Wat bewoog Joost Zwagerman? Jeroen Brouwer voegt een nieuw hoofdstuk toe aan zijn standaardwerk over Nederlandse en Vlaamse schrijvers die zich van het leven hebben beroofd. Dit is de voorpublicatie.

In januari verschijnt bij uitgeverij Atlas/Contact een ingrijpend herziene en geactualiseerde editie van Jeroen Brouwers’ standaardwerk De laatste deur uit 1983, over zelfmoord in de Nederlandstalige literatuur (1400 p., € 65,-). Het boek bevat essays over leven en werk van Nederlandse en Vlaamse schrijvers en dichters tussen de zeventiende eeuw en nu die hun leven door eigen toedoen hebben beëindigd, onder wie François Haverschmidt, Menno ter Braak, Jan Arends en Jotie T’Hooft. In deze nieuwe editie ook essays over Adriaan Venema, Nanne Tepper, Anil Ramdas, Wim Brands en Joost Zwagerman. Van het essay over laatstgenoemde is dit een voorpublicatie. Aan de herziene uitgave van De laatste deur is een afzonderlijk supplement toegevoegd met andere, eveneens geactualiseerde publicaties van Brouwers over zelfmoord: De zwarte zon, De versierde dood en enige verspreide opstellen.

I

Zijn leven verliep bepaald niet in het gebied van de stilte, al verlangde hij er tegen het einde ervan meer en meer naar om daarin te verdwijnen.

‘Het verlangen om er niet te zijn’ is een zinsnede uit mijn roman Het verzonkene (1979), die als titel terechtkwam op een bundel opstellen (1981) over het oeuvre van Willem Brakman en sedertdien gevleugeld is gebleven. In zijn essayboek De stilte van het licht (2015) zette Joost Zwagerman haar boven een beschouwing over ‘verdwijning in Nederlandse romans’. Daarin bracht hij onder meer enige romans van mij te pas, maar niet die waaraan de titel van zijn betoog is ontleend, wat ik jammer vind. Veel van mijn oeuvre staat in het teken van verdwijning en het verlangen ernaar, als terugkerend thema nadrukkelijk aanwezig in Het verzonkene, om van De laatste deur nog niet te spreken.

Laatstgenoemd boek, waar meerdere keren naar wordt verwezen in Zwagermans werk, kwam uitgebreid ter sprake toen hij mij kwam interviewen voor een eigen boek dat hij voorbereidde terwijl hij, naar later bleek, al met zijn eigen verdwijning in de stilte bezig was. Het moest gaan over het verdriet, de woede en andere emoties der nabestaanden van iemand die was overgegaan tot zelfmoord. Wat een onzalig onderwerp. Hij had het over ‘mede-slachtoffers’ van zelfmoordenaars, in mijn geval het meisje aan wie De laatste deur is opgedragen en de schrijvers-vrienden-zelfmoordenaars die in mijn leven zijn geweest en in De laatste deur worden geportretteerd.

Ik zei hem dat ik mezelf geen mede-slachtoffer voel en dat ook niet ben. Mijn ontzetting bij de zelfmoord van een dierbare geldt niet mijzelf, maar de zelfmoordenaar: mijn emotie bestaat uit deernis, tegelijkertijd laat ik waar mogelijk alle begrip voor zijn daad tot me toe en heb ik er geen oordeel over. Het was zijn leven en als zodanig zijn privébezit, waarover hij, net als iedereen, het recht heeft zelfstandig te beschikken. Het ‘slachtoffer’, als je hem zo wil noemen, is de zelfmoordenaar, niet ik, niet jij, die er niet bij betrokken was. Het wijst op arrogantie te oordelen, zeker in negatieve zin, over zijn besluit en in plaats van te spreken over ‘mede-slachtofferschap’ is een woord als zelfcompassie geschikter: de achterblijver verzinkt in eigen verdriet en gemoedsverwarringen en waant zich ‘mede-slachtoffer’ bij het idee dat hij bij zelfmoord, anders dan bij een gewoon sterfgeval, medeverantwoordelijk zou zijn en dat de zelfmoordenaar hem belast met schuldgevoelens die hij niet hoeft te hebben en met vragen die nu eenmaal onbeantwoordbaar zijn. De zelfmoordenaar, zei ik Joost, moet aan oneindig meer gemoedskwellingen onderhevig zijn geweest dan enige nabestaande.
Maar zijn boek zou daar nu juist over gáán, antwoordde hij: over hoe de achterblijver omgaat met de zelfmoord van een gezins- of familielid, of van een beminde of bewonderde naaste. Wat de achterblijver bij dergelijke zelfmoord aan moet met het imbroglio van gedachten en emoties, onder meer de gedachte dat hij door de zelfmoordenaar in de steek is gelaten, alsof diens nabije omgeving hem totaal onverschillig was geworden.

Niet ‘alsof’, zei ik, maar ‘omdat’. De zelfmoordenaar denkt uitsluitend aan zijn einde en maakt rigoureus tabula rasa met alles wat hem daarvan afhoudt. Hij wil niet meer leven en kapt alle kabels door die hem nog aan zijn leven binden. Van vrouw, eventuele buitenvrouw, kinderen, vrienden heeft hij zich onthecht met het enige en laatste dat hij nog van plan is en ten uitvoer brengt.

Dus laat hij onverschillig maar alles en iedereen in de steek, concludeerde Joost verontwaardigd.

Doet niet iedereen dat die sterft? Dit sprak ik niet uit. Onverschilligheid is inherent aan dood. Dit hield ik ook maar voor me. Het is zijdelings te vergelijken, zei ik, met een man of vrouw die vaste relatie, huwelijk, kinderen, huishouden in de steek laat met maar één gedachte: hij/zij wil om welke reden dan ook van alles áf, rücksichtslos en wel onmiddellijk.

Zwaag kwam te spreken over zijn vader. Die had enige jaren tevoren, in 1998, een zelfmoordpoging gedaan door slaapmiddelen te nemen en die weg te spoelen met bleekwater. Nu was het 2004, Joost zat er nog steeds over in, de gebeurtenis had een barst in zijn bestaan geslagen. Op het nippertje weerhouden en op de intensive care weer bij kennis gebracht, was het eerste wat zijn vader had gezegd: dit was niet de bedoeling. Joost dacht dat de man van toen tegen de zeventig zijn zelfmoordonderneming betreurde, maar pa had het integendeel over het feit dat hij nog steeds in leven was, dát was niet de bedoeling.

Wat was zijn motief?

Zijn vader had geen brief met uitleg of verklaring achtergelaten, dus we zouden het nooit hebben geweten, zei Joost, maar ook zonder brief waren er motivaties te over die hij niemand hoefde uit te leggen. Hij was zijn baan in het onderwijs kwijtgeraakt en was afgedankt in de vut. Het huwelijk van Joosts ouders liep na zowat veertig jaar op de klippen. Zijn vader verhuisde naar iets oncomfortabels waar van alles moest worden vertimmerd en versleuteld waar hij zelf niet toe in staat was en de middelen niet voor had. Zijn leven was failliet, hij kwam het niet te boven en raakte stuurloos zonder zijn kompas van zekerheden. Zijn moeder, die toevallig langskwam, vond hem en zo werd hij van de afgrond weggetrokken, wat niet de bedoeling was. Een opgewekte, levensgretige, enthousiaste man, net als ik, zo besloot Zwaag het relaas over Zwaag senior.

Net als ik. Ik hoor het hem nog monter zeggen.

Wat zijn de voortekenen, die altijd pas achteraf kunnen worden geduid?
Er bleven in het hoofd van Joost twee dingen knarsen. Dat ‘mede-slachtofferschap’, dat hoofdzakelijk bestond uit zijn verontwaardiging over het feit dat zijn vader hem ten slotte te onbelangrijk had gevonden om nog rekening mee te houden. En de opeens in hem opgestane angst dat zelfmoord genetisch bepaald en overdraagbaar zou zijn, zodat de mogelijkheid zou bestaan dat hij er ook door was aangeraakt, en zijn kinderen en kleinkinderen.

Dit laatste dacht ik te kunnen relativeren. Zelfmoord als genetische component is even zeldzaam als bijvoorbeeld een of ander kunstzinnig talent dat van generatie op generatie wordt doorgegeven, al komt het voor. In bepaalde familiegeslachten rijgt zelfmoord zich aan zelfmoord zoals in andere generaties een artistieke vaardigheid. Het geslacht Mann kan hier in dubbele zin tot voorbeeld dienen: de Nobelprijslaureaat Thomas Mann had zonen die zowel schreven als door zelfmoord het leven lieten. Er waren ook ooms en tantes Mann die hetzelfde einde verkozen. Hijzelf had bij tijden de neiging tot zelfmoord, maar bleef overeind tot de dood vanzelf kwam. Drie broers van de filosoof Ludwig Wittgenstein begingen zelfmoord, voor zichzelf heeft hij er soms aan gedacht. Ettelijke familieleden van de in Auschwitz vermoorde schilderes Charlotte Salomon, onder wie haar moeder, besloten tot zelfmoord. Wie het bewezen acht dat dat andere Holocaustslachtoffer, Primo Levi, door zelfmoord is gestorven, kan wijzen op diens grootvader Michele Levi, die zich in 1888 van twee hoog uit het venster van zijn woning in Turijn naar beneden had geworpen. In de familie Hemingway ging zelfmoord vier generaties over van vader op kinderen. En David Vann zei in een interview dat in zijn familie vijf zelfmoordenaars waren, een van hen was zijn vader. Waar tegenover staat dat Johann Sebastian Bach aan het hoofd stond van een geslacht van tal van componisten die zijn naam droegen, wat als verschijnsel even uitzonderlijk is als een geslacht van zelfmoordenaars.

Zelfmoord als zodanig is al een uitzondering, al zijn er duizenden uitzonderingen. Zelfmoord in genetische context is nog vele malen uitzonderlijker, zo uitzonderlijk dat ik Joost er gemakkelijk een lijstje van kon geven, waarop hij alleen de Hemingways kende, even alleruitzonderlijkst als blikseminslagen in je achtertuin. En, zei ik Joost, je vader hééft ten slotte toch geen zelfmoord begaan. Hij heeft na zijn ziekenhuisopname toch niet opnieuw tot zelfmoord besloten, ervoor zorgend dat het niet weer zou mislukken of worden verhinderd? Waar maak je je zorgen over?

Wat zijn de tekens, de voortekens, de vooruitwijzingen, de signalen?
Ik wist niet dat hij toen al psychiaters bezocht, deze onheilbezweerders, deze onheilbevestigers, deze kletsmeiers.

II

Ik had toen Zwagermans essaybundel Het vijfde seizoen (2003) al gelezen, die hij mij had gestuurd, zoals hij mij in trouwe ‘vriend- en verwantschap’ (zijn woorden in handschrift op de titelpagina) altijd zijn nieuwe publicaties per post cadeau deed. Op een afzonderlijk ingeplakt papiertje op dezelfde pagina maakte hij me speciaal attent op een van de essays, ‘in de hoop’, zo schreef hij, ‘dat je vindt dat ik op een waardige en overtuigende manier met je in discussie ga.’

Hij bedoelde de verhandeling ‘Save us from shotguns & fathers’ suicides’, ondergetiteld: ‘Du Perron, Berryman, Hemingway en de erfelijke belasting’. Zwagerman schrijft daarin: ‘Van oudsher wordt in de wetenschap een verband gelegd tussen zelfmoord en een bepaalde mate van genetische predispositie’. Daar zette ik een streepje in de marge bij: een bepaalde mate, hoe groot en bepaald is die mate? Hij noemt, achtereenvolgens uit 1840, 1906 en 1999, drie namen van een ‘Britse arts’, een ‘onderzoeker uit de VS’ en van Kay Redfield Jamison, van wie hij ook een boektitel verstrekt, de enige in zijn betoog, die allen hebben gewezen op genetische invloed op zelfmoord.

De ‘onderzoeker’ uit 1906 (Charles Pilgrim heette hij) pleitte, zegt Zwagerman, zelfs voor een wettelijk verbod op een huwelijk van iemand die door zelfmoord erfelijk is belast. Kruisje in de marge: hoe zou die erfelijke belasting bij bruid of bruidegom worden vastgesteld? Van Jamison, een Amerikaanse vrouwelijke psychiater, naar ik uit andere bron te weten kwam, citeert Zwagerman de bewering dat ook adoptiekinderen door zelfmoord en/of suïcidaal gedrag in familieverband worden geïnfecteerd. Volgens dezelfde Jamison: of de zelfmoord nu ‘geslaagd’ is of niet, de verwanten voelen zich er niet minder erfelijk door belast.

In het betoog van Zwagerman is hier de uitspraak van E. du Perron aan voorafgegaan (De laatste deur, blz. 276) dat hij ‘erfelijk belast’ kon zijn door de zelfmoord van zijn vader. De titel van Zwagermans essay is een citaat uit de gedichtencyclus The Dream Songs van John Berryman. De vader van deze Amerikaanse dichter schoot zichzelf dood, zoals ook de vader van Du Perron had gedaan. Niet als Du Perron, volgde wel John Berryman zijn vader na door tot zelfmoord te besluiten. Zwagerman: ‘Hij liet vier kinderen uit drie huwelijken achter, zijn jongste dochter was een paar maanden oud.’ Kronkellijntje in de marge: wat suggereert deze toevoeging?

Hierop volgt een gedetailleerde beschrijving van zelfmoorden in de familie Hemingway, Ernest Hemingway als ‘de centrale figuur in de stamboom’. Ernest schoot uit ‘zijn lievelingsgeweer’ een kogel door zijn hoofd, zoals zijn vader Clarence Hemingway had gedaan met een Smith&Wesson-revolver. Broer Leicester Hemingway, schrijver van My Brother, Ernest Hemingway, deed als his brother en beging zelfmoord. Zus Ursula Hemingway idem. Ernests jongste zoon, Gregory, hetzelfde, na zijn autobiografie te hebben geschreven: Papa. A Personal Memoir. Gregory stierf in een vrouwengevangenis, want was na geslachtsverandering verder door het leven gegaan als Gloria Hemingway: hij/zij was dus Papa’s zoon en dochter tegelijk. De ingreep vond geruime tijd na Papa’s laatste geweerschot plaats, zodat hij, zelf het prototype van ruige mannelijkheid, het niet heeft geweten. Zwagerman zou aan de stamboom van de noodlotsfamilie nog een loot hebben kunnen toevoegen die door zelfmoord is gestorven: Margaux Hemingway, fotomodel en actrice in een paar films. Zij was een dochter van John Hemingway, de oudste broer van Ernest.

Blikseminslagen in de achtertuin.

Waar gaat het nu eigenlijk om in dit shotgun-essay, waarin Joost Zwagerman ‘waardig’ en naar hij hoopte ‘overtuigend’ met mij ‘in discussie’ gaat? Hij ontleent veel citaten aan De laatste deur, onder meer die van Nietzsche en Maarten ’t Hart over de gedachte aan zelfmoord als troostmiddel om gesterkt in leven te blijven. Zwagerman: ‘Wie heeft er nooit eens zijn ennui mee gesust?’ Daarop is zijn commentaar: ‘Voor wie zich erfelijk belast weet is die geruststellende gedachte (…) omgeslagen in een blijvende en nauwelijks weg te relativeren vrees.’ Hij citeert mijn uitspraak vervat in de eerste regels van De laatste deur: ‘Mijn toon is die van solidariteit’, waar ik het op me neem de geschiedenissen van schrijvers-zelfmoordenaars te schrijven, welke vakgenoten ik begrijp zoals Du Perron zijn begrip voor ‘die idioten’ beschreef. Uit het hoofdstuk ‘Oordeel liever niet’ haalt Zwagerman de twee aldaar onder elkaar geplaatste slotzinnen aan: ‘Wie zou willen oordelen? Oordeel liever niet…’ Waarna hij besluit het op zijn beurt op zich te nemen een ‘exemplarische schaduwgeschiedenis’ te releveren: ‘die van de gestempelden, de erfelijk belasten.’ Dat is de hoogst uitzonderlijke geschiedenis van het geslacht Hemingway. Daarin deze zin: ‘Zijn we soms verplicht verantwoording af te leggen aan ons nageslacht over het moment en de manier waarop we willen sterven?’ Zwagerman besluit zijn essay als volgt: ‘Jeroen Brouwers was in De laatste deur van mening dat zelfmoordenaars gevrijwaard moesten blijven van morele oordelen. Ik stel voor om diezelfde vrijwaring te claimen voor degenen die zich geconfronteerd weten met de vermaledijde erfelijke belasting.’ En na een witregel de twee hierboven gegeven zinnen onder elkaar.

That’s all.

Natuurlijk Joost, zei ik, het mensdom zou zich moeten voegen naar jouw claim, maar jij stelt het voor alsof iedereen met een zelfmoord in de directe omgeving een ‘gestempelde’ zou zijn, gebukt onder erfelijke belasting.

Hij kwam erop terug in een brief: of ik misschien ‘onaangenaam getroffen’ was door zijn essay over ‘erfelijke belasting’? (Welnee.) Hij schreef me: ‘(…) nu mijn leven is verlopen zoals het is verlopen en drie mensen in mijn directe omgeving suïcidaal bleken te zijn, sta ik voorgoed “anders” tegenover het fenomeen zelfmoord als jij. Ik meen, zoals ik in het stuk schrijf, dat de betrokkenheid bij het zelfmoord-vraagstuk definitief anders wordt indien niet enkel dierbaren maar juist familieleden te kennen geven dood te willen en ook handelen naar die wens. (…) Ik kan er niet anders over schrijven dan ik doe.’ (Drie familieleden en niet alleen zijn vader? In diezelfde brief nam hij mij daarover in vertrouwen, dat ik niet wil schenden.) Hij schreef verder: ‘Ik hoop gemeend en intens dat ons verschil in zienswijze op één enkel punt niet betekent dat onze literaire-solidariteit-op-afstand nu schade heeft opgelopen. Literaire geestverwanten mogen op punten met elkaar van inzicht verschillen, vind ik, zonder dat die verwantschap er door erodeert.’ (Welja, beste Joost, dat vind ik ook, schreef ik hem terug.)

III

Het boek dat hij er in 2004 over wilde schrijven, verscheen een jaar later (‘voor Jeroen. In dank’) Het is naar de volumemaatstaven van Zwagerman een bescheiden werkje. Titel: Door eigen hand. Het bevat interviews met vijf Nederlandse schrijvers (m/v). Allen geschokt en verdrietig door de zelfmoord van een gezinslid of dierbare. Sommigen hebben erover geschreven. Maar ‘of het in de familie zit’, blijft bij alle ondervraagden onbeantwoord en geen van hen leeft met de aandrang tot navolging.

In het boekje zijn stukken overgenomen uit Het vijfde seizoen: behalve het shotgunreferaat het polemische protest tegen het boek van Karin Spaink De dood in doordrukstrip (2001), waarin zij bepleit dat voor iedere volwassene een zelfmoordpil in de apotheek te koop is zonder recept van een arts of psychiater. De derde reprise is ‘Het zwarte vaandel in mijn schedel’, zijnde een ‘gesprek met Andrew Solomon’. Deze Amerikaan is de schrijver van, behalve nog meer, het boek The Noonday Demon. An Atlas of Depression. Wat maakt mensen depressief? Solomon: ‘Depressie is de zwakke plek in de liefde’, al zijn er ‘honderden andere antwoorden’ mogelijk. ‘Dit bijvoorbeeld: depressie is het gevolg van een verandering in de functie van neurotransmitters en synapsen; door hypometabolisme in de frontale cortex; door een gewijzigde melatonineproductie. Of dit: depressie is “de verschrikkelijkste tirannie/het zwarte vaandel op mijn schedel, afgekneld”. Charles Baudelaire schreef het.’ Is Solomon, zoals Karin Spaink, vóór de vrije beschikbaarstelling van een zelfmoordmiddel voor terminaal psychisch zieke depressieven? Antwoord: ‘In de VS bestaan die pillen al, in de vorm van guns. (…) Ik ben tegen vrije verkoop van vuurwapens in de VS, en het zou wel erg inconsequent zijn als ik dan vóór de vrije verkoop van zelfmoordpillen zou zijn. Zo’n verkoop maakt het de impulsieve zelfmoordenaar wel heel gemakkelijk. Zelfmoord moet moeilijk blijven. En degenen die volhardend zijn in hun doodswens, zullen heus hun eigen weg wel vinden. Die hebben geen zelfmoordrecept of een dodelijke injectie van een meevoelende arts nodig. Los van de mogelijkheid tot euthanasie voor terminaal zieken moeten dokters helen, niet doden.’

Ik had tijdens ons gesprek moeten begrijpen dat Joost met zijn onderwerp zelfmoord en alles daaraan annex het eigenlijk in de eerste plaats over zichzelf wilde hebben en dat zijn opgewektheid en handenwrijvende vitaliteit weermiddelen waren tegen gebergten van vragen, kwesties, angsten in zijn eigen hersens.

Het woord ‘euthanasie’ viel, waardoor we, na de zelfmoordpoging van zijn vader te hebben becommentarieerd, over Rogi Wieg kwamen te praten, in de polemiek tegen Karin Spaink door Joost aangeduid als ‘een van mijn beste vrienden’. Of ik Rogi Wieg kende?

Tot enige uren voor de zelfmoord van Rogi Wieg bleef Zwagerman bellen, sms’en en aan de deur komen. Alsof hij Wieg smeekte: ‘Laat me niet alleen achter, beteken ik dan niets voor je?’ Illustratie: Erik Kriek.

Met de chronisch depressieve Wieg, die ik wel eens had ontmoet, voerde ik een kleine briefwisseling, opeens door hem begonnen en even opeens zijnerzijds ook weer afgebroken. In Wiegs bundel De kam (2007), die hij mij met een van zijn schilderwerken stuurde, staat zelfs een aan mij opgedragen gedicht, ‘Hierover bestaat zekerheid’, met door hemzelf onderstreepte regels en toegevoegde commentaren, zoals: ‘Was het maar zo dat de kans op “ziekte” bijna 0 is en de kunst ons beschermt.’
In dezelfde bundel een vers ‘Voor Joost Zwagerman’. Het heet ‘Am Ende’ en gaat over bewondering.

Een woord van
niets, dat weinig zegt, maar wel
een essentie. ‘Bewondering’ is mijn
grootste woord voor een kunstenaar.

Het vers eindigt met deze regels:

Je bent nu veertig, maar hoe oud
Is je werk, of beter: zal het zijn, am Ende,
hoewel er geen einde is, slechts de benadering
in al haar eenvoud, die zich uitstrekt
van de eerste letter van dit vers tot
aan de allerlaatste.

Tussen Zwagerman en Wieg bestond een welhaast symbiotische vriendschap, gefundeerd op wederzijdse diepe waardering en respect voor elkaars werk.

Wieg, al jaren bij perioden opgenomen in psychiatrische instellingen wegens ‘major depressions’, waarover hij de roman Kameraad scheermes (2002) schreef, was al even lang bezig om van hogerhand toestemming te verkrijgen voor euthanasie. In het denken van Joost was dat hetzelfde als toestemming voor zelfmoord. Toestemming of instemming van wie? In ieder geval van wie hem het meest nabij waren, zijn familie, zijn vrienden, zijn vriend Zwagerman, die er mordicus tegen was, naar zou blijken tot op de laatste dag dat Wieg nog zou leven. Alsof hij Wieg smeekte: laat me niet alleen achter, laat me niet in de steek, beteken ik dan helemaal niets voor je? Ook om het volgende was hij ertegen: ‘Op termijn [is het] onvermijdelijk dat je je in de omgang met kandidaat-zelfmoordenaars die je nastaan niet alleen tegen hun doodswens keert, maar je er op bepaalde momenten ook mee identificeert, al was het maar om de helse kloof tussen jou en de ander te dichten. Mijn vriend en mijn vader betraden een terrein waar ik een hoog hek omheen plaats. Maar ik zou liegen als ik zei dat het terrein mij onbekend is.’

Ik suggereerde Joost dáár eens een roman over te schrijven, over dat terrein en het prikkeldraad eromheen, waar hij zijn huid en kleren aan openhaalde. Over die helse kloof en dat hoge hek. Welke angstvisioenen gingen als horrorfilms door zijn hoofd?
Die roman had hij al geschreven, zei hij, vond hij: Zes sterren uit 2002. Ik hield hem voor: een roman over jezélf. Niet een verzonnen verhaal maar een als getatoeëerd in je eigen vel.

IV

Zwagermans roman Zes sterren lijkt tot op zekere hoogte op Elsschots roman Lijmen. Het personage Siem Merkelbach uit Zes sterren loopt in het lijmspoor van Boorman: twee gehaaide zakenlieden die hun naar zwendel riekende praktijken op welhaast identieke wijze uitvoeren. Merkelbach bezoekt hotels en schrijft over zijn verblijf en overig wedervaren aldaar recensies in zijn eigen hotelblad Goedemorgen. Daar deelt hij waarderingssterren bij uit: hoe meer sterren, hoe groter de kans dat de hoteleigenaar voor vet geld een advertentie in Goedemorgen plaatst. Om de hoteleigenaar daar ook toe te bewegen, schrikt Siem Merkelbach niet terug voor louche bedriegerij. De rol van assistent Laarmans uit Lijmen wordt in Zes sterren overgenomen door Justus Merkelbach, het jeugdige neefje van Siem, die het verhaal in de ikvorm vertelt.

Tot hier de verzonnen intrige. Het kerven in eigen vlees begint met de zelfmoord van de altijd breeduit van het leven genoten hebbende ‘oom Siem’ en hoezeer dat de ik-figuur, neef Justus, aangrijpt. Deze woont in het begin van het boek nog bij zijn ouders in Alkmaar, de stad waar Zwagerman zelf op 18 november 1963 werd geboren en zijn jeugd doorbracht.

Oom Siem is een spiegeling van Zwagermans vader. Net als diens huwelijk breekt dat van Siem Merkelbach na vele jaren doormidden. Gevolg: eenzaamheid. Zelfmoord. Worden gevonden door de toevallig langsgekomen ex.

‘Waren wij het niet waard om voor verder te leven?’ vraagt Justus zich meerdere keren af. ‘Waarom vond oom Siem mij niet belangrijk genoeg om voor in leven te blijven?’
Justus gaat in therapie bij een psychiater, een zekere Nijland, al achttien jaar gespecialiseerd in ‘gesprekstherapie voor nabestaanden van zelfmoordenaars’, en tegelijkertijd ‘stort hij zich op een baaierd van zelfmoordliteratuur’. Daaronder, welzeker!, ‘De laatste deur van Jeroen Brouwers’, zoals keurig achter in Zes sterren is vermeld. Aldaar valt de ‘baaierd’ overigens nogal mee. Van de zittingen bij de psychiater ondervindt hij geen enkele baat – natúúrlijk niet! Als Nijland het over ‘zelfdoding’ heeft, veegt Justus dit woord meteen van tafel als een ‘ontoelaatbaar eufemisme’. ‘Het verspreidde de weeë geur van compassie en begrip. Weg dus met dat balsemende nikswoord. Zelfmóórd was het, niets anders.’ ‘Ik bleef gewoon zelfmoord zeggen.’
Als Justus in Amsterdam op kamers gaat wonen, zoals Zwagerman omstreeks zijn twintigste zelf deed met het weldra opgegeven voornemen er Nederlands te gaan studeren, begint hij met de ramen te blinderen om vervolgens zo min mogelijk volk tot zich toe te laten, uit zucht naar ‘maatschappelijk inpasbare zelfverdwijning’. Te vergelijken, vindt hij, met logeren in een hotel als ‘verdwijntruc’. ‘Ieder hotel was een hoge hoed. Met een incheck wiste je jezelf uit.’ ‘Hotels waren toevluchtsoorden geworden voor iedereen die genegen was in een ligbad de polsen door te snijden.’
Justus heeft, zegt hij, ‘de neiging om zichzelf te verzwijgen’. Tegen de psychiater zegt hij dan ook niet veel, omdat hij toch geen bruikbaar antwoord of advies krijgt. Binnen in hem begint het malen over zelfmoord, die van oom Siem en die van mensen in het algemeen. Waarom reed niet iedereen met zijn auto in volle vaart tegen een blinde muur, daar zijn auto’s toch voor bedoeld? Huizen zijn niet om in te wonen ‘maar vooral om in te sterven’: ‘In ieder huis hing ergens een tot galg verknoopt touw.’ (In plaats van ‘galg’ zal wel ‘strop’ zijn bedoeld. Als galg in huis kan bijvoorbeeld de trapleuning dienen, waaraan men zich, het touw tot strop geknoopt rond de keel, in de diepte kan storten, zoals Jan Emmens deed, zoals Joost Zwagerman zou doen.)

Nijland weet weinig anders op te merken dan: ‘Zelfmoord is de bekentenis van een mislukking.’ Of komt met de al even bekende wetenschap van alle mensen: ‘Zelfmoord is metafysica in een notendop, waarbij alle concrete en verifieerbare informatie over motief en methode uiteindelijk toch uitmondt in hypothese, mysterie, aporie.’
Van de laatste uren en momenten van een zelfmoordenaar stelt Justus, zich sterk inlevend, het volgende voor:

‘Vermoedelijk beleefde hij een versmelting van alle “tijden” die je met je meedraagt. Nog vier uur. Nog drie. (…) Nog vijftig minuten – of nog minder misschien (…). Niets stroomt meer. Iedereen uit je leven is plat en schematisch geworden; dimensies zijn al vervaagd. Je voelt de eerste tekenen van een wiegende versuffing, de superieure uitdoving die jou zo dadelijk in staat stelt de tijd te breken, de tijd het zwijgen op te leggen. (…) Dertig minuten? Vijfentwintig? Hoe lang nog? Het onkenbaar gewaande innerlijk waar zich de tijd ophoudt, openbaart zich alsnog. Tot in je haarwortels voel je dat, eerder dan jijzelf, de tijd breekt en vergruist. Negentien, tien, drie minuten, hoeveel nog? Misschien heeft het einde zich al voltrokken en dwaalt je geest nog na, zoals de afgehakte staart van een hagedis nog een paar ogenblikken blijft krullen en sidderen, alsof die staart alle leven heeft weten te behouden. Dan: een oorverdovende stilte. In een geweldige demping van uitroeptekens en tumult toren je boven de tijd uit. Je hebt het gehaald. Je ontijd is gekomen. Nu kun je gaan.’

Bij deze passage moet Zwagerman de tatoeëernaald in zijn vel hebben voelen krassen.
Als de roman Zes sterren uit is, volgt er nog een lege bladzijde met twee regels van John Berryman uit Dream Song 235: ‘It all depends on who you’re the father of / if you want to kill yourself.’

Wat zijn de tekens? Hadden wij die kunnen begrijpen? En dan?

Berrymans citaat ‘Save us from shotguns and father’s suicide’ komt terug in Zwagermans laatste bij leven gepubliceerde dichtbundel, Voor alles (2014): Als motto boven een gedicht (‘Hamsteren’) over zijn vader, met deze regels:

Ziek noch oud hamsterde hij
tabletten die niet toereikend waren
voor een zelfgekozen dood. Een
kwart glas water, meer niet, en
dertig, veertig stuks drommelden
zijn slokdarm in. De dosis was te kaal,
te weinig flux de bouche, straks zou
het ochtend zijn en draalde zijn
versufte blik naar nachtkastje,
een pocketboek met ezelsoor, twee
wattenstaafjes, handvol lege pillenstrips.
Mijn vaders eerste cocktail haalde
niet de horeca: vijftien vergruisde
oxazepam, tien dito rivotril,
afgeblust met losse paracetamol.
Het kwart glas water lengde hij aan
met dikbleek van een sterk merk.
Drie, vier scheuten Glorix maakten

de cocktail dampend af. Te nuttigen
in doldrieste teugen. Wie zegt
nog dat een bloody mary of blue devil
je maag in lichterlaaie zet?

V

De laatste publicatie van Joost Zwagerman, afgezien van postuum verschenen werk, stond op 18 juli 2015 in de Volkskrant: zijn overlijdensannonce ‘In memoriam Rogi Wieg’. Daarin citeerde hij de regel van Hans Lodeizen: ‘Ik werd onzichtbaar in het stille leven.’ Van Joost zelf drie woorden: ‘Dag lieve vriend.’

Rogi Wieg, geboren 21 augustus 1962, was op 15 juli 2015 overleden door euthanasie. Op 28 juni had hij zijn vrienden per mail op de hoogte gebracht van zijn naderende einde en verzocht hij iedereen hem met rust te laten. Wie dit verzoek niet inwilligde was Joost Zwagerman, die maar bleef bellen, sms’en en aan de deur komen tot enige uren voor Wiegs dood. Daarvoor heeft hij naderhand de weduwe zijn excuses gemaakt: ‘Ik had jullie nooit mogen storen.’

In een interview met Coen Verbraak (NRC Weekblad, 3 oktober 2015) zei Rogi’s vrouw vooral te zijn geschokt door ‘de reactie in NRC Handelsblad van Bram Bakker, jarenlang Wiegs psychiater.’ Bakker had geschreven: ‘Voor sommige nabestaanden, mijzelf inbegrepen, was zelfmoord een beter te verteren einde van het leven van Rogi Wieg geweest. Zelf verkozen, en niet met goedkeuring en hulp van de psychiaters, die hem niet meer konden of wilden behandelen.’ De psychiater, aldus de weduwe, was op de hoogte van Wiegs op handen zijnde euthanasie en ‘zei toen helemaal niet “Rogi doe het niet”.’ Wel heeft Bakker, expert in depressies en zelfmoord en vriend van Wieg, het voorstel geopperd om de ‘Iceman’ eens mee te brengen: deze Nederlander, Wim Hof geheten, beklimt bij barre kou in korte broek en op sandalen de Mount Everest en de Kilimanjaro, bezwemt naakt de wateren van de Noordpool en houdt het langer dan een uur uit in een met zevenhonderd ijsblokjes gevulde cabine. Dat is pas wilskracht om boven je eigen psyche en sores uit te stijgen, leek de psychiater Wieg voor ogen te willen houden. Die had inmiddels drie zelfmoordpogingen achter de rug, beschreven in Kameraad scheermes, en hield met zijn major depressions het leven en alle machteloze psychiaters met hun praatjes heus al lang en definitief voor gezien.

De celebrity psychiater, columnist, hardloper en cabaretier Bram Bakker publiceerde in 2004 in samenwerking met journalist-schrijver Bram Hulzebos het boek Loden last. Het taboe rond zelfmoord. De vader van Bram Hulzebos beging zelfmoord, door zijn zoon beschreven in de roman Een te dunne huid (2003). Loden last bestaat uit dertien interviews met nabestaanden van zelfmoordenaars. In zijn soortgelijke boekje Door eigen hand van een jaar later gaf Joost Zwagerman er in het vierde, eerder gepubliceerde inleidende essay ‘De eeuwigheid, het ogenblik’, commentaar op. Op zijn Zwagermans, hij haalde er al zijn angstpaarden voor van stal. Weer onder aanroeping van Andrew Solomon en diens The Noonday Demon: ‘Het is beter om te veel mensen te redden dan er te veel te laten gaan.’ Rogi Wieg citerend: ‘De zelfmoordenaar wil niet dood, hij wil een ander leven’, komt hij op het pleidooi van Bakker en Hulzebos voor actievere preventie van zelfmoord. ‘Zij gaan uit van praktische ethiek: verleen je iemand die om psychische redenen dood wil een dienst door ermee in te stemmen dat alleen de dood die psychische nood kan lenigen of door te proberen de ander van zelfmoord te weerhouden, in de verwachting of de hoop dat de psychische nood ooit minder of misschien zelfs voorgoed verdwenen zal zijn?’ Zwagerman benadrukt dat een dergelijke poging ‘onnodig wreed en krenkend’ is voor de nabestaanden van een zelfmoordenaar, die immers zelf al voldoende zullen hebben geprobeerd om hun depressieve dierbare voor het allerergste te behoeden en niets opschieten met de wandtegeltjestroost van de psychiater: ‘het was zijn laatste wens’, of: ‘het is echt beter zo’. Aldus ‘worden nabestaanden op een fluwelen manier gedwongen zich te verzoenen met datgene waartegen zij juist – vruchteloos – weerstand hebben geboden.’ Opnieuw gaat het over zijn nijpende bezorgdheid betreffende de genetische aspecten, die ook door enkele geïnterviewden in Loden last wordt uitgesproken. En hoe moeilijk het is om als nabestaande van een zelfmoordenaar te leven (‘In feite heeft Jos ons levenslang gegeven’, zegt een van de geïnterviewden) vormt een onderwerp dat Zwagerman al helemaal uit het hart was gesneden. Hij beëindigde zijn beschouwing aldus:
‘Voor de nabestaanden kan het bevrijdend zijn om te kunnen en te mogen denken: de zelfmoordenaar die kinderen en familieleden ontredderd en vol zelfverwijt achterlaat, is niet uitsluitend een door ernstige depressiviteit gemarteld slachtoffer, het is soms óók iemand die nog in zijn meest penibele moment van levenswalg en doodswens ten prooi is aan egomanie en zelfobsessie: voor de eigen ellende moet alles wijken, inclusief de kwaliteit van leven van nabestaanden. Die – vaak onoorbaar geachte – gedachte vormt niet het lichtste aspect van de loden last die nabestaanden kunnen ervaren.’

Na 2000 heeft Joost Zwagerman het in ettelijke interviews over zelfmoord gehad. Altijd met de verzekering dat dat ‘niets voor hem’ was, zelfmoord was een ‘no go-area’ en hij zou altijd alles ondernemen om een aspirant-zelfmoordenaar van de ultieme daad te weerhouden. Hij met zijn Zwitserlevengevoel-gezicht, waarmee hij had geposeerd in full-page advertenties van dit levensverzekeringsbedrijf. Tot het laatst toe heeft hij geprobeerd Rogi Wieg te bewegen om in leven te blijven, hem zelfs verboden om dood te gaan. Twee maanden later stelde hij zelf een einde aan zijn tijd: ‘je hebt het gehaald, je ontijd is gekomen.’

In de Volkskrant, 17 september 2015, reageerde psychiater Bram Bakker op de zelfmoord van Joost Zwagerman en in hetzelfde opiniestuk opnieuw op de euthanasie van Rogi Wieg. Bakker noemde beiden zijn ‘makkers’, met Rogi viel vaak te lachen, Joost was ‘een trouwe vriend, een lieve partner en een zeer toegewijde vader’. ‘Vanuit mijn vak had ik een grote interesse ontwikkeld voor zelfmoord’, schreef de psychiater en hij beweerde verder louter nietszeggendheden zoals te vernemen uit de mond van zijn collega Nijland in Zes sterren. Of de depressie van Rogi Wieg werkelijk zo uitzichtloos was, werd op grond van ‘wonderbaarlijk goede perioden’ betwijfeld door zowel Zwagerman als ‘schrijver dezes’. En ‘wie weet waarom Zwagerman ten prooi viel aan depressies mag het zeggen’. Joost ‘had alles wat je kunt begeren. Maar ook die monsterachtige ziekte (bedoeld is depressie, J.B.), die hem greep op een moment dat niemand het verwachtte. En waarom? Dat zal nooit iemand weten.’

De wetenschap van het psychiaterdom: de dingen betwijfelen, dit niet weten, dat niet weten, vragen over zelfmoord hebben überhaupt ‘geen enkele zin’. Wetenschappelijk noteerde de psychiater: ‘Betrouwbaar onderzoek naar de oorzaken van zelfmoord is onmogelijk omdat de mensen die je de informatie zouden moeten leveren er niet meer zijn.’ Waarlijk van overstelpende wijsheid getuigende inzichten, die al dateren van de dageraad der mensheid en er nog zullen zijn als de Apocalyps losbarst. Nog wetenschappelijker: vragen hoeven niet te worden gesteld ‘omdat iemand die zich het leven beneemt vermoedelijk niet over zijn of haar volle verstandelijke vermogens beschikt op het moment van de zelfmoord.’ Wat betekent ‘vermoedelijk’ hier? Zijn, naar de psychiater vermoedt, zelfmoordenaars eigenlijk allemaal gek op het moment dat ze ‘er’ toe overgaan? Joost Zwagerman dus ook? En al die anderen ook? Mijn hardnekkige ‘vermoeden’ van het tegendeel is sterker.

Beschikkend over haar volle verstandelijke vermogens en in het klare besef van wat ze deed, roerde Renate Rubinstein de dodelijke pillen door de vla. Annie Schmidt, geheel bij zinnen, spoelde met slokken witte wijn de Vesparax door, die nog was overgebleven van de euthanasie van haar man, jaren eerder. Adriaan Venema: ook Vesparax nadat hij lucide en verre van gek zijn voorgenomen einde nog in zijn boek Het dilemma had beredeneerd en voor de achterblijvers inzichtelijk gemaakt. De krankzinnige term ‘auto-euthanasie’, die tot het psychiatrische jargon behoort om het woord zelfmoord te vermijden, is die misschien toepasbaar op niet-gekken die geen cordons psychiaters en artsen bij hun sterfbed verkiezen en op eigen initiatief wel beslissen wat te doen? En degenen die gangbare euthanasie ‘mogen’ ondergaan van psychiaters en artsen, al zijn dat volgens Joost Zwagerman eveneens zelfmoordenaars, zijn die allemaal van hun volle verstandelijke vermogens beroofd? Menno ter Braak? Willem Frederik Hermans? J.J. Voskuil, Hugo Claus, Hugo Raes, Geert van Oorschot, Rogi Wieg, Eriek Verpale, Theo Kars en nog meer schrijvers? In welke mentale toestand verkeert een psychiater zelf, die als therapie tegen depressie en zelfmoord een bezoek van de ‘Iceman’ suggereert? Psychiater Bram Bakker betoogde in de Volkskrant dat er ‘in de geest van Rogi en Joost iets (moet) komen dat depressie meer bekendheid geeft (…) ook om de psychiatrie verder te emanciperen.’ Dat ‘iets’ kondigde hij vreugdevol aan: ‘Op maandag 26 januari 2016, Blue Monday, [zou] het eerste Depressiegala plaatsvinden.’ Een gala! Depressie op de rode loper, van depressie maken we een feest! ‘Ter nagedachtenis van Joost, Rogi en al die andere mensen die de strijd tegen hun depressie niet hebben weten te winnen.’ ‘Dat hebben mijn makkers wel verdiend, lijkt me.’ (Ze waren er blij mee, J.B.) Wieg ging in zijn ‘wonderbaarlijk goede perioden’ weleens met zijn psychiater zalen langs om over depressie te praten, met Zwagerman had Bakker, zoals hij schreef, ‘een diep gevoeld, maar nooit expliciet uitgesproken verbond als strijders tegen zelfmoord.’ Joost en hij (‘we’) ‘wilden meer begrip, meer aandacht, betere behandelingen. En waar het kon, wezen we op alle bekende en onbekende mensen die iemand hadden verloren “door eigen hand”, zoals Joost zijn boek prachtig betitelde.’

Zo kwam Joost ook bij mij voor zijn interviewboek. Welke titel had hij daarvoor in gedachten? Niet doen, zei ik nog, lachend alluderend op wat de Duitse psychiater Wilhelm Stekel, leerling van Freud, over de Ausdrucksform ‘mit eigener Hand’ opmerkte en tevens refererend aan een boekuitgaafje van Rob Schouten: Met de hand. Bevredigende gedichten (1992), een bloemlezing masturbatiepoëzie. Later kon ik hem nog plagen door te wijzen op het referentiewerk van uroloog en seksuoloog Mels van Driel: Met de hand. Een culturele geschiedenis van de soloseks (2010).

VI

De tekens, de vooruitwijzingen, de signalen?

In Zes sterren staat deze bedenking: ‘Signalen. Alsof een zelfmoordenaar als een automobilist zijn richtingaanwijzer aandoet zodra hij afslaat.’

Achteraf – altijd achteraf en nooit op de momenten dat de dingen gebeuren – zijn er tal van indicaties.

Het begon ermee dat Zwagerman in januari 2015 zijn volledige levens-, kunst- en schrijversarchief aan het Letterkundig Museum doneerde. Volgens de directeur van deze instelling zou de collectie een waarde van € 200.000 vertegenwoordigen. Joost was vijftig jaar, niet de leeftijd voor dergelijke rigoureuze tabula rasa, zeker niet voor een schrijver. Of hij het bedrag toucheerde, weet ik niet, maar in ieder geval wel dat de geschatte waarde van zijn schenking in mindering viel te brengen bij zijn belastingopgave, zoals gebruikelijk bij donaties aan een museum of dergelijk cultuurinstituut.

Hij was op radio en tv, publiceerde en richtte exposities in; hij leek als een feniks aan zichzelf ontstegen bij het bereiken van de status Maximaal Bekende Nederlander. Illustratie: Erik Kriek

Joost Zwagerman en ik kenden elkaar van vóór zijn debuut in 1986. Ik ontving zijn eerste brief uit Alkmaar, handgeschreven, in 1983: ‘Ik ben negentien jaar oud en moet nog zoveel leren.’ Hoe, waar, wanneer wij elkaar voor het eerst lijfelijk ontmoetten, is uit mijn geheugen verdwenen. Onze correspondentie, onregelmatig, eindigde met een computerbrief van hem, april 2015, een datum tussen de opruiming van zijn archief en van zichzelf.

De voortijdige wegschenking van zijn archief heeft een vóórecho in een brief uit 1984: ‘Jij weet al dat de gehechtheid aan een literaire nalatenschap mij vreemd is.’ Niet alleen in materiële zin, zo diende ik te begrijpen uit de hierop volgende zin: ‘Na mij, ahum, de zondvloed; het laat mij koud of iemand mij nog leest of waardeert als ik kassiewijlen ben.’ Een jaar later: ‘raar is dat: ik houd dus kennelijk niet van mijn boeken.’
Joost verkeerde in geldverlegenheid vanwege zijn in 2011 ingezette echtscheiding waarbij hij naar zijn eigen opvatting door zijn ex, voorheen een jeugdliefde die vijfendertig jaar standhield en veranderde ‘van geliefde in hatende sirene’, financieel werd uitgeperst. Verslagen daarover schreef hij mij. Hij verliet de echtelijke woning om in het godverlaten oordschap Tuitjenhoorn te gaan bivakkeren ‘in mijn houten huisje van dertig vierkante meter, waar het voordien goed toeven was, maar waar ik ook de winters doorbracht [en] waar ik dan ook nog mijn kinderen naartoe bracht, ieder weekend vijf uur tuffend van en naar Amsterdam.’ Hier begonnen de depressies, welk ziektebeeld hij in een van zijn essays karakteriseerde als ‘een verwonding in het hart en het brein.’ Zo kwam hij, naar hij mij schreef, ‘in het zogeheten geestelijke hulpverlening-circuit terecht’. ‘Tot ik niet meer functioneerde en nota bene onder druk van dierbaren werd opgenomen in een kliniek in Limburg, een particuliere kliniek, ook dat nog, alsof ik niet al afstevende op een failliet.’

Hij kwam de ellende te boven, in ieder geval voor zo lang als het zou duren. Hij was op radio te horen, op televisie te zien, hij schreef essays en columns, publiceerde nieuw werk, richtte tentoonstellingen in, zodat het leek of hij als een feniks aan zichzelf was ontstegen bij het bereiken van de status Maximaal Bekende Nederlander. Van alle in mijn dodenboek beschrevenen was hij de beroemdste. Hij behoorde een poos tot de best verkopende schrijvers.

Na het Boekenweekgeschenk 2010, de novelle Duel, was er geen verhalend werk meer van hem verschenen, als herinnering aan zijn romans werd in 2014 nog een feestje aangericht om te vieren dat Gimmick!, het boek van zijn doorbraak, vijfentwintig jaar tevoren was verschenen. Hij bepaalde zich verder tot gedichten en essays, zijn dichtbundel Roeshoofd hemelt, verschenen in hetzelfde jaar als Door eigen hand, vond hij zijn beste werk. Afgaande op de stroom van publicaties in zijn laatste jaren, was er van creatieve impasse geen sprake. Gloedvolle, enthousiasmerende essays over kunst, literatuur, popmuziek, film in omvangrijke boeken als Alles is gekleurd (2011), Kennis van geluk (2012), Americana (2013) en De stilte van het licht (2015), die nog werden afgewisseld met gedichten in de bundels Voor alles (2014) en Wakend over God (postuum 2016). In de negenentwintig jaar van zijn schrijfbezigheden bouwde hij in die relatief korte tijdspanne een gigantisch, kleurrijk, veelkantig oeuvre van overwegend goede kwaliteit.

De term ‘burn-out’ viel in zijn laatste brief, waarin hij ook schreef: ‘Het ging mij niet zo goed de laatste jaren.’ Het contact tussen hem en mij was zonder aanleiding opgehouden, hij stuurde mij niet meer volgens gewoonte zijn nieuwe boeken, die ik dus in de winkel aanschafte. Hij legde me uit: ‘Ik verwaarloosde behalve mijzelf ook mijn correspondenties en (literaire) vriendschappen (…) Ik verzaakte optredens en lezingen, bleef weg bij feesten en partijen. (…) Dat ik bleef schrijven en functioneren was een wonder. (…) Ik raakte redelijk oververmoeid en uitgeput.’

Richtingaanwijzers: Zwagermans essays over depressie eindigend met zelfmoord van kunstenaars als de schilder Mark Rothko, de popmuzikant Kurt Cobain, de schrijver David Foster Wallace en anderen. Zoals in al zijn essays etaleerde hij een veelzijdige belezenheid en artistieke kennis, maar in dezen vooral een sterke inlevingskracht, soms gepaard aan hoon voor de psychiatrie, de winderigste van alle wetenschappen. Dit laatste onder meer in zijn opstel over Vincent van Gogh: ‘Hoe is het mogelijk dat één patiënt, door de psychiaters in kwestie nooit in levenden lijve aanschouwd, zoveel verschillende aandoeningen krijgt toegeschreven?’

David Foster Wallace, ten onder gegaan aan depressies, memoreerde in een toespraak het bekende gezegde: ‘Het brein is een voortreffelijke dienaar, maar een verschrikkelijke meester.’ Hij zei dit om te illustreren dat volwassen zelfmoordenaars meestal een vuurwapen gebruiken, en niet zomaar: ze schieten de verschrikkelijke meester dood. ‘En de waarheid is dat de meeste suïcidanten al dood waren voordat ze de trekker overhaalden.’ Zwagerman: ‘Zelf verkoos Wallace de strop boven het vuurwapen – maar ik waag me niet aan welke speculatie ook over mogelijke beweegredenen om the terrible master het zwijgen op te leggen.’

Zelfmoord als indirecte moord. Daar had de psychiater Freud het al over. Diens collega Wilhelm Stekel, dezelfde als hierboven genoemd, wist het nog zekerder: ‘Niemand begaat zelfmoord die nooit een ander heeft willen vermoorden, of de dood van een ander heeft gewenst.’ Toe maar! Zwagerman bracht hierbij Anna Karenina te pas, die zich voor de aanstormende trein wierp met de gedachte: ‘Ik zal hem straffen.’ Ze bedoelde natuurlijk haar minnaar Vronski, zoals de lezer van Tolstojs roman begrijpt, – maar een romanpersonage opvoeren om enige stelling over zelfmoord bij te vallen? Wie had jij willen vermoorden, Joost, wie heb je dood gewenst of willen straffen? Had zelf een boek als Anna Karenina in je huid getatoeëerd.

Na zijn archief te hebben weggedaan, besloot hij onverwacht tot een andere uitgever dan De Arbeiderspers, die hij altijd trouw was gebleven, ondanks korzeligheden en conflicten met een der directeuren die hij er in de loop der jaren heeft meegemaakt. Deze dacht uitsluitend aan hoge verkoopcijfers en bestsellers, die Zwagerman niet meer leverde, en bracht geen interesse op voor ander literair werk dan bij voorkeur seksueel gepeperde romans, laat staan voor de essays en gedichten, die Zwagerman in het vervolg zou schrijven. Bedoelde uitgever, voldoening puttend uit het schofferen van schrijvers, verdween, Zwagerman bleef statig overeind, met de kracht van zijn meeslepende essays al zijn in se niet zo sterke romans overtreffend. Kort voor zijn dood maakte hij zijn overstap naar uitgeverij Hollands Diep bekend, van ex-Bezige-Bij-directeur Robbert Ammerlaan. Uit de krant (De Standaard, 15 januari 2016): ‘Zwagerman zou bij Hollands Diep de komende acht jaar drie tot vier boeken uitbrengen, waaronder twee romans.’ Intrigerend is de acht jaar die hij kennelijk nog voor zich zag. Het bleef bij de bundel Wakend over God. Daarin het gedicht getiteld ‘Systeem’:

Een dominee kwam langs en sprak:
‘Plotinisme, kent u dat woord?’ Eh,
nee. En opgezocht. Okee.
In ieders ziel twinkeleert
het goddelijke en omgekeerd
vibreert ieder mensenleven
in de hartenklop van God.

Een lang stuk henneptouw,
geklonken aan een scharnierende
systeemhaak in een hoog plafond.
Met beulsknoop, stoel en plastic zak
begin je aan je hemelvaart. Je wordt
Gods in Zichzelf mislukte proefballon.

Innerlijk voer je je laatste overleg.
Hoe schopt men de stoel waarop men staat
het makkelijkste en fataal onder zich weg.
Dominee, er kantelt scherp een wereld
die in ademnood. Ik trek die wereld vlot

en stijg naar adem happend op
naar een universum zonder God.
Niet platonisch maar plotinisch
– zo het woord bestaat – spat
alles tussen God en mensenziel
voorgoed en weergaloos kapot.

Gewone mensen, merkte hij ergens op, kennen vier seizoenen, de kunstenaar kent er vijf: lente, zomer, herfst, winter en depressie. Hij slikte er medicijnen tegen, antidepressiva en pijnstillers, steeds andere, sterkere, met ook steeds andere, nog zieker makende bijwerkingen en zonder heilzaam resultaat. ‘De gedachte aan zelfmoord werd een wurgkoord om mijn nek,’ zei hij in een interview (De Morgen, 20 november 2012), met een foto erbij: Zwagerman vereenzaamd in die blokhut in Tuitjenhorn. In nog andere interviews had hij het over dat wurgkoord, tot hij in Humo (26 november 2013) verklaarde: ‘Ik ben blij dat ik er weer ben, ik heb een tijdlang aan de zijlijn van mijn eigen leven gestaan.’

Gevloerd vanwege depressies, die met de suïcidepoging van zijn vader bleven samenhangen en niet minder met de echtscheidingsellende die hem ingaf ‘een mislukkeling’ te zijn, schreef hij mij dat dit alles nog niet ‘het hele verhaal’ was: ‘Door een infectie en ontsteking in mijn linker oog kwamen artsen op het spoor dat ik aan ontstekingsreuma lijd, niet te genezen en progressief, de ziekte van Bechterew, in een al redelijk vergevorderd stadium, je zag het hopelijk niet, maar ik groei langzaam krom (…). Het kromgroeien is tot daar aan toe, maar je conditie gaat achteruit, je bent veel vaker en veel sneller moe, vrij lastig voor iemand die met goede moed en frisse zin en die graag veel wil schrijven – ik kreeg de diagnose in 2012 en moest daar aan wennen, moest mezelf een nieuw levenstempo aanleren en moet niet meer alles en nog veel meer “willen”, zogezegd. Ook lang op een stoel zitten is niet altijd mogelijk, dus urenlang doorschrijven is er niet meer bij.’

‘Je zag het hopelijk niet’: de brief waarin dit staat dateert van na de laatste keer dat wij elkaar ontmoetten. Hij liep niet krom, ik zag hem rechtop staan en lopen, jongensachtig energiek en aanwezig zoals ik hem altijd had gezien als ik hem tegenkwam, wel iets ouder geworden, maar nog altijd de Joost Zwagerman, zon in zijn brillenglazen. Hij stelde mij bij die gelegenheid zijn aardige nieuwe vrouw voor. Depressies? Die waren voorbij, riep hij, de benauwdheid in het deprimerende Tuitjenhorn was vervangen door licht en lucht in een prachtig huis in het deftige Haarlem en zijn nieuwe boek lag bij de drukker.

Rechtop met hervonden moed.

Dat nieuwe boek was de essaybundel De stilte van het licht, met daarin het hoofdstuk onder de mij bekende titel ‘Het verlangen om er niet te zijn’, die ik door dezen mijzelf weer als mijn geestelijk eigendom toe-eigen. Trefwoorden, als signalen: stilte, leegte, zwijgen, abstractie, angst, verdwijnen, eeuwigheid, dood, het eindeloze wit. In het personenregister veel Rothko weer, schilder van ‘lichtgevend zwart’. Van mij citeert hij uit Bezonken rood: ‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt’, dat ik achtentwintig jaar eerder tot mijn verrassing ook al was tegengekomen in het gedicht ‘Vandaag gezongen’ in zijn poëziedebuut Langs de doofpot. Er was niets dat erop wees, zijn lach niet, zijn krachtige handdruk niet, zijn hartelijke belangstelling niet die hij voor iedereen en alles tentoonspreidde, dat hij een paar maanden later afwezig zou blijven bij de presentatie van De stilte van het licht en dat de bundel zo goed als postuum zou verschijnen.

Die laatste ontmoeting was in Antwerpen op 25 april 2015. In de Bourlaschouwburg aldaar viel mij ter gelegenheid van mijn 75ste verjaardag een hommage ten deel van acteurs, muzikanten, zangers en veel schrijvers. Daar betrad Joost Zwagerman in zijn zwarte pak het podium en las in een pilaar van licht dat alleen hem bescheen en in zuchtloze stilte zo diep als de dood een autobiografische tekst voor. Dat hij jaren terug bij mij op bezoek was geweest voor een interview over zelfmoord, op te nemen in zijn boekje Door eigen hand. ‘Wie zou willen oordelen? Oordeel liever niet.’ Hoe dat interview cirkelde rondom zijn vader en hemzelf als bijna nabestaande van een bijna zelfmoordenaar. ‘De man over wie men zegt dat hij in alles zo ontzettend absoluut is (dat zou ik zijn, J.B.) leerde mij die dag om te relativeren.’ ‘Nabestaanden moeten zich verdiepen in de zelfmoordenaar, en pas daarna in elkaar of zichzelf.’

Aldus sprak Joost in dat licht in die stilte: ‘Brouwers liet mij na die dag weer in mijzelf geloven – of, preciezer gezegd, in het geloof mijn vaders eertijdse, bijna fatale hang naar de zelfverkozen dood blijvend te boven te komen. Ik had de kracht herwonnen mijn vader ervan te overtuigen zijn laatste deur niet te openen, het schimmenrijk achter die deur niet binnen te gaan. Zou hij toch naar die deur reiken en een nieuwe poging doen, dan zou ik mij, al dan niet postuum, niet achter of pal tegenover hem hoeven op te stellen, maar zou ik, inderdaad, naast hem staan.’

Hij besloot zijn toespraak (onder de kop ‘De laatste deur’ gepubliceerd in De Standaard, 24 april 2015) met deze woorden: ‘Mijn vader, nu 76 en één jaar ouder dan Jeroen Brouwers, is er nog, naast mij en ik naast hem.’

Hij vergiste zich. Zijn vader, Jaap Zwagerman, was vier jaar ouder dan ik. Hij zou, op een maand na tachtig jaar oud, in Alkmaar overlijden op 4 juli 2016. De rouwadvertentie in de Alkmaarsche Courant, 11 juli daaropvolgend, vermeldde onder de naam Jaap Zwagerman: ‘de vader van’. Bij de namen van de familieleden stond die van Joost bovenaan. Erachter: ‘(in herinnering)’.

Requiem.

Na afloop van het Bourla-gebeuren werden de zaken nog eens doorgenomen en besprenkeld in het nabijgelegen café De Duifkes. Joost kwam er ook even bij, vrolijk, het glas omhoog. Skol. Niets was er dat erop wees dat hij verlangde om er niet te zijn, noch iets wat aankondigde dat minder dan een halfjaar later de kist met hem erin ten afscheid zou worden neergezet in de Amsterdamse kerk De Duif.

Joost Zwagerman als ‘gestempelde’ zo bevreesd voor genetisch overdraagbare rampspoedigheden, zichzelf beschouwend als ‘mede-slachtoffer’ van andermans zelfmoord waartegen hij zich tot voorbij alle uitersten wilde verzetten, beging zelfmoord op 8 september 2015. Hij liet drie kinderen in hun puberteit in de steek, zijn nieuwe geliefde was zwanger van hem.

Uit Roeshoofd hemelt is dit gedicht:

wie lijkt verstikking een prettig gevoel
wie knoopt zelfs zijn schoenveter tot een strop
wie kiest er voor de elektrische stoel
wie loopt de zee in en duikt nooit meer op

wie hunkert naar de aanstormende trein
wie danst op het dak van de torenflat
wie druppelt arsenicum in zijn wijn
wie heeft de gaskraan al opengezet

ik bid voor het volmaakte zelfverlies
het herhaald gebed blijft onverhoord
ik weet niet welke manier ik verkies

uit zoveel verlokkingen van zelfmoord
ik denk dat ik mij voorlopig invries
en wacht tot god zich verhangt aan zijn woord

Zwagerman, ‘mede-slachtoffer’ van andermans zelfmoord waartegen hij zich altijd verzette, beging zelfmoord. Hij liet drie puberkinderen in de steek, zijn nieuwe geliefde was zwanger van hem. Illustratie: Erik Kriek.