Het kabinet blijft miljarden steken in ‘topsectoren’. De meeste economen en de Rekenkamer zien er niets in. Maar niets doen is ook geen optie. Wat dan wel?

Eindelijk stond er weer eens een vrolijk bericht op de economiepagina’s. ASML, de grootste fabrikant van chipmachines ter wereld, begint dit najaar een onderzoeksinstituut voor nanolithografie in Amsterdam.

Met die technologie kunnen chips nog veel kleiner en sneller worden dan ze nu al zijn. ‘Dit instituut moet de iPhone 12 mogelijk maken,’ zo stelde Jos Benschop, bij ASML verantwoordelijk voor technologie. Het bedrijf werkt samen met de Universiteit van Amsterdam, de Vrije Universiteit en diverse andere organisaties, zoals de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Het is een serieuze investering in een serieus instituut: honderd miljoen euro voor tien jaar onderzoek. Ook de gemeente Amsterdam, het rijk en Europa betalen mee. ‘Dit is een investering die we over tien jaar dubbel en dwars terugverdienen,’ stelde de Amsterdamse wethouder van Economische Zaken Carolien Gehrels (PvdA). Minister Henk Kamp van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie zei in het begeleidende persbericht precies de dingen die ministers bij zo’n feestelijke aankondiging horen te zeggen. Het is een ‘belangrijke impuls voor het topsectorenbeleid’ en: ‘Met dit instituut kan ASML de groeiende concurrentie aan en zijn wereldwijde marktpositie verder versterken.’

Het is typische persberichtentaal, die het voor lezers niet altijd makkelijk maakt om de eindstreep te halen. Maar voor wie doorleest, vallen toch een paar interessante zaken op. ASML wordt overal in het persbericht als eerste van de partners genoemd, maar betaalt slechts dertig van de honderd miljoen die het instituut kost. Alle andere geldschieters (Amsterdam, universiteiten, NWO, Europese potjes) worden uiteindelijk door de belastingbetaler betaald en zijn goed voor zeventig miljoen euro. Eén muisklik verwijderd van het trotse persbericht staan de kerncijfers van ASML. Het is een bedrijf dat vorig jaar op een omzet van 4,732 miljard euro een kloeke nettowinst maakte van 1,146 miljard euro en 589 miljoen euro investeerde in onderzoek en ontwikkeling. Die dertig miljoen euro – drie miljoen per jaar – past dus in een holle kies van de chipmachinefabrikant. Die zeventig miljoen van de overheid trouwens ook.

Chipmachinefabrikant ASML betaalt niet veel mee. Foto: ASML
Chipmachinefabrikant ASML betaalt niet veel mee. Foto: ASML

De wereld veroveren

Dat er een nieuw topinstituut komt voor onderzoek naar nanotechniek is natuurlijk goed nieuws. Iedereen die de afgelopen jaren de ontwikkelingen in de wetenschap een beetje heeft gevolgd, weet dat nanotechnologie een van de meest veelbelovende onderzoeksterreinen is. En uiteraard moeten wetenschap en bedrijfsleven samenwerken. Maar het nieuws roept ook vragen op. Waarom moet de belastingbetaler zeventig procent van de rekening betalen? Daarachter zit een meer principiële vraag: waarom subsidieert de overheid eigenlijk bedrijven? Zeker als het om rijke bedrijven gaat? Het kabinet bezuinigt keihard op vrijwel alle terreinen: zelfs kerntaken van de overheid, zoals de AIVD, gevangenissen en het Openbaar Ministerie, zijn niet veilig. En ook kwetsbare groepen, zoals chronisch zieken, moeten fors inleveren. Waarom dan met gulle hand geven aan bedrijven die zich ook zonder steun prima kunnen redden? Dat is in deze barre tijden een nogal relevante vraag voor sociaal-democraten én liberalen.

De meningen over het nut van dit soort subsidies voor bedrijven zijn sterk verdeeld. Het kabinet gelooft er heilig in. De meeste economen vinden het zinloos, veel andere wetenschappers maken zich ernstig zorgen over de gevolgen die het heeft voor fundamenteel onderzoek – dat wil zeggen, de zuivere wetenschappers die op zoek zijn naar kennis zonder dat het toepasbaar hoeft te zijn. Ook de Rekenkamer toonde zich in zijn laatste rapport zeer kritisch over het Haagse innovatiebeleid van de laatste tien jaar. Dat beleid was door de steeds wisselende kabinetten de afgelopen jaren niet altijd even makkelijk te volgen, maar komt in essentie hierop neer. Den Haag heeft een aantal bedrijfstakken aangewezen als ‘topsectoren’ die extra steun krijgen: flowers & food, chemie & energie, logistiek & diensten, creatieve industrie, life sciences & health, pensioenen & sociale verzekeringen en water. Er wordt nog wel eens wat geschoven met definities (de luchtvaartsector met de JSF valt er nu formeel buiten, maar heeft al wel een miljard gekregen), maar dit zijn de sectoren waarmee Nederland de wereld moet gaan veroveren. De gedachte erachter is helder: selecteer de sterkste bedrijfstakken, zet per sector de beste ondernemers en wetenschappers bij elkaar, subsidieer onderzoek en innovatie en zorg zo dat ons land in de wereldtop komt en blijft.

Levensgrote cheque

Zo beschreven is het zo’n ijzersterk verhaal dat je er eigenlijk niet tegen kán zijn. Toch heeft het innovatiebeleid veel tegenstanders. Hun bezwaren zijn ruwweg in drieën op te delen. Het is om te beginnen geen taak voor de overheid om bedrijven te steunen. Voor zover dat toch gebeurt, is het vrijwel onmogelijk vast te stellen of het heeft geholpen. De overheid, ten slotte, heeft wél een duidelijke taak om te investeren in onderzoek, ontwikkeling en innovatie maar politici moeten daarbij niet de illusie hebben dat zij van tevoren kunnen bepalen op welke terreinen de wetenschappelijke doorbraken zullen komen.

Eerst de bezwaren van de economen. Politici hebben in de loop van de jaren heel wat redenen aangevoerd om bedrijven te steunen: het bestrijden van werkloosheid, kapitaalvernietiging voorkomen, het compenseren van ‘oneerlijke’ buitenlandse subsidie, kapitaal verstrekken en het bevorderen van innovatie en export. Vrijwel al deze vormen van bedrijfssteun blijken in de praktijk niet te werken of uiterst kostbaar te zijn. Er is dan ook geen econoom – van sociaal-democraat tot liberaal – te vinden die nog gelooft in klassiek industriebeleid.

Elke euro die de overheid cadeau doet aan een bedrijf, moet door een belastingbetaler worden betaald of geleend.

De Teldersstichting, de denktank van de VVD, publiceerde er al in 1999 een buitengewoon leerzaam boekje over dat nog steeds actueel is: Overheid en industrie. In vijftig jaar van industrialisatie naar kenniseconomie. Daarin leggen de auteurs, onder wie strategisch adviseur Paul de Ruijter, vijftig jaar Nederlands industriebeleid op de snijtafel. Ze fileren alle motieven die er zijn om bedrijven te steunen. Zo leidt bijvoorbeeld het compenseren van ‘oneerlijke’ buitenlandse subsidies tot een race naar de bodem van de schatkist, die Nederland altijd verliest van grotere landen.

Terugkijkend op een halve eeuw staatssteun – inclusief miljarden verslindende debacles als Fokker en RSV – concluderen de liberalen niet verrassend dat de vrije markt ‘vaak de beste oplossingen biedt’. Zelfs als de markt faalt ‘is het nog maar de vraag of dit door de overheid te repareren valt. Daar komt nog bij dat dit ingrijpen belastinggeld kost.’ Het is kristalhelder liberalisme in jip-en-janneketaal. Elke euro die de overheid cadeau doet aan een bedrijf, moet door een belastingbetaler worden betaald of geleend. Achter elk vrolijk persmoment met een enthousiaste minister die een lint doorknipt of een levensgrote cheque overhandigt, zien economen de onzichtbare schade: waar komt dat geld vandaan en wat zou het opgeleverd hebben als de overheid het niet naar een andere sector had verplaatst? Het aardige aan deze analyse is dat het het liberalisme overstijgt: ook christelijke of sociaal-democratisch politici moeten zich van elke uitgegeven euro afvragen of de ontvanger die wel echt nodig heeft.

Gevestigde orde

Van alle soorten steun is er volgens de Teldersstichting maar één zinvol gebleken: het bevorderen van innovatie. Die is van wezenlijk belang om mee te kunnen komen met de internationale concurrentie, want van heel veel uren maken of lage lonen moeten we het in Nederland niet hebben. Tegelijk is er bij innovatie sprake van marktfalen: nieuwe en onbewezen technieken zijn vaak te riskant en te duur voor ondernemers. Het is dus zeker een taak voor de overheid om innovatie financieel te steunen. Dat gaat het beste door goed macro-economisch beleid te voeren, te investeren in (fundamenteel) onderzoek en door het voeren van een generiek innovatiebeleid, met een beperkt aantal regelingen: ‘Voor de beleidspraktijk betekent dit dat de overheid in het oerwoud aan subsidies drastisch moet kappen.’ Politici moeten niet de illusie hebben dat zij kunnen bepalen welke bedrijfstakken wel en geen steun verdienen. De Teldersstichting was dan ook expliciet tegen een specifiek industriebeleid. Ze citeren instemmend Frits Bolkestein, die er al in 1995 op wees dat in slechte tijden de roep om meer overheidssteun al snel klinkt.

Het is goed om het rapport van de Teldersstichting nog eens uitvoerig te noemen, omdat uitgerekend de VVD zich niet al te veel van de verstandige adviezen uit Overheid en industrie heeft aangetrokken. De overheid is na Fokker en RSV weliswaar opgehouden met het eindeloos overeind houden van gammele bedrijven en officieel staat vrijwel alle subsidie voor bedrijven nu in het teken van innovatie. Maar politici blijven nog steeds kiezen voor bepaalde bedrijfstakken, al werden die de afgelopen decennia achtereenvolgens omgedoopt in clusters, excellente gebieden, topsectoren en sleutelgebieden. En net als vroeger krijgen grote en gevestigde bedrijven meer steun dan nieuwkomers die de bestaande orde op zijn kop zetten. Denk maar aan het voorbeeld van ASML, dat miljoenen kreeg van VVD’er Henk Kamp of aan Stork en Philips, die onder regie van VVD’er Annemarie Jorritsma het meeste geld uit het JSF-project naar zich toe trokken.
Het is ouderwets, anti-liberaal maakbaarheidsdenken.

‘Wisten wij vijftien jaar geleden dat er een iPhone en een iPad zouden komen?’

Spontaan ontstaan

Het is dan ook niet verbazingwekkend dat economen en andere wetenschappers uiterst kritisch zijn over het subsidiebeleid. De gezaghebbende economenwebsite Me Judice hield in december 2012 een peiling onder 53 economen. Driekwart van hen was het (zeer) oneens met de stelling dat het topsectorenbeleid van het kabinet-Rutte II een substantiële bijdrage zal leveren aan de innovatiekracht van Nederland. Een paar economen hielden zich op de vlakte, slechts twaalf procent was het ermee eens, niemand was het er zeer mee eens. De Groningse economen Steven Brakman en Harry Garretsen geven op dezelfde site onder de titel ‘Het misleidende denken in top- en flopsectoren’ het kabinet een beginnerscursus economie.

De creatieve industrie, een onverwachts exportproduct. 1: The Voice of...
De creatieve industrie, een onverwachts exportproduct. 1: The Voice of…

De gedachte dat de overheid kan bepalen welke bedrijfstakken de moeite waard zijn en welke niet, is achterhaald. Ambtenaren en politici weten niet beter waar het geld naartoe moet dan ondernemers en managers. ‘Wat weet de overheid nou beter dan de markt? Het is een cliché, maar de toekomst is niet te voorspellen,’ zegt Steven Brakman in een toelichting. ‘Wisten wij vijftien jaar geleden dat er een iPhone en een iPad zouden komen? Hoe hadden we daarop voorbereid kunnen zijn?’ Een mooi Nederlands voorbeeld is de creatieve industrie, die nu ook tot ‘topsector’ is verkozen. Nederland is inderdaad heel sterk in computergames, mode en commerciële televisie (Big Brother als exportproduct) maar daar is nooit overheidsbeleid aan te pas gekomen. Het is spontaan ontstaan en pas op het moment dat er duizenden mensen werkten, plakte de overheid er het labeltje ‘topsector’ op. Brakman: ‘We hebben geen statistiek van de toekomst, alleen van het verleden.’

De creatieve industrie, een onverwachts exportproduct. 2: Games
De creatieve industrie, een onverwachts exportproduct. 2: Games

‘Senile industry

‘Een sterk bedrijf heeft geen steun nodig,’ vertolkt Brakman de communis opinio onder economen. Voorstanders van subsidie komen nog wel eens aanzetten met het infant industry-argument: de jonge bedrijfstak die geld moet krijgen tot de sector op eigen benen kan staan. ‘Het klinkt wel aardig,’ zegt Brakman, ‘maar het mislukt altijd. Het moment dat ze op eigen benen moeten kunnen staan, is altijd over vijf jaar. Het zijn vooral de zwakkere bedrijven die subsidie krijgen.’

Of de bedrijven die het best kunnen lobbyen. In de praktijk wordt infant industry vaak senile industry, het in stand houden van bedrijven die het zelf niet meer redden. In de jaren zeventig en tachtig moest de belastingbetaler miljarden opbrengen om de textiel, scheepsbouw en vliegtuigbouwerij overeind te houden. Dat waren sectoren die toen in Nederland van strategisch belang werden geacht te zijn. Tot aan de kredietcrisis was de financiële wereld een sector waar de politiek veel van verwachtte en zwaar op inzette. Denk maar aan het miljarden kostende Zuidas-project in Amsterdam waar ABN Amro en ING hun prestigieuze panden neerzetten. Nu zijn ze met miljarden belastinggeld gered, omdat ze van strategisch belang zijn voor de Nederlandse economie.

Achtereenvolgende kabinetten hebben decennialang veel diplomatieke energie geïnvesteerd in het opbouwen van een uitgebreid stelsel van belastingverdragen. Nederland haalde – op papier althans – talloze multinationals naar ons land, goed voor een paar duizend hoogwaardige banen in de financiële sector, zoals trustkantoren, fiscalisten, notarissen en bankiers. Maar wat tot een paar jaar geleden een Nederlands paradepaardje was, begint zo langzamerhand een embarrassment te worden omdat de internationale kritiek op de belastingontwijking via Nederlandse fiscale sluiproutes sterk aanzwelt. De voorbeelden laten zien hoe riskant het is als de overheid bepaalde bedrijfstakken in de watten gaat leggen.

Het denken in sectoren is achterhaald, vinden economen als Brakman. ‘Het is negentiende-eeuws denken: je stopt er ijzer in en er komt een auto uit.’ Door de ICT-revolutie zijn de sectoren versnipperd geraakt. Een iPhone wordt in Californië bedacht, maar in China gemonteerd. ‘Het gaat nu om taken en vaardigheden. Bijvoorbeeld nanotechniek of het manipuleren van DNA. Het is meer van belang om te weten dat iemand een computerprogrammeur is dan te weten in welke sector hij of zij werkt. De overheid moet vooral investeren in kennis, dus in wetenschappelijk onderwijs en onderzoek.’

De Teldersstichting pleitte in 1999 voor drastisch kappen in de regels. De Rekenkamer concludeerde in 2011 dat het aantal regelingen en instrumenten juist ‘sterk gegroeid’ was.

Zo bezien is het een prima zet dat universiteiten en een bedrijf samen investeren in een onderzoeksinstituut voor nanotechniek. Het past ook precies in het innovatiemodel dat alle kabinetten vanaf Balkenende I hebben gevolgd: investeren in de samenwerking tussen bedrijfsleven en wetenschap. Dat klinkt prima op papier, maar het pijnlijke is dat we niet weten of het ook echt werkt. In 2011 onderzocht de Algemene Rekenkamer het Nederlandse innovatiebeleid. Daar was alle aanleiding voor, want de budgetten waren sterk gestegen: van 1,8 miljard euro in 2003 tot 3,7 miljard in 2010. De hoofdconclusie kwam als een mokerslag: ‘Uit ons onderzoek blijkt dat de doeltreffendheid en doelmatigheid van het innovatiebeleid in de periode 2003-2010 niet zijn vast te stellen en dat de coördinatie door de minister van EZ gebrekkig was.’ De Rekenkamer kon niet vaststellen of de verdubbeling van de uitgaven aan innovatiebeleid heeft geleid tot vergroting van het innovatief vermogen. Wat de Rekenkamer wel kon meten, was dat het aandeel innovatieve bedrijven in die periode licht daalde.

Twintig miljard

Let wel: het gaat hier om een bedrag van in totaal twintig miljard euro. De Teldersstichting pleitte in 1999 voor drastisch kappen in de regels. De Rekenkamer concludeerde in 2011 dat het aantal regelingen en instrumenten juist ‘sterk gegroeid’ was. Dat komt onder andere door alle programma’s die zijn opgezet voor de sleutelgebieden. Over die deelgebieden oordeelt de Rekenkamer ook hard: ‘In evaluaties van subsidieregelingen en fiscale instrumenten ontbreekt informatie die essentieel is om de doeltreffendheid en de doelmatigheid te kunnen beoordelen van de uitgaven aan innovatiebeleid.’ Sommige regelingen zijn helemaal niet doorgelicht, concludeert de Rekenkamer: ‘Daarnaast valt op dat de octrooibox/innovatiebox niet is meegenomen. Dit is een fiscale regeling van het ministerie van Financiën die bedrijven in 2010 circa 625 miljoen euro aan belastingvoordeel opleverde.’ Er zijn wel eens bewindslieden voor kleinere bedragen in de problemen gekomen.

Uiteraard beloofde het kabinet in 2011 beterschap, maar het erkende tegelijk dat het ‘zeer lastig’ is de effecten van innovatiebeleid te meten. Dat kan ook helemaal niet, ‘op basis van de huidige beschikbare wetenschappelijke kennis’. Daarmee erkende het kabinet in 2011 dus wat economen al lang weten: als subsidies al werken, dan is het bijna niet aan te tonen.

Dat inzicht getuigt zeker van wijsheid. Het staat alleen haaks op het goede voornemen van het kabinet-Rutte/Verhagen: ‘Bestaande middelen worden gebundeld en subsidies worden alleen verstrekt indien de effectiviteit ervan is bewezen.’ Het huidige kabinet streeft daar nog steeds naar. De verantwoordelijke ministers doen dus een belofte waarvan ze weten dat die niet waar te maken is, want de effectiviteit van subsidies ís niet te bewijzen.

Zonder Einsteins relativiteitstheorie zou de TomTom niet kunnen bestaan. Foto: TomTom
Zonder Einsteins relativiteitstheorie zou de TomTom niet kunnen bestaan. Foto: TomTom

De Rekenkamer is daar zelf ook sceptisch over. In oktober 2011, kort na het rapport over het innovatiebeleid, kwam de begrotingswaakhond met het rapport Leren van subsidie-evaluaties. De Rekenkamer hamert al sinds 1989 op een beter inzicht in de werkzaamheid van subsidies, maar: ‘Onze hoofdconclusie is dat subsidies over het algemeen gebrekkig op effectiviteit worden geëvalueerd.’ En: ‘Aan het uitgangspunt van het kabinet-Rutte/Verhagen dat subsidies ter ondersteuning van bedrijven en ondernemers alleen moeten worden verstrekt als de effectiviteit ervan is bewezen, wordt dan ook niet voldaan.’

Success fee

Voorstanders van bedrijfssubsidies verwijten de Rekenkamer vaak dat ze te streng oordeelt en dat er wel degelijk bewijs is dat de steun werkt. Een voorbeeld is Point-One Boegbeeld, het grootste en langstlopende hightech-subsidieprogramma van Nederland. Sinds 2006 is er zeker 278 miljoen euro steun verleend aan 110 hightechbedrijven en universiteiten. Point-One is in 2011 geëvalueerd door onderzoeksbureau Dialogic. Dat kwam tot een ‘gematigd positieve conclusie’. Maar wie verder leest dan de optimistische samenvatting, komt toch een paar ontnuchterende zaken tegen. De deelnemers aan Point-One zagen hun omzet groeien, maar vergelijkbare bedrijven die niets kregen groeiden óók.

De hamvraag – of de subsidie tot meer uitgaven aan Research & Development heeft geleid – kon niet hard worden beantwoord, alleen geschat: één euro subsidie veroorzaakt veertig eurocent extra private R&D-uitgaven. De overige zestig eurocent geven de ontvangende bedrijven niet aan extra R&D uit, maar bijvoorbeeld aan de aanschaf van machines. Of ze potten het op als winstreservering. Dan moet nog bedacht worden dat de uitvoeringskosten van de regeling zo’n drie procent bedragen. Bedrijven huren bovendien vaak subsidieadviseurs in, omdat de regelingen ongelooflijk ingewikkeld zijn. Het is gebruikelijk dat deze adviseurs een success fee van vijftien procent vragen.

Voor elke euro belastinggeld komt er dus – naar schatting – hoogstens veertig cent extra aan onderzoeksgeld bij. De rest gaat op aan bureaucratie, adviseurs of de ontvangende bedrijven besteden het ergens anders aan. Dat laatste betekent niet dat het weggegooid geld is – het is niet in een bodemloze put verdwenen, zoals bijvoorbeeld bij de Fyra. Een extra euro in een gezond bedrijf lijkt op zich geen kwaad te kunnen. Maar als het doel van de overheid is om bedrijven meer financiële ruimte te geven, dan is het veel efficiënter om gewoon de vennootschapsbelasting te verlagen. Bedrijven op deze manier van subsidie voorzien is hetzelfde als planten water geven met een lekke gieter. De subsidie-euro’s groeien bovendien niet aan een boom, maar moeten opgebracht worden door andere belastingbetalers die het midden in de crisis zelf al moeilijk genoeg hebben.

Bron: Rijksoverheid.nl; Foto: Laure Vandeninde/allpix/HHBron: Rijksoverheid.nl; Foto: Laure Vandeninde/allpix/HH

Magnetron

Toch is niets doen geen optie. Zonder belastinggeld is er nauwelijks innovatie. Het is misschien even slikken voor socialisten, anarchisten én liberalen, maar vrijwel alle echt innovatieve doorbraken komen uit de koker van het (Angelsaksische) militair-industrieel complex: het polshorloge, de zonnebril, de computer, de chip, raketten, straalmotoren, radar, internet, kernenergie, de magnetron, de Google Driverless Car – om er een paar te noemen. De eerste computers werden gebouwd om Duitse codes te kraken, het internet werd ontwikkeld als defensienetwerk, de magnetron is een aangepaste radar.

‘Er is geen enkele doorbraaktechnologie ontwikkeld zonder massale overheidssubsidies,’ zegt innovatie-expert Frans Nauta. ‘Ik ben er een groot voorstander van dat de overheid iets koopt van een technologisch niveau dat de markt zich niet kan veroorloven.’ Nauta is de geestelijk vader van het Innovatieplatform. Dat had een doorbraak moeten forceren naar een krachtiger en effectiever innovatiebeleid. Het initiatief liep vast in polderklei, lobby’s en Haagse machtspelletjes, waarover Nauta het zeer leesbare boek Het innovatieplatform schreef. Dat de Rekenkamer gehakt maakt van het huidige innovatiebeleid verbaast hem niets: ‘Het heeft niks opgeleverd omdat het te weinig is. Het is heel Nederlands: heel veel praten, heel veel papier, en heel weinig geld.’ Landen als Finland geven omgerekend veel meer uit aan onderzoek en ontwikkeling. ‘Er moeten in Nederland honderden miljoenen bij, dan praten we ergens over.’

Eén ding waar iedereen het wel over eens is: meer investeren in wetenschap is cruciaal. De vraag is alleen: welke wetenschap?

De Deltawerken zijn volgens Nauta een mooi Nederlands voorbeeld van een massale overheidsinvestering in doorbraaktechnologie: door de miljarden die de staat in de bescherming tegen de zee stak, zijn Nederlandse bedrijven in de waterbouw nu wereldwijd toonaangevend: ‘Er is geen doorbraak mogelijk zonder overheid.’ Daar heeft Nauta ontegenzeggelijk gelijk in, maar als praktische methode voor modern innovatiebeleid is het niet erg bruikbaar. Er zijn grote rampen voor nodig om de staat in beweging te krijgen: de Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog of de Watersnoodramp. Bovendien zijn de praktische commerciële toepassingen vaak onbedoelde gevolgen. Toen militaire onderzoekers sleutelden aan raketten en straalmotoren, konden ze niet voorzien dat die voor weersatellieten of zonvakanties zouden worden gebruikt. Het internet was bedoeld als militair netwerk, niet om te chatten, boodschappen te bestellen of porno te kijken. Niemand kon voorspellen dat de duizenden wetenschappers die voor de defensie-industrie in Californië werkten de basis zouden leggen voor Silicon Valley. Daarmee zijn we weer terug bij economen zoals Brakman, die ook beseffen dat de toekomst onvoorspelbaar is.

Zuivere wetenschap

Wat dan wel? Er ongelimiteerd decennialang honderden miljarden tegenaan gooien, zoals de Amerikanen doen, is voor Nederland niet weggelegd. Het met een lek gietertje verspreiden van een paar miljard euro innovatiesubsidie per jaar, zoals we nu doen, werkt ook niet. Eén ding waar iedereen het wel over eens is: meer investeren in wetenschap is cruciaal. De vraag is 
alleen: welke wetenschap? Denkers als Frans Nauta hameren op toegepaste wetenschap: stimuleer commercieel denken bij studenten en hoogleraren, zorg voor samenwerking met bedrijven, laat wetenschappers hun eigen bedrijf oprichten en hun kennis te gelde maken. Achtereenvolgende kabinetten denken er net zo over en hevelen steeds meer geld over van de fundamentele naar de toegepaste wetenschap.

De Deltawerken waren een succesvol subsidieproject. Maar daar was wel een ramp voor nodig. Foto: Goos van der Veen/HH
De Deltawerken waren een succesvol subsidieproject. Maar daar was wel een ramp voor nodig. Foto: Goos van der Veen/HH

Veel wetenschappers maken zich daar ernstig zorgen over. Er is inmiddels een dikke knipselmap met opiniestukken van vooraanstaande geleerden die waarschuwen tegen het uithollen van de fundamentele wetenschap in Nederland. Echte doorbraken laten zich niet voorspellen of afdwingen. Neem bijvoorbeeld Andre Geim. Deze tot Nederlander genaturaliseerde Rus kreeg jaren geleden tijdens een vrijdagmiddagborrel een ingeving. Hij ontdekte het materiaal grafeen en kreeg daarvoor in 2010 de Nobelprijs. Geim is kritisch over het kortzichtige, commerciële denken: zonder Einsteins relativiteitstheorie zou de TomTom niet kunnen bestaan. ‘Zonder zuivere wetenschap geen nieuwe technologie.’ We zijn hier ver verwijderd van de wethouder die enthousiast aankondigt dat de investering in het nieuwe nano-instituut binnen tien jaar ‘dubbel en dwars’ is terugverdiend.

Zuivere wetenschap vereist een lange adem – iets heel anders dus dan het om de paar jaar jongleren met weer andere ‘clusters’, ‘sleutelgebieden’ of ‘topsectoren’. De Chinezen begrijpen dat beter. President Xi Jinping pleitte vorig jaar, op een congres van sterrenkundigen, voor langetermijndenken en het belang van investeren in fundamenteel onderzoek voor de ontwikkeling van wetenschap en technologie. Succes is daarbij niet gegarandeerd. Maar in een onzekere wereld waarin we de toekomst onmogelijk kunnen voorspellen is het wijzer om ons schaarse geld ter beschikking te stellen aan slimme wetenschappers dan aan managers, lobbyisten of subsidieadviseurs. Zelfs als wetenschappelijk onderzoek mislukt, levert het meestal nog wel een leerzame publicatie op. Mislukt subsidiebeleid levert alleen maar verspilling op – en droevige rapporten van de Rekenkamer.