Het idee van de postfossiele economie is prachtig, maar dat we cold turkey van onze olieverslaving af kunnen, is onzin.

Hoort u de bazuinen al klinken? Ziet u de nieuwe wereld al gloren aan de einder? Meent u ook dat we nu écht op de drempel staan van ‘de postfossiele economie’?

Het is voor velen een aantrekkelijke gedachte: leven in een land dat geen fossiele brandstoffen meer nodig heeft. Geen stinkende uitlaatgassen en geen ontwrichtende CO2-uitstoot; niet langer afhankelijk zijn van leveranciers als Saoedi-Arabië en Rusland; bevrijd zijn uit de greep van de oliebedrijven. Ophouden met het onnozelig opstoken van de schatten der aarde, maar duurzaam, slim en kleinschalig gebruik maken van de overdaad aan energie die zon, wind en water ons bieden.

De postfossiele economie, we dromen er al decennia over, maar het wensbeeld rijpt snel. Waarom? Daarvoor zijn vele redenen aan te wijzen. Heel dichtbij: dat we om ons heen ineens overal zonnecellen en elektrische auto’s zien. Op het allerhoogste niveau: dat de klimaattop in Parijs als een succes wordt beschouwd en dat de verhoudingen met de grote leveranciers van gas en olie weleens beter zijn geweest.

En ertussenin: dat een conservatieve partij als De Nederlandsche Bank (DNB) zich zorgen zegt te maken over de financiële stabiliteit omdat de honderden miljarden die we wereldwijd hebben geïnvesteerd in de fossiele economie wel eens snel in waarde kunnen gaan dalen. Oliebedrijf Shell, dat deze zorg onderstreept door 2 miljard dollar af te schrijven op investeringen in de delving van olie uit Canadees teerzand. Of het grootste mijnbedrijf ter wereld, het Brits-Australische BHP Billiton, dat afgelopen week een streep zette door 7,2 miljard dollar geïnvesteerd in de winning van schalie-olie in de VS.

‘De oliesector nadert zijn Kodakmoment,’ zei Mark Campanale dit weekeinde in een interview met Volkskrant-journalist Jeroen Trommelen. Die boodschap viel goed. ‘Kodakmoment’, daarmee verwijst Campanale natuurlijk naar de omslag naar digitale fotografie, waardoor filmrolletjesverkoper Kodak ineens bankroet ging. Kodakmoment. De term was meteen trending topic op het Nederlandse twitternetwerk.

Campanale, oprichter van analistenclub Carbon Tracker, adviseert, wat minder voorzichtig dan DNB, beleggers niet langer te investeren in de in zijn ogen obsolete en dus op termijn waardeloze oliebedrijven. In plaats daarvan zouden investeerders hun geld moeten steken in de postfossiele economie. Zelfs de lage olieprijs, die vorige week voor het eerst in twaalf jaar onder de 30 dollar per vat dook, zag Campanale als een teken dat het einde van de olie-industrie nabij is.

Prachtig natuurlijk. En goed dat de wenselijkheid van een postfossiele economie aan populariteit wint, maar het is niet nodig van blijdschap de werkelijkheid uit het oog te verliezen. Daarover twee opmerkingen.

Ten eerste is het idee dat we zomaar ineens van onze olieverslaving af zouden kunnen aperte nonsens. Ja, u als particulier komt nog een heel eind met wat zonnepanelen, ledlampen en een elektrische auto. Maar houd de haven van Rotterdam, Schiphol of de staalfabriek in IJmuiden maar eens draaiende zonder fossiele energie. Geen containerschip verlaat de haven, geen vliegtuig gaat de lucht in, geen plaatje staal rolt er van de wals. Nederland heeft een zeer fossiele economie, een afhankelijkheid waar we niet in een paar jaar vanaf zullen zijn. Cold turkey is geen optie.

Opmerking 2: die lage olieprijs helpt geen zier. Zolang het zwarte spul goedkoop en overvloedig beschikbaar is, zullen de grootverbruikers geen moeite doen om over te stappen naar de postfossiele economie. Hoe mooi dat ook zou wezen. Neemt u maar van me aan: hoe lager de olieprijs, des te langer we nog moeten wachten voordat het postfossiele tijdperk aanbreekt.