Essay / Nederlandse diplomatie

De Syrische staatstelevisie bracht vorige week een opmerkelijk item. Stervoetballer Lionel Messi van Barcelona werd ervan beschuldigd dat hij gecodeerde signalen geeft aan de Syrische rebellen. Als voorbeeld werd zijn opmerkelijke solo vertoond in de wedstrijd tegen Real Madrid. Messi dribbelde in een onnavolgbare slalom langs een groot aantal tegenstanders het halve veld over en gaf vervolgens de assist waaruit werd gescoord. De Syrische staatstelevisie projecteerde Messi’s solo op de kaart van Syrië en concludeerde zonder een spoor van ironie dat hij met zijn dribbel de locaties van verborgen wapendepots en geheime smokkelroutes had onthuld.

Deze onthulling, die ik natuurlijk voor honderd procent geloof, maakt mijn bewondering voor Messi alleen maar groter. Doe het hem maar eens na om tijdens een topwedstrijd in een kolkend stadion uit je hoofd de kaart van Syrië na te dribbelen terwijl er ook nog sprake is van tegenstanders die alles in het werk stellen om dat te verhinderen. Of misschien zaten die ook in het complot. Want dat was ongetwijfeld de belangrijkste boodschap die de Syrische staatstelevisie met dit item wilde overbrengen aan de Syrische burgers: het is allemaal een complot. De opstandelingen, voor wie wij in het Westen zo veel sympathie hebben, zijn nietsontziende rebellen die de stabiliteit van het land proberen te ondergraven en die daarbij geholpen worden door het Westen. De duistere krachten in het Westen deinzen er zelfs niet voor terug om ook in Syrië grenzeloos populaire sporthelden te misbruiken voor hun streven om de trotse natie te corrumperen en te destabiliseren. Het item was een waarschuwing aan alle Syriërs. Alles wat uit het Westen komt, zelfs schijnbaar onschuldig vermaak zoals een voetbalwedstrijd, kan een doelbewuste poging behelzen om de Syrische staat te vernietigen. En tegelijkertijd was het item een geruststelling, want het liet zien dat de Syrische autoriteiten niet op hun achterhoofd zijn gevallen en heel goed in staat zijn om zelfs de meest geraffineerde machinaties van de vijand in het Westen te doorzien en onschadelijk te maken.

Voor de bühne

Het is de klassieke propaganda van een dictatoriaal regime. De dictator weet wat goed is voor zijn onderdanen. Hij garandeert vrede en voorspoed. Zijn tegenstanders, die meer democratie eisen, zijn agenten van vijandige buitenlandse mogendheden die uitsluitend uit zijn op destabilisering van de natie. Maar gelukkig is er de dictator, die intelligent, slagvaardig en machtig genoeg is om zijn burgers tegen deze duistere krachten te beschermen. Iedere dictator in de geschiedenis heeft zich van dit argument bediend. Uit het feit dat het item over Messi zo vergezocht is, zou je kunnen afleiden dat het regime de greep op het land aan het verliezen is en wanhopig als een kat in het nauw rare sprongen aan het maken is. Maar niets is minder waar. Het regime van Assad is aan de winnende hand. Zijn nietsontziende repressie werpt haar vruchten af. De opstand wordt met succes neergeslagen. Tot zover de Arabische Lente in Syrië.

En intussen begint bij ons in het Westen de twijfel te knagen. We zijn overtuigd van de wreedheid van Assad en zijn getrouwen. De beelden van de talloze Syrische burgerslachtoffers staan op ons netvlies gebrand. Het enige wat zij wilden, was democratie. En voor die wens zijn zij genadeloos afgeslacht. Oké, het is ons land niet, formeel is het een interne aangelegenheid, we hebben er ook eigenlijk niets mee te maken, maar anderzijds zeggen wij toch altijd dat mensen die democratie willen onze vrienden zijn? Hadden we ze niet moeten helpen? Ja, we hebben wat laffe sancties opgelegd. De vrouw van Assad mag niet meer winkelen in Parijs. Maar niemand is er ook maar een moment van overtuigd geweest dat dat echt zou helpen. Waarom hebben we niet militair ingegrepen? Dat hebben we in Libië toch ook gedaan? En het argument om daar in te grijpen – dat een brute dictator geweld gebruikte tegen zijn eigen burgers die meer democratie wilden – gaat toch onverkort ook op voor Syrië?

Dit roept de vraag op naar moraal en ethiek in de internationale politiek. Wij Europeanen gaan er evenals de Verenigde Staten graag prat op dat wij in onze internationale betrekkingen een hoge morele standaard hanteren. Wij zijn vóór vrijheid en tegen onderdrukking. Wij zijn vóór mensenrechten en tegen geweld. Wij kennen het verschil tussen goed en kwaad en overal ter wereld zullen wij het kwaad bestrijden en het goede beschermen. Deze principes gaan boven nationaal eigenbelang. Maar telkens weer doet zich de vraag voor of dit geen loze praatjes voor de bühne zijn. Onze weigering om de opstandelingen in Syrië te helpen is slechts een van de zeer vele voorbeelden van beslissingen die indruisen tegen de met zo veel graagte gepropageerde morele standaard van onze internationale politiek.

Dirty business

Ik legde de kwestie voor aan een goede vriend van mij in Genua. Hij kent de praktijk. Hij is decennialang werkzaam geweest als geheim agent van MI6, de buitenlandse geheime dienst van het Verenigd Koninkrijk. Inmiddels is hij met pensioen, maar hij wil nog steeds niet met zijn echte naam in de krant. Laten we hem Don noemen.

‘International politics are a dirty business,’ zei hij. Hij zette er zo’n vies gezicht bij op dat ik begreep dat het eigenlijk nog een understatement was. ‘Elke vorm van ethiek in internationale politiek is een illusie, praatjes waarmee de kiezers aan het thuisfront zoet worden gehouden, een vorm van propaganda. In werkelijkheid gaat het altijd om eigenbelang. Niet óók om eigenbelang, maar uitsluitend en alleen voor honderd procent om eigenbelang. Iedere opstandeling of vrijheidsstrijder die ik in mijn tijd bij MI6 heb geholpen, was een bondgenoot van de Britse regering en ik heb evenzoveel vrijheidsstrijders of opstandelingen moeten dwarsbomen omdat ze een gevaar vormden voor Britse belangen. En er waren twee mogelijkheden: die belangen waren ofwel militair, ofwel financieel. Ik heb in mijn carrière heel wat democraten die vochten voor volslagen legitieme doelen, moeten verraden omdat hun vrijheidsstrijd indruiste tegen de belangen van Britse investeerders. Alles wat ik voor MI6 heb gedaan, diende het Britse eigenbelang. Alles. En daar ben ik niet bepaald trots op.’

‘Is het echt zo cru? Of overdrijf je?’

‘Ik overdrijf niet.’

‘En waarom denk je dat het is, Don, dat we weigeren om militair in te grijpen in Syrië om de opstandelingen te helpen, terwijl we dat wel hebben gedaan in Libië? Komt dat ook voort uit eigenbelang?’

‘Natuurlijk. Het is simpel. Je maakt een analyse van de plaatselijke situatie en als de rebellen een goede kans maken om te winnen, dan help je ze en anders niet. Kennelijk hebben de geheime diensten de conclusie getrokken dat de opstandelingen in Syrië geen schijn van kans maken. Dan druist een militaire interventie in tegen het eigenbelang, omdat die veel te riskant is. De Libische opstandelingen waren volgens de geheime diensten kennelijk aan de winnende hand. Dan is het verstandig om hen met veel vertoon van macht bij te staan om het laatste zetje te geven. Zo zorg je ervoor dat ze bij je in het krijt staan. Ze zouden uit zichzelf ook wel gewonnen hebben, maar door ze met veel bombarie te helpen maak je hen tot bondgenoten die je heel wat verschuldigd zijn.’ Ik knikte. Ik begreep dat Don gelijk had. Natuurlijk werkt het zo. Dit is het principe waarmee de in militair opzicht superieure partij zijn macht uitbreidt. Het Atheense imperium ten tijde van Pericles was voor een groot deel gebouwd op deze machtsbasis. In zijn befaamde lijkrede, zoals opgetekend door Thucydides, vertoont Pericles de voor ons maar al te herkenbare brutaliteit om deze vorm van internationale machtspolitiek ten overstaan van zijn eigen stadsgenoten te presenteren als een ethisch principe: ‘Wij maken vrienden door gunsten te bewijzen, niet door gunsten aan te nemen. […] Wanneer wij onze buren helpen, doen wij dat niet uit beredeneerd eigenbelang, maar omdat wij pal staan voor vrijheid.’

Het is precies dezelfde smoes die we in de loop van de geschiedenis tot op de dag van vandaag nog talloze malen zouden horen.

Don vertelde ook nog dat hij zich een televisie-interview herinnerde met de Engelse oorlogsheld Montgomery, voor de BBC ergens in de jaren zestig. Aan het einde van het programma werd hem gevraagd of hij ooit had overwogen om de politiek in te gaan. Montgomery glimlachte. Hij zei: ‘Ze zeggen dat oorlog dirty business is, maar politiek – bij Jupiter, bij Jupiter…’ En hij begon te giechelen.

Betere wereld

Ik herinnerde me hoe onze eigen minister van Buitenlandse Zaken, Uri Rosenthal, bij zijn aantreden verkondigde dat hij van plan was te breken met het beleid van zijn voorgangers. Het geheven domineesvingertje van het morele gelijk waarmee Nederland zich op het wereldtoneel had begeven was verleden tijd, zo zei hij. Hij zag het als zijn voornaamste taak om op te komen voor ons nationaal eigenbelang. Ik dacht toen al dat het hypocriet zou zijn om te denken dat dat werkelijk een fundamentele beleidswijziging was en daar ben ik inmiddels alleen maar meer van overtuigd.

Toch was het schokkend dat Rosenthal dat met zoveel woorden zei. Want het mag dan wel waar zijn, maar dat betekent niet dat je dat ook mag zeggen. Je moet natuurlijk altijd wel net doen alsof je de ethiek vooropstelt in je buitenlands beleid, want zo verkoop je dat beleid aan je kiezers. Dat is nu eenmaal de handicap van spelers op het wereldtoneel die een democratie vertegenwoordigen. Ze zouden het liefst net zulk vuil spel spelen als hun tegenstanders en als niemand kijkt doen ze dat ook, maar ze moeten altijd een manier verzinnen om het thuis uit te leggen. Het is schokkend om je te realiseren dat Rosenthal kennelijk heeft ingeschat dat de Nederlandse kiezers in deze tijd, en in elk geval de kiezers van de gedoogcoalitie die hem in het zadel hebben geholpen, gevoeliger zijn voor het argument van nationaal eigenbelang dan voor het oude argument dat Nederland zich inzet voor een betere wereld. Nog schokkender is het om je te realiseren dat hij daar waarschijnlijk nog gelijk in heeft ook.

Dit roept onmiddellijk de vraag op wat dat dan is, ons Nederlandse eigenbelang. De tijd dat we heersten over de zeven wereldzeeën is voorbij. Internationaal gezien zijn we geen zelfstandige speler meer. We opereren in de context van coalities, met name de Europese Unie en de NAVO. Ons nationaal belang valt samen met het belang van die coalities en vooral met onze positie en status binnen die coalities. Daarom moesten we meedoen in Afghanistan. Daarom moesten we, toen we vertrokken uit Uruzgan een nieuwe bijdrage leveren in Kunduz. Daarom moesten we twee F-16’s een paar rondjes laten vliegen boven Libië. Dat had niets te maken met de vraag of we het al dan niet eens waren met die missies, maar alles met het feit dat onze bondgenoten ons om een bijdrage vroegen en dat het voor onze positie binnen het bondgenootschap schadelijk zou zijn om dat verzoek af te slaan.

Het is ironisch dat Rosenthal met zijn pleidooi voor het behartigen van nationaal eigenbelang precies dát niet lijkt te hebben begrepen. Als een logge uitvoering van Messi dribbelt hij de ene solo na de andere, maar hij is geen Messi, hij schaadt het teambelang, hij lijkt niet eens door te hebben dat het gaat om het teambelang en merkt evenmin dat zijn teamgenoten hem steeds minder ballen toespelen en hem na afloop in de kleedkamer met de nek aankijken.

Goedmakertje

Deze regering heeft er een potje van gemaakt. We hebben de NAVO geschoffeerd door het verzoek tot verlenging van de missie in Uruzgan, waar toenmalig minister Verhagen nota bene zelf om had gevraagd, niet in te willigen. Het goedmakertje in Kunduz wordt door onze bondgenoten weggelachen. In Europa stapelen we de ene blamage op de andere, met onze weigering om Bulgarije en Roemenië toe te laten tot het Verdrag van Schengen, met onze geïsoleerde positie met betrekking tot Israël, met onze schoffering van de spilzieke Grieken, met onze autistische immigratiewetgeving en met het PVV-meldpunt voor overlast van Polen waarvan de premier weigert afstand te nemen. En de gevolgen van dit alles zijn dat we inmiddels een ondergeschikte rol spelen in de NAVO, dat we onze zetel in de G20 zijn kwijtgeraakt, dat we in Brussel steeds minder voor elkaar krijgen, dat onze premier geconfronteerd is met een ongekend pijnlijke motie van het Europees Parlement en dat Nederland als enige van de vier triple A-landen van Europa niet in aanmerking komt voor het voorzitterschap van de eurozone (dat exclusief is voorbehouden aan triple A-landen), omdat Nederland volgens Brussel politiek te instabiel is en te extreem in zijn standpunten.

Dat is de paradox. Onze vroegere hypocriete presentatie van ons internationaal beleid, dat in alle toonaarden ontkende dat het ons te doen was om nationaal eigenbelang en dat keer op keer benadrukte dat het ons uitsluitend ging om een betere wereld, gaf ons binnen onze bondgenootschappen een zekere vorm van moreel gezag en diende daarmee ons nationale eigenbelang, terwijl de huidige oprechte presentatie van dat beleid, dat eerlijk toegeeft dat we ons nationale eigenbelang vooropstellen, ons internationaal aanzien verkwanselt, onze positie binnen de bondgenootschappen verzwakt en ons nationale eigenbelang schaadt.