Vlieg er niet in
Zo vrij als een vogel, over daken en heuvels – iedereen heeft in zijn dromen wel eens gevlogen. De meesten laten het daarbij. Maar bij sommigen blijft het gevoel hangen. Ze willen ook overdag vliegen en beginnen plannen te smeden om de droom werkelijkheid te laten worden: ze begeven zich op het gladde ijs van de vliegsport.
Daar stond ik, zestien jaar oud, op het ijskoude zweefvliegveld in de duinen. De instructeur verzocht mij plaats te nemen in het spartaanse voorste stoeltje van een kist die eruit zag of er tijdens WOII nog Luftwaffe-kadetten op hadden getraind. Ik zat er niet eens heel erg naast: de eerbiedwaardige Schleicher Ka-4 Rhönlerche II, door de clubleden kortweg ‘de Rhön’ genoemd, was een Duits ontwerp uit 1955.
Nadat ik mij had ingesnoerd nam de instructeur achter mij plaats. Iemand bevestigde een stalen kabel onder aan de kist. Een ander tilde een vleugeltip uit het gras, maakte wat cryptische handgebaren, en daar stuiterden we dan over het knollenveld totdat een laatste kuil ons de winterlucht in lanceerde. De Rhön hing sterk achterover en kraakte deerlijk. Geleidelijk kwam de horizon weer in beeld en met een droge klap schoot het toestel van de kabel. ‘Maak maar eens een linkerbocht,’ zei de instructeur. Ik bewoog de knuppel naar links en de Rhön volgde traag. Nadat het toestel scheef genoeg lag, sprak de instructeur: ‘Nu tegensturen.’ Zo leerde ik dat je in een vliegtuig in een linkerbocht naar rechts stuurt en andersom. ‘En vergeet je voetenstuur niet, want onze neus wijst al niet meer in onze vliegrichting.’ Zo leerde ik dat (de meeste) vliegtuigen twee sturen hebben tussen welke je een delicaat evenwicht dient te handhaven.
De instructeur nam de stick over en scheerde over de boomtoppen behendig terug naar de groene postzegel waar wij geacht werden te landen. De hele les had krap vijf minuten geduurd.
Vastgebonden zitten in een vliegende doodskist van ijzeren buizen en doek leek weinig op de vliegervaringen in mijn dromen. Toch heb ik de routine van vijf minuten vliegen en uren lummelen tot de volgende les, die dan op het laatste moment geannuleerd werd wegens verslechterd weer, waarna je nog uren al het materiaal stond op te ruimen, nog twee jaar volgehouden. Daarna volgden talloze lessen in heuse Cessna’s, op ultralights en onder fragiele paragliders. Het bezit van een eigen toestel (een deltatrike) deed definitief het besef indalen dat vliegen geen droom is, maar een hele hoop peperduur gelazer.
Kortom: doe het niet. Maar als ik u niet overtuigd heb, weet dan dat vliegen altijd begint met een checklist:
Heeft u weinig geld?
Door de introductie van moderne materialen is vliegen heel betaalbaar geworden.
Verreweg het goedkoopst is paragliden: zweefvliegen onder een soort bestuurbare parachute. Dankzij zogenaamde termiekbellen van opstijgende lucht kun je er in principe heel lange vluchten mee maken. Nadeel voor Nederlanders is dat starten vanaf een hoge berg het handigst is. Wel wordt er hier op mooie dagen ‘gelierd’, waarbij je zoals de Rhön aan een staalkabel omhoog wordt getrokken. Nadeel is dat je moet wachten tot iemand zo’n lierdag organiseert, die bovendien meestal diep in de provincie plaatsvindt.
Wie geen zin heeft in wachten en gedoe, kan paramotorvliegen overwegen: paragliden met een motor op je rug, wanneer je maar wilt, vanaf het strand of een veldje in de buurt. Wie op Marktplaats scherp inkoopt, is airborne voor zo’n drieduizend euro. Er zijn ook varianten met wielen en een stoeltje (paratrikes), maar daarbij lopen de duizendjes rap op.
Heeft u veel geld?
Dan kan vliegen een uiterst kostbare hobby worden. Zo vliegt John Travolta voor de lol rond in een Boeing 707, een uiterst dorstige antieke jet. Maar ook veel bescheidener toestellen kunnen een stevige deuk in uw vermogen slaan. Zo kom ik op de website Koop-vliegtuig.nl een Pipistrel Virus SW uit 2011 tegen. Dat is een heel fijn tweepersoonstoestel in de ultralight-klasse, en dat mag wat kosten: 98.000 euro. Aan een tien jaar oudere Virus hangt een prijskaartje van nog altijd 58.000 euro. Verliest u daarbij niet de kosten van stalling en onderhoud uit het oog.
Bent u sociaal?
Als uw budget beperkt is en het vooruitzicht onder een flapperende paraglider een ravijn in te springen u minder aanspreekt, dan kan samenwerken interessant zijn. Vliegtuigen worden vaak samen gekocht, door groepjes hobbypiloten. U kunt wel raden waar dat op uitdraait: als eindelijk een keer de zon schijnt, is het vechten om de kist.
Op vliegclubs, de goedkoopste optie, kan het er ook grimmig aan toe gaan. Van de leden wordt niet alleen verwacht dat ze vliegen, maar ook dat ze de toestellen, het clubhuis, de hangar etc. etc. onderhouden, kortom hun huwelijk inruilen voor hun hobby. Niet alle leden zien dat zitten, met scheve ogen, roddel en ander venijn tot gevolg.
De paraglider daarentegen heb je ingepakt nog voordat op het terras naast het landingsveld je eerste welverdiende pint wordt neergezet.
Bent u handig?
Aan alle vliegtoestellen (op paragliders na) gaat altijd alles snel stuk. De weinigen die ze kunnen repareren, hanteren schandalige tarieven. Linkerhanden zijn dus kostbaar in deze hobby. Maar voor wie wél kundig sleutelt, zijn er al vanaf vijfduizend euro aardige opknappertjes in de ultralight-klasse te vinden.
Houdt u van procedures?
Nee? Piloten wel. Die zijn dol op checklists, vluchtplannen, logboeken en andere pennenlikkerij. Ze leggen hierin een welhaast robotachtige volharding aan de dag. Ook bij hobbypiloten wordt deze folklore er van meet af aan ingestampt door de instructeur, meestal een potentaat die eigenlijk professioneel piloot had willen worden of erger: er inderdaad een is. Ieder vluchtje móét genoteerd: dag, uur, duur, bijzonderheden, getrainde manoeuvres, plus de handtekeningen van alle betrokkenen.
Bent u verstrooid of slordig?
Concentreer u dan voorál op de procedures! Slordigheid leidt in de vliegsport tot rampen. De bekende hobbypiloot Wubbo Ockels vergat eens toestemming te vragen aan de toren alvorens de landing in te zetten. Koud op de landingsbaan werden de vleugels van zijn sportvliegtuig geplet door de wielen van een aanstormende Airbus. Ockels kwam met de schrik vrij.
Bent u een thrill-seeker?
Vliegen is, als je het eenmaal kunt, niet heel spannend. Adrenalinejunks nemen daarom vaak hun toevlucht tot meer riskante vormen van vliegen zoals ‘soaren’: met een paraglider (of zweefvliegtuig) rakelings heen en weer vliegen langs de duinrand, op sommige dagen mogelijk gemaakt door harde zeewind die frontaal op de duinen botst. Met paragliders wordt ook halsbrekend gestunt.
Spannende zweeftoestellen zijn de hanggliders. Dit zijn deltavormige vleugels die, opgevouwen in een langwerpige zak, bovenop de auto naar de startplaats worden gebracht. Eenmaal geassembleerd maakt de vliegenier zich vast, betreedt een treeplank die boven een ravijn hangt en springt. Hij stort in de diepte tot de vleugel dankzij de toenemende snelheid genoeg lift heeft voor een meer horizontale koers. De landing met zo’n ding is vanwege de relatief hoge snelheid (ten opzichte van een paraglider) eveneens tamelijk link. Wie dit spectaculaire gebeuren zelf eens wil observeren, moet naar Bassano del Grappa gaan, waar op drukke dagen honderden para- en hanggliders tegelijkertijd in de lucht zijn terwijl ondertussen de sirenes van de hulpdiensten loeien.
Bent u sportief?
Het besturen van een vliegtuig als de voornoemde Virus vergt geen speciale kracht of behendigheid. Dat ligt anders bij budgetvliegen. Een paramotor weegt makkelijk vijfentwintig kilo en daar komt de brandstof nog bij. Trek daar op een windstille dag maar eens een sprintje mee.
Paragliding in de bergen vereist vooral souplesse en coördinatie. Vooral de start is minder veilig voor klunzen en stijve harken (hoewel ik zelf nog leef). Een sportieve vliegmachien die veilig is voor relatieve krukken, is de deltatrike. Het is het gemotoriseerde broertje van de hangglider, met wielen en een (of twee) stoel(en). Ze zien er stoer en outdoor uit, maar zijn zo mak als een bejaard trekpaard.
Bent u vrijheidslievend?
Onze overheid doet álles om kleine luyden het vliegen te ontmoedigen. Wie een vliegtuigje heeft, bezit kilo’s papier afkomstig van de gevreesde instelling die Inspectie Vliegbeheer heet. Iedere klinknagel in uw toestel is aan een vergunning onderhevig. Ook verplicht de staat iedereen een zware en peperdure transponder mee te nemen zodat u te allen tijde kunt worden getraceerd. Starten en landen mag bijna nergens. Alles moet op de schaarse officiële veldjes. Boeren is niet toegestaan een zakcent bij te verdienen door een weiland te verhuren, zoals in buurlanden gewoon is. Zelfs wie met zijn paraglider van een duin af springt voor een minivluchtje, ziet spoedig Bromsnor naderen.
Bent u een romanticus?
Begin er dan niet aan. Want geloof: in de bergen wandelen, genieten van geuren en vergezichten, van flora en fauna, is een verfijndere ervaring dan met het pistool tegen het hoofd checklists afwerken op een overbevolkte startplaats.
Al blijft het kriebelen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.