks culturele verandering in het wetenschappelijke bedrijf gekomen. Het werkt nog steeds volgens de principes van dig and deliver en publish or perish, terwijl het om inhoud en groepsgevoel zou moeten gaan. De kranten staan er vol mee. Ik droeg het masker van de succesvolle wetenschapper, maar ik was niet de enige. We hielden elkaar voor de gek in de race om publicaties. Twijfel uitte je niet. We zijn doorgeschoten in het beoordelen van individuele prestaties onder een immense druk. Voor veel wetenschappers ben ik een confrontatie met hun systeem. Ik heb aangetoond dat de wetenschap niet onfeilbaar is, heb een heilig huis ingetrapt, en dus moet ik verdwijnen. Terecht. Maar door Diederik uit te gummen is het probleem niet weg. De wetenschap faalt voortdurend. Er wordt elke dag gerommeld. Sinds ik weg ben uit de wetenschap zijn er veel nieuwe gevallen van fraude en gesjoemel aan het licht gekomen.’

De ex-hoogleraar vindt dat hij inmiddels genoeg is gestraft. Hij somt op: hij heeft zijn fraude meteen bekend, zijn ontslag geaccepteerd en meed publiciteit tot het rapport er was. ‘Ik heb in stilte meegewerkt aan het onderzoek en vrijwillig mijn doctorstitel ingeleverd. De sociale afranseling is vreselijk. Maar nu wil ik door.’

Kunt u gelukkig zijn zonder applaus?

‘Ja natuurlijk, heerlijk! Ik zit niet meer in die omgeving dus ik ben er helemaal vanaf.’

Waarom zoekt u nu weer de publiciteit op?

‘Ik wil niet per se in de spotlights, het is een noodzakelijkheid. Ik heb een stigma op mijn voorhoofd, een litteken. Niemand gaat zijn best voor me doen als ik in de luwte blijf en het beeld niet bijstel. Dan is het einde verhaal. Met leningen, spaargeld en het salaris van mijn vrouw kunnen we het een tijd uitzingen, maar het geldtekort wordt steeds nijpender. Ik heb een gezin te voeden, ik zoek werk. Wat is het alternatief?!’

U zou kunnen gaan werken in een omgeving waar uw naam er minder toe doet?

‘Heel graag. Maar als het betekent dat ik ergens ver weg in het buitenland tien jaar lang werk moet doen dat niet bij me past, waar niemand op zit te wachten en dat ik eigenlijk niet kan, dan is het toch een soort dwangarbeid. Dat is de Siberië-route: hij moet in een vieze Chinese fabriek aan het werk. Hij moet in een kelder. Hij moet weg! Het is ook kapitaalvernietiging, want de maatschappij heeft heel veel in mij geïnvesteerd en mijn meerwaarde ligt niet in werken in een kopermijn of een Chinese fabriek. Dan kan ik beter mijn talenten inzetten en schrijven, lesgeven, coachen of adviseren.’

Heeft u al veel sollicitatiebrieven geschreven?

‘Ja, heel veel, maar het is heel moeilijk. Ik probeer mijn netwerk uit te breiden, maar dat gaat moeizaam. Tegen al die mensen die schrijven dat ik tien jaar mijn mond moet houden en moet onderduiken, zeg ik: “Show me the money!” Ik wil best stil zijn maar ik moet wel ergens van leven. Als je me zes ton geeft zijn we klaar, dan hoor je niets meer van me. Het is dat we ons huis door de crisis niet kwijtraken, anders zat ik nu allang met mijn gezin in Argentinië.’

Hij valt even stil. ‘Weet je, ik weiger in rook op te gaan, dat doe ik gewoon niet. Al die mensen die je dwingen in de luwte te blijven zeggen eigenlijk: je moet dood. De luwte voelt als de doodstraf, ik mag niet bestaan. Maar zie: ik besta. Sorry, maar ik besta.’

Wat doe ik hier?

Het gevoel ‘hier’ niet te mogen zijn is niet nieuw voor Stapel. Op zijn negende lag hij al nachten naar het plafond te staren terwijl die ene vraag maar door zijn hoofd bleef razen: wat doe ik hier?

‘Ik vond het leven toen al zinloos en begreep niet waar het naartoe ging. Kennelijk moest ik naar school zodat ik naar de universiteit kon waar ik iets ging leren om de tijd door te komen tot mijn dood. Het beangstigde me enorm. Ik hoopte dat die gevoelens zouden verdwijnen, maar ze werden alleen maar heviger.’

Presteren kreeg hij met de paplepel ingegoten in het ‘cerebrale’ gezin in Oegstgeest waar hij opgroeide. Hij was de jongste van twee broers en een zus, de nakomeling. Zijn vader was directeur van Schiphol, zijn moeder huisvrouw. ‘Je moest goed kunnen redeneren en discussiëren aan tafel. Voor emoties was minder ruimte, zoals wel vaker bij die generatie ouders. Ik kreeg het gevoel dat presteren belangrijker is dan wie je bent. Of anders gezegd: dat je bent wat je presteert. Maar ik had al vroeg door dat ik geen Mozart was, ik kwam niet eens in de buurt van Salieri.’

Hij was een heel sociaal vaardig kind, vertelt hij. ‘Maar niet van nature, of omdat ik het wilde. Ik was me zeer bewust van mijn effect op anderen en zag hoe handig het was om bijvoorbeeld aardig te zijn en een compliment te geven. Het werd een tweede natuur, het hielp me vooruit. Nu wordt het in het Levelt-rapport tegen me gebruikt, ben ik de grote manipulator. Terwijl ik gewoon graag aardig ben en het mensen naar de zin maak. Te graag misschien, maar dat is toch net wat anders.’

Hij wilde heel graag acteur of regisseur worden, schreef als twintiger toneelstukken en filmscripts, maar koos toch voor een universitaire studie. ‘Mijn dromen liet ik na een flinke worsteling varen omdat ik mezelf niet goed genoeg vond en geen lef had. Ik heb mezelf richting de sociale- en organisatiepsychologie geduwd omdat het trendy was en er geld mee te verdienen viel. Ik moest en zou maatschappelijk slagen. Verschrikkelijk.’

Wrakhout

Als wetenschapper sloeg het gevoel van zinloosheid in alle hevigheid toe. Hij wilde de chaos behapbaar maken, vertelt hij. ‘Door mijn experimenten werd de wereld mooier en logischer. Als wat ik had voorspeld niet helemaal uitkwam, veranderde ik het. Ik maakte van een redelijk echt onderzoek een schitterend fake onderzoek om te bewijzen dat kunst goed is voor ons welbevinden omdat ik het zo ervaar. Meer dan wie dan ook wilde ik laten zien: zo zit het leven in elkaar. Maar de wetenschap is niet geschikt voor het beantwoorden van zingevingsvragen. Wetenschap ontrafelt de structuren van het leven, maar geeft het leven daarmee nog geen zin. Dat is mijn grootste verwarring geweest: dat ik de wetenschap probeerde te gebruiken als een stuk wrakhout om het leven zin te geven, om niet te verdrinken in de woelige zee van het bestaan.

Echt veel houvast heeft de wetenschap hem nooit gegeven. Stapel dobbert tegenwoordig liever op een ander stuk wrakhout: de verbeelding. ‘Ik kan moeilijk leven in deze absurde wereld, het leven is rauw en onbarmhartig.’ Wat maakt het zo rauw? ‘Het is allemaal toeval, los zand, je moet jezelf steeds weer opnieuw bedenken, ervaren. Ik voel chaos en leegte, ben steeds weer op zoek naar structuur, naar warmte.’

Geagiteerd: ‘Het leven is niet te kanen, ik krijg het niet naar binnen! Ik ben op een punt gekomen dat ik dacht: ik doe het gewoon niet, ik kap ermee. Maar ja, als je niet eet ga je dood. Daarom móét ik suiker aan de kale realiteit toevoegen, alleen dan krijg ik het naar binnen. Mijn suiker is mijn fantasie, mijn creativiteit. Dat heb ik nu geleerd. En omdat ik me er altijd bewust van ben geweest dat het leven een zinloze puinhoop is, heb ik veel, heel veel suiker moeten toevoegen om er iets van te maken, om iets van mezelf te maken. Ik had mezelf met allerlei façades en hulpconstructies geconstrueerd tot de succesvolle wetenschapper. Ik was een illusie.’

‘Ik heb het gevoel dat ik door mijn taakstraf nog verder van de maatschappij ben verwijderd’

Toen zijn fraude aan het licht kwam, stortte ‘dat kaartenhuis, wie ik ben’ in elkaar. Met een depressie tot gevolg. Stapel kwam in een ‘tunnel van mentaal isolement’ waarin hij zich verder van iedereen onthechtte, uiteindelijk ook van zijn vrouw en kinderen. ‘Ik voelde dat ik iedereen tot last was en zag maar één oplossing: verdwijnen, dood gaan.’ Een psychiater schreef hem pillen voor, een vriend liet hem aan zijn vrouw beloven dat hij geen zelfmoord zou plegen. Met een therapeut raapte hij de brokstukken van zijn leven op. ‘Er was weinig meer van me over,’ zegt hij. ‘Maar wel iets. Wat is dat dan, vroeg ik me af, en is het genoeg om voor te leven? Mensen zeggen: de liefde van je vrouw en kinderen is de suiker, daar gaat het om. Maar voor mij is dat amper voldoende, ben ik gaan beseffen, hoe cru het ook klinkt.’

Waar het dan om gaat? ‘Om verbinding. Dankzij mijn therapeut ging de knop “voelen” weer aan. Ik kan nu ontroerd raken als ik naar mijn vrouw of dochters kijk. Laatst zag ik op televisie een vrouw op een vuilnisbelt in India naar eten zoeken. Je zou kunnen denken: maak er een eind aan, wat een geploeter; waarom? Maar ze doet het niet, ze gaat gewoon door! Die uitzonderlijke levenskracht ontroert me. Ik heb daar veel respect voor. Ik put troost uit het beeld van Sisyphus die steeds weer de omlaag rollende steen de berg op duwt. Je moet gewoon doorgaan.’

Graven ruimen

De wereld van de wetenschap, inclusief zijn wetenschappelijke vrienden, is weggevallen, op een enkeling na. Zijn vrouw met wie hij sinds zijn zeventiende samen is steunt hem door dik en dun. Zij werd verliefd op de jongen die vragen stelde en boeken las, vertelt Stapel, niet op de hoogleraar met antwoorden. ‘Je bent in de war, Diederik, heeft ze tegen me gezegd. Je hebt fouten gemaakt. Maar als mens deug je.’

Ze heeft het zwaar, net als zijn kinderen. ‘Maar ze zijn heel sterk, en lief en assertief als iemand hen op mij aanspreekt.’

Zijn ouders lijden nog elke dag. ‘Dat heb ik ze nooit aan willen doen. Mijn moeder is tien jaar ouder geworden. Ze vraagt zich steeds weer af hoe het heeft kunnen gebeuren. Dan bedenkt ze redenen waarom het niet aan mij lag, dat wat ik deed normaal is, of zelfs goed. Veel van je onderzoeken waren wél goed, zegt ze dan. Mijn prestaties blijven belangrijk voor haar. Ik zou het liefst horen: “Diederik, wat je ook doet, we houden van je.” Maar ze wil eigenlijk dat het niet is gebeurd. Haar idee is natuurlijk dat ik geen slecht mens ben. Ze probeert van een rode cirkel een groen vierkant te maken. Dat is de manier waarop ze van me houdt. Maar die rode cirkel is er nu eenmaal. Die kan ze niet ontkennen.’

Zijn taakstraf zit er bijna op. Hij moest honderdtwintig uur graven ruimen en bladeren harken op een kerkhof in Tilburg met andere mannen, vaak ex-gedetineerden. Op een foto laat hij zijn kruiwagen vol aarde, beenderen en twee schedels zien. ‘Uit literair oogpunt was het interessant om daar te ploeteren tussen die andere mannen die volgens de maatschappij niet deugen,’ zegt hij. ‘Maar het was toch vooral heel droevig. Ik heb het gevoel dat ik door mijn taakstraf nog verder van de maatschappij ben verwijderd.’ Met zijn taakstraf is na tweeënhalf jaar het laatste staartje van alle onderzoeken en vervolgingen afgewikkeld. De toekomst lonkt.

Ongemakkelijke mensen

‘Verhalen vertellen, de levenskracht van anderen onderzoeken, de inspiratie vieren’, dat is wat Diederik Stapel nu wil. Hij richt er al zijn energie op. Hij schreef zich in als consultant bij de Kamer van Koophandel en bouwde een website. Je kunt hem inhuren als chauffeur voor een ‘zinrit’, waarin hij een inzicht gevend gesprek voert, of als organisatieadviseur, of als spreker: wat kunnen mensen leren van zijn ontsporing? Hij wil mensen wijzen op de kracht van verbeelding en creativiteit. ‘Verbeelding maakt het leven de moeite waard en is essentieel voor verandering en innovatie. Zonder verbeelding komen we de crisis niet door.’ Maar de mensen staan vooralsnog niet in de rij voor een inzicht of ‘ervaringsadvies’ van Stapel.

Gelukkig staan er mensen op die me de hand reiken, zegt hij. Met schrijver Anton Dautzenberg, die het eerder ook opnam voor pedofielenvereniging Martijn, werkt hij aan een roman in brieven. Voor hun theatervoorstelling De Fictiefabriek, over het belang van fictie, hadden ze een impresario weten te enthousiasmeren. ‘Maar de meeste schouwburgdirecteuren willen ons vanwege morele overwegingen niet op het podium. Ongemakkelijke mensen, gekke mensen en falende mensen horen niet in het theater thuis, is hun mening. Terwijl onze voorstelling helemaal niet over fraude of pedofilie gaat, integendeel.’

Dan schrijft hij nog met een vriend het boek De Bourgeois, De Rebel en De Leegte. Hij is natuurlijk de bourgeois, zegt hij niet zonder zelfverachting.

Onlangs had hij zijn eerste publieke optreden in de trein van Den Bosch naar Breda. Op verzoek van de Maastrichtse TedX vertelde hij tijdens deze ‘Braintrain’ hoe hij verblind was geraakt door prestatiedrift en pleitte hij voor verbinding. ‘Ik was zenuwachtiger dan ooit, maar de mensen waren heel positief. Ik hield een bescheiden verhaal met een bescheiden boodschap. Niet meer het tromgeroffel van vroeger. Dat is voorbij. Binnenkort houd ik een soortgelijk, maar dan subtieler verhaal tijdens de Preek van de Loser in de Amsterdamse Singelkerk.’

 ‘Zij hebben gezegd: “Diederik, we hebben er niets aan als je sorry sorry sorry blijft zeggen en zelfmoord pleegt. Sta op en laat zien dat je persoonlijkheid hebt!”
‘Zij hebben gezegd: “Diederik, we hebben er niets aan als je sorry sorry sorry blijft zeggen en zelfmoord pleegt. Sta op en laat zien dat je persoonlijkheid hebt!”

Denkt u nog wel eens aan uw promovendi?

‘Jajajaja…’ Lange stilte, kijkt weg. ‘Specifieke mensen komen geregeld in mijn hoofd op. De pijn die je hebt veroorzaakt is niet weg. Maar je moet ermee leven, anderen ook. Soms zoeken mensen mij op en dan…’

Ineens: ‘Iedereen moet door! Ik, maar ook de mensen die last van mij hebben gehad, iedereen! En ze gaan ook door, hoe boos en verdrietig ze ook zijn. Ik ben onder de indruk van hun kracht. Daarom irriteert het me zo dat het rapport-Levelt en de media hen als slachtoffers neerzetten, zo van: hun carrières zijn voor eeuwig geschaad en het komt nooit meer goed met ze. Hoe weten ze dat zo zeker? Kunnen ze de toekomst voorspellen? Waarom uitgaan van het rampscenario? Het is zo sensationalistisch, zo stigmatiserend. Zonde.’

Ik vroeg of u nog aan die mensen denkt.

Armen over elkaar, afgeweerd: ‘Ja, heel veel, ik denk elke dag aan ze. Maar dat beeld dat van ze is neergezet, dat…’

Nu begint u weer over het rapport.

‘De aio’s zijn verdergegaan, op allerlei manieren. Hun leven houdt niet op. Je zegt toch ook niet tegen ouders van misbruikte kinderen dat het nooit meer goed komt, wat hebben die mensen daaraan? Waarom de toekomst op zijn somberst afschilderen, terwijl je ook kan proberen haar ten goede te keren. Het is pervers. Als je vindt dat mensen slachtoffer zijn, help ze dan, luister dan naar ze, neem hun vragen en grieven serieus. Wuif hun kritiek niet weg. Het had ook andersom gekund. Ze hadden kunnen denken: deze mensen hebben pijn en we gaan er alles aan doen om de boel te repareren en hun toekomstperspectief te verbeteren.’

Het is heel lang stil. ‘Mijn vrienden en familie hebben me vergeven,’ zegt hij dan. ‘Zij hebben gezegd: “Diederik, we hebben er niets aan als je sorry sorry sorry blijft zeggen en zelfmoord pleegt. Sta op en laat zien dat je persoonlijkheid hebt!” Mijn kinderen zijn ook blij als ik uit mijn bed kom en een mooi overhemd aantrek in plaats van een smoezelige trui. Als ik huilend in een hoek blijf liggen kan ik beter gewoon dood. Ik moet door. De vergeving van mijn gezin en ex-collega’s en de promovendi die ik nog spreek heeft uiteindelijk tot zelfvergeving geleid. Dat blijft moeilijk, zeker als ik word geconfronteerd met de consequenties van mijn handelen. Dan slaat de zelfhaat toe. Maar je móét jezelf vergeven, anders kun je gewoon niet verder. En of ik goed of slecht ben, dat zien we straks wel aan de hemelpoort.’

Meer lezen van Carolina Lo Galbo? Lees hier haar interview met Kamagurka of lees hier haar interview met Nico Meijering, topadvocaat van de onderwereld.