Ze waren hét toonbeeld van doe-democratie. Maar binnen een jaar ontstond tweespalt tussen de zichzelf besturende inwoners van Nieuw-Dordrecht. VN keert terug. ‘Een veendorp, dat is jenever, turf en achterdocht. Daar ben ik nu wel achter gekomen.’

‘Kampioen burgerinitiatief’ werden ze genoemd. Het eerste ‘doe-het-zelf-dorp’. Diep in Drenthe namen de ruim zestienhonderd inwoners van Nieuw-Dordrecht hun dorpsbestuur in eigen hand. Wegen- en groenonderhoud, zorgtaken – ze deden het voortaan allemaal zelf. ‘Nieuw-Dordrecht werd altijd een dorpje onder de rook van Emmen genoemd, maar dat moet nu maar eens worden omgekeerd,’ sprak de voormalige Emmer PvdA-wethouder Ton Sleeking. ‘Emmen is voortaan een dorp onder de rook van Nieuw-Dordrecht.’

Ruim een jaar geleden wijdde Vrij Nederland een reportage aan de in 2014 opgerichte dorpscoöperatie. Het was een toonbeeld van de gewenste doe-democratie waarbij actieve burgers een deel van de overheidstaken op zich nemen. Geen gemeentelijk symposium over dit populaire onderwerp of de Drenten hielden er hun presentatie. Minister Plasterk meldde zich. Ze schoven met hun experiment aan bij de Hilversumse omroep. Zelfs vanuit Vlaanderen kwamen delegaties naar snackbar ’t Kruuspunt waar de twee kilometerslange, kaarsrechte wegen met hun lintbebouwing – de Vastenow en de Herenstreek – elkaar ontmoeten. Wat was het wonder van Nieuw-Dordrecht?

Natuurlijk, er zijn meer voorbeelden van dorpscoöperaties in Nederland. Wat het Drentse dorp uniek maakt, is het gehanteerde ondernemingsmodel. Uit de begroting van de gemeente Emmen spitte de coöperatie de bedragen die aan openbaar onderhoud in Nieuw-Dordrecht werden uitgegeven. Over de besteding van dat geld wilde het dorp voortaan zelf kunnen beslissen. Door de inzet van vrijwilligers kon op de oorspronkelijke kosten worden bespaard. De winst wilde het dorp in lokale voorzieningen steken: in die broodnodige nieuwe voetbalkantine bijvoorbeeld, of de zorg voor de lokale ouderen. Zo bood de coöperatie behalve meer eigen beslissingsbevoegdheid ook een antwoord op de bevolkingskrimp die de streek treft. En op de vraag hoe de saamhorigheid binnen het vergrijzende dorp te versterken.

Maar een jaar later hebben bestuurslid Wim Hassink en penningmeester Bennie Grimberg, de twee drijvende krachten achter de coöperatie, hun werk neergelegd. Grimberg is door de ledenraad van de coöperatie geroyeerd, Hassink stapte december jongstleden zelf op.

‘Kampioen burgerinitiatief nek omgedraaid’, kopte vakblad Binnenlands Bestuur. Behalve aan onenigheid in het dorp schreven Hassink en Grimberg de ontstane situatie toe aan de gemeente Emmen ‘waarmee we bijna fulltime in een bureaucratisch gevecht verwikkeld zijn’ en die voorjaar 2015 verklaarde het ‘experiment dorpscoöperatie’ na twee jaar te willen beëindigen. In plaats van eendrachtige samenwerking bezorgde de doe-democratie Nieuw-Dordrecht gefrustreerde bestuurders en een gespleten dorp.

Hoe kon het zo ontaarden?

Echt onzin

Tja, hij stond wel even met zijn ogen te knipperen toen hij die berichtgeving las, vertelt CDA-wethouder Bouke Durk Wilms in het Emmer gemeentehuis. De man met ‘Nieuw-Dordrecht’ in zijn portefeuille, de voornaamste ‘nek-omdraaier’ dus. Hij overwoog een ingezonden brief te sturen, maar deed het uiteindelijk toch maar niet.

Wat Grimberg en Hassink beweren is ‘echt onzin’, stelt Wilms. Dat het experiment Nieuw-Dordrecht voorjaar 2015 werd beëindigd, betekende in feite niks. ‘De geldstroom bleef intact. Iedereen weet namelijk dat je zo’n dorpscoöperatie niet op een achternamiddag rond hebt. Je moet de dorpsbevolking zo ver meekrijgen dat ze bereid is de nieuwe taken op zich te nemen. De gemeentelijke organisatie moet op een andere manier leren werken: durven loslaten, de regelgeving versoepelen. Daar gaan jaren overheen.’

Nee, de reden waarom de boel in Nieuw-Dordrecht deze zomer klapte, zit volgens Wilms vooral in iets anders. Het waren ‘hartstikke bekwame en enthousiaste bestuurders’, daar bij de coöperatie, maar één ding hadden ze onderschat: het draagvlak voor hun verregaande ambities binnen het dorp. Wilms: ‘Je moet niet in één keer van de vloer op zolder willen springen. En dat was wat het bestuur van de coöperatie wel deed.’

Erkende overlegpartner

Daar zitten we dan weer aan tafel in het kantoor/woonhuis van bestuurder Wim Hassink in de voormalige pastorie aan de Vastenow. Alle plannen van het vorige gesprek (‘We gaan voor minstens tien tot twintig jaar. Mensen moeten concreet kunnen zien dat hun leefomgeving verbetert’) zijn verdampt. Bij een glas plat water en een zoutje maken oud-penningmeester Hassink en bestuurder van het eerste uur Bennie Grimberg de balans op.

Je moet niet in één keer van de vloer op zolder willen springen. En dat was wat het bestuur van de coöperatie wel deed.

Tot afgelopen zomer leek alles nog redelijk goed te gaan, stellen ze. Zeker, ze merkten dat de met pensioen gegane beleidsmedewerker van de gemeente Emmen, iemand die zich sterk had gemaakt voor de lokale burgerkracht, geen opvolger kreeg. Ook de provinciale startsubsidie van 25.000 euro, door de gemeente Emmen nog eens verdubbeld, werd niet herhaald. Ze moesten het doen met de 13.000 euro die ze als ‘erkende overlegpartner’ jaarlijks van de gemeente Emmen ontvingen.

Geen punt, de coöperatie wilde immers niet van de gemeente afhankelijk zijn maar juist eigen inkomstenbronnen aanboren. Uit begrotingsonderzoek kwam naar voren dat Emmen jaarlijks zo’n 46.000 euro uitgaf aan het groenonderhoud in Nieuw-Dordrecht. Kom nu maar eens op met dat geld, dachten Hassink en Grimberg. ‘Alleen zo konden we een goede pilot draaien en als die slaagde, de zaken hier in het dorp voortvarend aanpakken.’
Maar dat geld kwam niet.

Grimberg: ‘Konden we het wel aan, dat groenonderhoud, vroeg de gemeente zich af. En hoe zat het met de verantwoordelijkheid? Wie was aansprakelijk als iemand tijdens het bomen snoeien een tak op zijn rug zou krijgen of als een boom door een ondeskundige vrijwilliger werd toegetakeld?’ Geen onterechte vragen, vindt Grimberg. ‘Wij wilden het contract met de bestaande hovenier dan ook gewoon voortzetten en slechts een deel van het werk hier in het dorp onderbrengen. Maar daarvoor hadden we wél eerst dat geld nodig. Wij zeiden tegen de gemeente Emmen: wees bereid om dat in het dorp te besteden, dan gaan wij vervolgens energie steken in de organisatie van het groenonderhoud.’

Foto: Otto Snoek
Patstelling

Het was een patstelling die aanhield. Tegelijk kregen de bestuursleden het met de eigen leden aan de stok. Al in oktober 2014 hadden bestuur en ledenraad opdracht gegeven het leegstaande, vervallen Groene Kruisgebouw te slopen, een lelijke puist in het dorpsaangezicht. De coöperatie betaalde de particuliere eigenaar 12.000 euro aan sloopkosten. Maar het verwachte rendement door verkoop van de grond bleef uit. De coöperatie had zo een aanzienlijk deel van haar jaarbudget eraan besteed om één enkele dorpsbewoner uit de brand te helpen. En de dorpsslager, die al jaren een oogje had op de plek, voelde zich gepasseerd. Hoewel de door het dorp gekozen ledenraad van de coöperatie vrijwel unaniem met de sloop instemde, kwamen daar nu alsnog vragen over. Hassink: ‘Dan gaf iemand aan dat hij er eigenlijk toen, bij de eerste stemming, ook al tegen was. Zo kun je geen onderneming drijven.’

Het dorp als onderneming, dat was wat de twee bestuursleden voor ogen stond. ‘Je kunt niet elke maand polsen: hebben we nog draagvlak?’, zegt Hassink. ‘Zo zitten wij niet in elkaar. We hebben zeswekelijkse bijeenkomsten gehad met de ledenraad, continu presentaties gehouden. Als we iets niet goed zouden doen, dan zouden we het wel horen, dachten we.’

Juist daar ging het mis. Hassink: ‘Aan de ene kant wil het dorp leiding, aan de andere kant vinden de inwoners het heel vervelend dat het bestuur de richting bepaalt.’ En dan ook nog twee welbespraakte mannen in pak die volgens veel bewoners graag met hun succes pronkten in de media, allebei ook nog eens buiten het dorp geboren. En ook al woon je veertig jaar in Nieuw-Dordrecht – wie dat lot treft, blijft een ‘butenlander’.

‘Was ons plan niet een niveau te hoog voor het dorp, te ingewikkeld?’ vult Grimberg aan. ‘De grootste tegenstander van de coöperatie bleek de angst voor het onbekende. Men durfde niet.’

Het is ook wat je op een kille winterdag in het dorp hoort. Aan de schaars gevulde stamtafel van café Blaauw waar je bij binnenkomst meteen de deurkruk in je hand houdt. Onder de klanten van de supermarkt. Achter de balie bij het historische museum Collectie-Brands. Of in de frietlucht van ’t Kruuspunt, de tamtam van het dorp. De coöperatie wilde te veel, te snel. Het dorp beende het proces niet bij. Of het had hardnekkige, principiële vragen die tijdens de flitsende powerpointpresentaties van Hassink en Grimberg onderbelicht bleven.

Hoeveel burgerkracht kan een dorp als Nieuw-Dordrecht aan? vraagt een man terwijl hij voor zijn huis van zijn mountainbike afstapt. ‘Jonge gezinnen met kinderen hebben er geen tijd voor. Ouderen ontbreekt het aan energie. En wat is de werkelijke winst als de coöperatie hier het gras maait?’ Hij wijst naar het veldje voor zijn deur. ‘Als wij dat met vrijwilligers overnemen, moet de hovenier personeel ontslaan. Dan raken mensen uit de lokale gemeenschap hun baan kwijt.’

Een veendorp, dat is jenever, turf en achterdocht. Daar ben ik nu wel achter gekomen. 

Op de algemene ledenvergadering, afgelopen zomer, kwam het tot een breekpunt. Grimberg: ‘Mijn communicatie met het dorp zou beneden de maat zijn. En ik had Nieuw-Dordrecht onvoldoende op de kaart gezet. De emoties liepen hoog op. Een week na de vergadering kreeg ik een brief van de ledenraad dat ze besloten hadden mij als bestuurslid te royeren. Ik tekende bezwaar aan, want dat kon volgens de statuten helemaal niet. Toen besloot het coöperatiebestuur: we stoppen er helemaal mee. Wij worden onvoldoende gesteund door het dorp.’

Overrompeld

In het Emmer gemeentehuis voelde wethouder Wilms zich ‘overrompeld’ door de escalaties in het dorpsbestuur. ‘Het is lastig om te bepalen wat je dan moet doen,’ blikt hij terug. Hij hield zich bewust een tijdje afzijdig. ‘Ik wilde er even niet aankomen, het proces in het dorp laten.’ Toch was het ook voor hem een ‘hard leermoment’. Wilms: ‘Wij moeten als gemeente zorgen voor de verbinding. Bij samenwerking hoort een goeie communicatie. Kennis, begrip en vertrouwen, daar draait het bij een coöperatie om. En als je dat als bestuur niet goed doet, ja, dan kan het bij een omstreden besluit als die sloop van het Groene Kruisgebouw zo gebeurd zijn.’

Hadden Hassink en Grimberg het sluimerende wantrouwen in het dorp onderschat? Hassink: ‘Ik denk dat de mensen hier niet begrijpen wat een dorpscoöperatie werkelijk inhoudt. Kregen we het verwijt dat er te weinig gebeurde. We deden zogenaamd niks. Nou, ik heb de benen uit mijn lijf gelopen.’ Hij geeft een voorbeeld. ‘Wij wilden alle 25 dorpsverenigingen onder de paraplu van de coöperatie brengen en voortaan gezamenlijk optrekken. Zo kun je elkaar versterken en helpen bij het aanvragen van subsidies. Wij hebben met iedereen gesproken, maar er is helemaal niks van ons plan terechtgekomen. Men wílde gewoon niet samenwerken. Met de eigen vrienden hadden ze het allemaal leuk en gezellig genoeg.’

Grimberg: ‘Een veendorp, dat is jenever, turf en achterdocht. Daar ben ik nu wel achter gekomen.’

Hype

De Tilburgse hoogleraar sociologie Paul Dekker herkent veel in het verhaal van Nieuw-Dordrecht. ‘De dorpscoöperatie is een gevierd model,’ zegt hij. ‘Maar hoe betrek je de zwijgende meerderheid in de besluitvorming? Al die mensen die wel een mening hebben maar niet de tijd of energie om zich tegen het dorp aan te bemoeien, die moet je niet dwingen actief lid te worden om mee te tellen. Bij een dorpscoöperatie raakt de representatieve democratie uit zicht.’

Hij verwijst naar onderzoek uitgevoerd door zijn andere werkgever, het Sociaal en Cultureel Planbureau, waarin aan burgers werd gevraagd wie het gemeentelijk groen moest verzorgen: de burger of de gemeente. ‘Dan kiest een royale meerderheid voor de gemeente. Niet omdat men de inspanning niet wil verrichten, maar omdat het conflict met de buurman wordt gevreesd die misschien anders over het groen denkt. Een gemeenteraad is gekozen, gelegitimeerd dus. Bij een coöperatie liggen altijd conflicterende belangen op de loer.’

Dekker hoopt dat de doe-democratie een hype blijkt die snel overwaait. ‘Het is niet de oplossing voor de problemen van onze democratie. We kunnen er beter voor zorgen dat het gekozen bestuur op kleinere afstand van de burger komt te staan.’

Andere toon

In Nieuw-Dordrecht denken ze er nog steeds anders over. Dit najaar trad een vrijwel nieuw bestuur van de dorpscoöperatie aan, met bescheidener ambities. Slechts een paar huizen verwijderd van Hassinks monumentale pastorie serveert nieuwe voorzitter Herman Reurink koffie. Mag hij aan zijn eettafel één typerend verschil met zijn voorgangers noemen? ‘Het oude bestuur vergaderde altijd in het museum en hield daar zijn presentaties. Kostte zevenhonderd euro per maand aan huur, maar dat had zogenaamd wel stijl en standing. Ik vind dat een dorpscoöperatie gewoon in het dorpshuis moet zitten. Je moet contact houden met het dorp. Niet met je rug ernaartoe staan. Dat je ambitie hebt, is prima, maar je kunt niet boven aan de ladder beginnen.’

Anders dan Grimberg en Hassink heeft Reurink een lange geschiedenis in het Nieuw-Dordrechtse bestuur. Hij was voorzitter van Plaatselijk Belang, de voorloper van de coöperatie, en nam ooit met onderzoekers van de Landbouwuniversiteit Wageningen het voortouw om zelfbestuur van het dorp te onderzoeken. Iedereen kent hem. En hij zoekt een andere toon: ‘Ik dicteer niet aan de voetbalclub dat ze onderdeel van de coöperatie moeten worden. Ik vraag hoe we elkaar verder kunnen helpen. Dat is iets anders.’

Intussen gaat de dorpscoöperatie door met waar ze onder het vorige bestuur al mee was begonnen: het verzorgen van het groen in het dorpspark en op de begraafplaats. Om de communicatie te verbeteren is er drie keer per week in het dorpshuis een nieuw loket geopend. Niet van bovenaf, maar van onderop wil Reurink de coöperatie verder uitbreiden. De werkgroep verkeer, die de talloze wegpiraten op de Vastenow en de Herenstreek moet zien te beteugelen, staat in de steigers. De dorpswinkel moet tegen betaling kleine onderhoudsklussen van wooncorporatie Lefier overnemen.

De simpelste graadmeter voor Drentse burgerkracht? Het aantal mensen dat op het paasvuur afkomt.

Het gevolg van de nieuwe aanpak is dat het ledental van de dorpscoöperatie weer stijgt, constateert Reurink tevreden. Al merkt hij ook dat de mensen in Nieuw-Dordrecht nog steeds ‘snel de neiging hebben om achterover te leunen en naar anderen te wijzen. Waarom zouden wij dat allemaal gaan doen, daar hebben we toch de gemeente voor?’

Het is het onderscheid tussen zand en veen, weet Wobbe Katoen, in het dorp teruggekeerd als coördinator Nieuw-Dordrecht namens de gemeente Emmen. ‘De saamhorigheid is in historisch gegroeide zanddorpen veel groter dan in veenkoloniën als Nieuw-Dordrecht. Het hangt ook af van de vorm van het dorp. Lintdorpen strekken zich soms wel over tien kilometer uit, je moet elkaar kennen en in het dorp een actief verenigingsleven hebben.’

De simpelste graadmeter volgens hem voor Drentse burgerkracht: ‘Het aantal mensen dat op het paasvuur afkomt.’

Foto: Otto Snoek
Leerproces

Wat vertellen de ervaringen in Nieuw-Dordrecht over de kansen voor de doe-democratie in de rest van Nederland? Hassink en Grimberg mogen het onderspit hebben gedolven, het laat hun geloof in het dorpscoöperatie als zodanig onverlet. ‘De kans op succes heeft vooral te maken met de politieke kleur van het dorp,’ stelt Grimberg. ‘En met het opleidingsniveau.’

‘Wil je je ergens voor inspannen of alleen maar kritiek leveren?’ vult Hassink aan. ‘In andere delen van Nederland waait gelukkig een andere wind.’

Wethouder Wilms ziet de doe-democratie vooral als leerproces. ‘Het hoeft niet allemaal direct te slagen. Van fouten leer je het meest. Mits je de rust kunt bewaren en bij tegenslag niet allemaal meteen over elkaar heen duikelt. Het is een kwestie van kleine stapjes maken, dan wordt de coöperatie vanzelf groot.’

Hoe groot? Nieuwe bestuursvoorzitter Herman Reurink schat dat zijn coöperatie nu zit op veertig procent van zijn potentie. Hij droomt van een veld met zonnepanelen om energie voor het dorp op te wekken. Van een proef om alle Nieuw-Dordtenaren van een elektrische auto te voorzien. ‘Ik zag een film over een eiland bij Denemarken, helemaal zelfvoorzienend. Dat lijkt me fantastisch.’

Voor het zover is, moet hij de gemeente Emmen er nog van zien te overtuigen dat zijn coöperatie een betrouwbare partner is. Pas dan komt immers het geld los. Reurink: ‘Dat betekent communiceren en vertrouwen opbouwen. Maar ook iets kunnen laten zien. Mits de gemeente dan weer het vertrouwen heeft om een project door ons te laten uitvoeren. Maar ja, die hebben soms al twintig jaar een contract met een vaste aannemer. Dat is vaak niet zomaar op te zeggen.’

Nog steeds die patstelling, dus. Een half jaar na de tumultueuze zomer is de dorpscoöperatie op dat cruciale punt geen steek verder dan het vorige bestuur. ‘Taaie materie,’ erkent Reurink.

Tot een verzoening tussen oud en nieuw bestuur kwam het nog niet. ‘Ik vind de situatie uitermate onplezierig,’ zegt Grimberg, die zich voorlopig weinig in het dorpscentrum laat zien.

Hassink: ‘Wij zijn voor de ogen van de buitenwereld door het slijk gehaald.’
Ze stellen vast dat er ‘alleen maar verliezers’ zijn. ‘De politiek, de wetenschap, de bewoners, de democratie en wij als ondernemers.’

En de nieuwe coöperatie dan? Grimberg: ‘Ik vind hun beleid mijlenver afstaan van onze eerste ideeën over burgerparticipatie en eigen regie. Ze moeten zich schamen dat ze zich dorpscoöperatie durven noemen.’