De vertrekkers 6 / Bibi de Vries (VVD)

‘Eerlijk gezegd maak ik mij daar wel zorgen over. Ik ben 43 jaar, en ik ben op Frans Weis­glas na het VVD-Ka­merlid met de meeste dienstjaren. Dat is een beetje mal. Ook na deze verkiezingen komen er overal vandaan een hoop nieuwelingen in de fractie. Die kunnen groeien, niet alles wat nieuw is, is slecht. Maar ik zeg ook: politiek is een vak dat je in de praktijk moet leren. Iedereen die zegt dat politiek geen vak is, die heeft geen idee waar hij het over heeft. Je hebt er zeker een jaar of drie, vier voor nodig om dat vak onder de knie te krijgen. Ik vind dat al die partijbesturen die naar nieuwe talenten speuren, wat meer oog zouden mogen hebben voor continuïteit en ervaring. Pas na een paar jaar in de Kamer weet je hoe de politieke strategieën werken en hoe je met de machtsevenwichten en de machtsonevenwichten om moet gaan. Bij het CDA hadden ze in het begin van deze periode maar een paar mensen die weten hoe de hazen lopen. Dat probleem had je bij ons in de VVD-fractie ook.’

Met Bibi de Vries, behalve parle­mentariër voor de VVD ook voorzitter van de Koninklijke Alge­mene Kappersorganisatie, vertrekt twaalf en een half jaar ervaring uit de Kamer. Nu het zover is, wil ze alles, behalve een huilverhaal ophangen over de wijze waarop het Nederlandse parlement functioneert. De Tweede Kamer, zegt ze, functioneert ­eigenlijk hartstikke goed. ‘Daar mogen wij in Nederland onze handjes dicht mee knijpen.’

Huilverhalen hoeven we ook niet te zoeken in haar boek Haagse taferelen, dat twee dagen na de komende Kamerverkiezingen moet verschijnen. Over de inhoud wil ze tot die tijd niet spreken. Maar als ik haar, aan het slot van ons gesprek, vraag of ze in woorden kan beschrijven wat volgens haar de essentie is van het vak politicus, dan verraadt haar antwoord waar die Haagse taferelen ook over gaan. ‘Een politicus,’ zegt ze, ‘is iemand die wil argumenteren, als het moet los van de partijpolitiek en los van de coalitiepolitiek.’ Een pleidooi, kortom, voor iets meer dualisme in de Haagse politiek, voor een grotere vrijheid voor het individuele Kamerlid en voor een wat grotere afstand, ook voor leden van regeringsfracties, van het Heilige Regeerakkoord.

Bibi de Vries zegt dat ze zelf, als vice-fractievoorzitter onder Jo­zias van Aartsen, wel degelijk geprobeerd heeft om het dualisme iets meer vorm te geven. En dat dat om den duvel niet eenvoudig is. Uiteindelijk ben je toch gebonden aan het regeerakkoord, afspraak is afspraak. Vrijheid of gebondenheid: dat dilemma, zegt ze, is niet van vandaag of gisteren. In de jaren zeventig schreef de toenmalige Kamervoorzitter Anne Vondeling (PvdA) er al een boek over. Hij vroeg zich af of parlementsleden, met name die van regeringsfracties, lammeren of leeuwen waren. Bibi de Vries heeft Vondelings boek recentelijk nog eens overgelezen. Het heeft niets aan actua­liteit ingeboet, zegt ze. Volg je als je partij in de regering zit – in haar Kamerjaren heeft ze nooit op de harde oppositiebankjes gezeten – in alles je eigen ministers? Of zie je het als je eerste volksvertegenwoordigende taak om juist hen te controleren? Bibi de Vries geeft, nou goed dan, één voorbeeld uit haar boek van de vrijheid die ze ieder Kamerlid toewenst. Het gaat om haar eigen bemoeienis met de omvorming van de WAO tot de WIA. De kwestie was of de uitvoering in handen gelegd moest worden van de verzekeraars, van de private sector dus, of van een publieke instantie. Als VVD’er hoorde ze als het ware van nature te kiezen voor de private sector. Daar waren het CDA, D66 en de regering ook sterk voor. Maar na rijp beraad vonden zij en Jozias van Aartsen dat het dan allemaal te duur werd. En dus koos ze voor een publieke instantie. Dat leverde haar, zegt ze, in oppositionele kring het koosnaampje ‘onze linkse vriendin’ op, terwijl ze zichzelf tot de rechtse, conservatieve vleugel in de VVD rekent. ‘Om zo onafhankelijk te opereren, moet je als Kamerlid behalve kennis van zaken ook een stevige ruggengraat hebben, en die moet je in de politiek al doende ontwikkelen.’

Misschien is dat wel een puntje van kritiek dat ze op het functioneren van de Kamer heeft. Dat er zo’n sterke nadruk ligt op de fractiediscipline. Natuurlijk. Het kan niet zo zijn dat alle kikkers altijd maar naar alle kanten springen. Een beetje eenheid van beleid kan geen kwaad. Anders weet niemand meer waar hij met een partij aan toe is. ‘Maar ietsje meer vrijheid, ietsje meer ruimte voor de persoon achter de politicus, het zou allemaal wel wat losser mogen. Wij hebben binnen onze VVD-fractie Ayaan Hirsi Ali gehad als de exponent van die vrijheid. Een deel van onze fractie vond dat leuk. Een ander deel vond dat heel slecht. Het kan prima uitpakken, zoals naar mijn mening in het geval-Ayaan. Maar het kan ook tot een hoop gedonder leiden in de tent.’

Heeft ze in haar twaalf en een half Kamer­jaar wel eens tegen haar eigen fractie in gestemd?

Bibi de Vries: ‘Nee. Nooit.’

En toch heeft ze zich, zegt ze, nooit beklemd gevoeld of beknot in haar uitingsvrijheid.

Het vertrekkende VVD-Kamerlid wil niet veel weten van die zogenaamde kloof die er tussen kiezers en gekozenen zou zijn. Of van de kaasstolp waar zovelen het Haagse Binnenhof post-Fortuyn voor aanzien. De sterkste kant van het Nederlandse parlement vindt zij juist de gemakkelijke benaderbaarheid van Kamerleden, de bereikbaarheid van bijna iedereen in de blauwe bankjes. In haar eigen werkkamer, zegt ze, is het een komen en gaan van mensen. Van individuen die met hun individuele problemen langskomen zo goed als van lobbyisten namens belangen­organisaties. Het briefverkeer van toen is kwadratair overgegaan in het e-mailverkeer van nu. Als voorzitter van de werkgevers­organisatie van kappers kent ze de problemen van het midden- en kleinbedrijf. Ze is bovendien nog moeder van twee schoolgaande kinderen. ‘Dacht u nu echt dat ik niet weet wat daar speelt en wat er onder de mensen leeft? Ik ben ervan overtuigd dat het gemiddelde Kamerlid donders goed weet wat er leeft onder de mensen.’

Vooruit dan. Nog een puntje van reflectie. Misschien stelt de politiek de zaken wel eens te rooskleurig voor. Neem de regel­geving. Die zou in deze kabinetsperiode met een kwart verminderd worden. Den Haag beroemt zich op cijfers waaruit blijkt dat dat gelukt is. Maar als ze haar oor bij de onder­nemers te luisteren legt, hoort ze daar iets heel anders. Mooi hoor, van Den Haag, zeggen ze daar. Minder regels, prima. Alleen, we merken er zo weinig van. Of neem de economie die aantrekt. Prachtig hoor, zeggen ze tegen haar in het midden- en kleinbedrijf. Maar eerlijk gezegd, Bibi, het gaat wat beter, het ergste is voorbij, maar zoveel verbetering als jullie zeggen dat er is, zien wij nog lang niet.

Dat zou je, zegt ze, wel een kloofje tussen Den Haag en de kiezers kunnen noemen.

Bibi de Vries: ‘Ik heb eens laten opzoeken hoeveel schriftelijke vragen er in het zittingsjaar 2005-2006 zijn ingediend en hoeveel spoeddebatten er aangevraagd werden; 1871 vragen en ongeveer honderd­tweeënveertig spoeddebatten. Die gaan vaak over zulke details dat je je afvraagt: jeetje jongens, moeten we ons daar nu echt mee bezighouden? Maar aan de andere kant, als je dan ziet hoe divers de onderwerpen zijn die daarin voorbij komen! Die komen allemaal uit de samenleving omhoog. Het gevoel leeft hier dat het wapen van het spoeddebat bot is geworden. Ik vind het tegelijk de zwakte en de sterkte van de Tweede Kamer. Zeker de coalitiepartijen ervaren veel van die spoeddebatten als onzin. De zaak waar het om gaat, is toch al duidelijk? Dat is de zwakte. De sterkte is dat het vaak helemaal niet zo duidelijk is. Of het nou gaat om de edelherten in de Oostvaardersplassen of om de Schipholbrand of om het salaris van kabinetsleden, het zijn allemaal onderwerpen waarover in de maatschappij gesproken wordt en waarover de kranten schrijven. Dat ze dan ook in het parlement besproken worden, kun je ook zien als een vorm van benaderbaarheid.’

Als voorzitter van de Kamercommissie voor de Rijksuitgaven wil Bibi de Vries één grote teleurstelling niet ongenoemd laten. De mislukking van de, enkele jaren geleden ingestelde, parlementaire verantwoordingsdag. Je hebt Prinsjesdag, zegt ze, de derde dinsdag in september. Op die dag houdt de majesteit haar troonrede en kondigt het kabinet zijn nieuwe plannen aan. Op verantwoordingsdag, de derde woensdag in mei, zou de regering uit de doeken moeten doen wat er van al die plannen terecht is gekomen. Bibi de Vries: ‘Dat zou een feestdag moeten zijn voor elke regering die er zit, van welke kleur die ook is. Maar het komt niet van de grond. Als je me vraagt waarom niet, dan heb ik daar geen antwoord op. Ik begrijp het gewoon niet. Krijg je de kans om als regering aan de burgers te laten zien wat je gepresteerd hebt, doe je er niets mee. Krijg je de kans als parlement om de regering daarop aan te spreken, laat je die voorbij gaan. De laatste keer hadden we zelfs maar één termijn. Inbreng van de Kamer, antwoord van de regering, klaar. Niemand die er verder nog zin aan had.’

Voor het overige moet het bijna afgezwaaide Kamerlid weinig hebben van nieuwlichtend parlementair gesleutel. Het aantal Kamerleden, zoals velen willen, terugbrengen van honderdvijftig naar honderd? ‘Ik zie het probleem niet dat door zo’n ingreep opgelost wordt. Ik geloof er niets van dat de Kamer dan meer op hoofdlijnen gaat debatteren.’ De Kamerleden meer ondersteuning geven, zoals Lousewies van der Laan en Farah Karimi in deze serie bepleit hebben? ‘Als Lousewies zegt dat de democratie gevaar loopt vanwege onze gebrekkige ondersteuning, dan vind ik dat een boude uitspraak. Ik geloof er niets van. Mijn medewerker en ik zijn samen heel goed in staat om de bv De Vries te runnen. Als je meer ondersteuning hebt, ga je je waarschijnlijk nóg meer in details begeven.’ En discussie meer thematisch agenderen, zoals het ‘burger­forum’ van ex-minister Pechtold bepleit? ‘Dat hebben we geprobeerd met het ouderenbeleid. Maar omdat alle partijen zich dan in het eindverslag moeten kunnen vinden, levert zo’n discussie louter slappe teksten op.’

Een interessante gedachte is het wel, vindt Bibi de Vries. Waarom wijdt het Nederlandse parlement niet vaker expliciete debatten aan de grote thema’s van onze dagen? Ze schudt de onderwerpen uit haar mouw. De vergrijzing. De segregatie in de grote steden. De infrastructuur. Nederland versus Europa. Het is allemaal wel eens aan de orde geweest, natuurlijk. Maar nooit als onderwerp op zich. Bibi de Vries: ‘Jan Peter Balkenende heeft het geprobeerd met de normen en de waarden. Verschrikkelijk belangrijk, onderschrijf ik. Maar het politieke debat daarover eindigde in niks.’

Ze gaat zich er nu niet over beklagen, zegt ze. Als Kamerleden zeggen dat er te weinig grote debatten geweest zijn, moeten ze op hetzelfde moment tegen zichzelf zeggen: ‘Je was er zelf bij. Waar was je dan op zo’n moment?’ Want anders krijg je toch dat huilverhaal, zo vlak voor haar vertrek.