Jarenlang studeren ze niet, of nauwelijks. Intussen doen ze de rest van de wereld geloven dat hun afstuderen aanstaande is. ‘Alles is beter dan de waarheid.’
Of hij zijn inschrijfbewijs van de universiteit even op wilde sturen, vroeg de moeder van Thomas afgelopen januari. Voor een bezwaarschrift aan de verzekering moest ze aantonen dat haar kinderen studeerden. Haar zoon zou dat voorjaar aan de laatste vakken van zijn master beginnen, dacht ze.
Twee keer redde Thomas zich eruit: het bewijs moest tot twee keer toe kwijtgeraakt zijn in de post. Zondag, als hij naar huis kwam, zou hij het meenemen.
‘Die avond vroeg mijn moeder weer naar de brief. Mijn hart bonkte in mijn keel. Ik stond op, ben naar mijn tas gelopen. Ik heb de rits zelfs nog open gemaakt, terwijl ik wist dat de brief er niet in zat.’ Tot het allerlaatste moment hoopte Thomas op uitstel, maar dit keer stond hij met zijn rug tegen de muur. “Dat zal moeilijk gaan,” heb ik gezegd. “Ik sta niet ingeschreven.”
Even bleef het stil. Mijn moeder heeft nog een uur gedacht dat het een grap was. Maar het was geen grap: ik had zes jaar gelogen dat ik studeerde.’
Tijd voor iedereen
Op het gymnasium loog Thomas niet. Hij haalde hoge cijfers zonder ervoor te hoeven werken. Met een acht gemiddeld voor zijn eindexamen kon hij zonder loting instromen bij geneeskunde. Maar van studeren kwam het nauwelijks. Hij had geen discipline, zegt hij. ‘Op de middelbare school ging alles vanzelf, ik had nooit geleerd wat het was om drie weken te blokken.’ Het studentenleven lokte, daarnaast kreeg zijn vader een ernstig ongeluk. ‘Behalve de zorg om mijn vader was ik vooral bezig om een leuke huis- en jaarclubgenoot te zijn. Eén agendapunt moest daar de dupe van worden. Als ik niet studeerde, stelde ik het minste aantal mensen teleur: ik had altijd tijd voor iedereen.’
Dat hij zijn eerste jaar niet haalde, besprak hij alleen met de studieadviseur. ‘Mijn ouders hadden het al moeilijk genoeg en tegenover mijn vrienden wilde ik vooral leuk en succesvol zijn.’
Vanwege zijn thuissituatie mocht hij ondanks een negatief studieadvies op de opleiding blijven. Zijn tweede jaar begon hij vol goede voornemens. ‘Ik dacht: ik haal alles in en dan hoeft niemand dit te weten.’ Weer ging het mis. ‘Steeds verzon ik een uitvlucht, totdat het te laat was om nog aan een tentamen te beginnen. Dan brak mijn perfectionisme me weer op. Ik maakte zo’n tentamen liever niet dan het risico te nemen dat ik het niet haalde. Uit angst en schaamte voor een eventuele mislukking.’
In het derde jaar stapte hij over naar geschiedenis. ‘Ik dacht dat die studie misschien beter bij me paste, mijn ouders gingen akkoord.’ Maar ook geschiedenis werd een fiasco. ‘Ik heb één tentamen gemaakt waar je je boek bij mocht houden.’ Intussen vertelde hij zijn ouders dat zijn geschiedenisstudie zó voorspoedig liep dat hij er nog een studie bij wilde doen: rechten. Even ging het goed, totdat hij naar een nieuw studentenhuis verhuisde. Weer kon hij de discipline niet opbrengen. ‘Aan het einde van mijn vijfde jaar was ik één tentamen verwijderd van mijn propedeuse rechten. Toen kreeg ik via via een aanbod voor een stage bij een ministerie. Omdat ik iedereen verteld had dat mijn geschiedenisstudie in een ver stadium was, zou men me voor gek verklaren als ik het niet zou doen.’ Thomas werd aangenomen, onder de voorwaarde dat hij studeerde. ‘Ze vroegen nog wel het nummer van een studieadviseur, maar ik wist bijna zeker dat ze die niet zouden bellen.’
In de eerste stageweek miste hij zijn rechtenherkansing, maar dat durfde hij niet te zeggen. Al zijn studiepunten voor rechten vervielen. Intussen bood het ministerie hem een tijdelijke baan als beleidsmedewerker aan. ‘Vanaf september wist ik: in januari houdt mijn baan op, dan is de dekmantel verdwenen en moet ik gaan vertellen hoe het echt zit. En die waarheid is zo groot, dat kan en wil ik niet. Toen heb ik heel rationeel bedacht: dan maak ik er in januari een einde aan.’
Radeloos
Thomas wil niet bij zijn echte naam genoemd worden. Geen van de studenten in dit stuk, overigens. De leugens zijn voorbij, zeggen ze, maar ze willen niet voor altijd als leugenaar te boek staan. En stel je voor dat hun verhaal bij een (toekomstige) werkgever terechtkomt.
De pretend-student, een term die de Tilburgse universiteitskrant Univers ooit lanceerde, is een lastig grijpbaar fenomeen. Om te beginnen is onbekend om hoeveel studenten het gaat. ‘De problematiek van liegende studenten komt op alle universiteiten voor, maar we houden er geen registratie van bij,’ laat Ton Boekhorst, voorzitter van het landelijk platform van studentenpsychologen, weten. Ernst en omvang van de leugen verschillen per geval. Waarom een student liegt, is afhankelijk van tal van factoren: de eigen persoonlijkheid, maar ook zijn omgeving (thuissituatie, vrienden) spelen een belangrijke rol. De meeste studenten komen, al dan niet met hulp van buitenaf, binnen afzienbare tijd weer op het rechte studiepad. Maar in een aantal gevallen gaat het mis, echt mis.
– ‘Ik googlede wat onderwerpen, waarover ik dan enthousiast praatte.’
Paula Meesters, studentenpsycholoog aan de TU Delft, heeft sinds 1993 zo’n twintig ‘extreme’ gevallen meegemaakt: studenten die hun studievertraging jarenlang voor hun omgeving verbergen – met alle gevolgen van dien. ‘Het gebeurt dat studenten hier totaal radeloos binnen komen: “Over een uur staan mijn ouders op de stoep, omdat ze denken dat ik mijn afstudeerpresentatie ga geven.” Ook maakte ze mee dat de familie al in vol ornaat op de universiteit stond, in afwachting van de ceremonie. De afstudeerder kwam niet opdagen. ‘Angst en verdriet zijn op zo’n moment alom. Het risico op wat wij “sociale suïcide” noemen, is bij deze groep heel groot: dat mensen ineens hun spullen pakken, verdwijnen naar het buitenland en onvindbaar zijn.’ Ook suïcide komt onder deze studenten voor. ‘De druk kan voor zo’n student vreselijk oplopen.’
Lege agenda
Thomas heeft nooit écht suïcide willen plegen, zegt hij nu. ‘Het was meer een gedachte om rustig te kunnen slapen. Mijn agenda voor het nieuwe jaar was leeg, want dan zou ik er toch niet meer zijn. Maar op 1 januari dacht ik: ik doe het morgen wel, of volgende week.’ Uiteindelijk besloot hij dat hij zijn omgeving met zo’n daad alleen maar meer verdriet zou doen. ‘En ik had er ook totaal geen plan voor,’ glimlacht hij. Hij praat er schijnbaar onbewogen over. Thomas dissocieert, heeft zijn psychiater hem uitgelegd. ‘Je creëert een ander, doet net alsof het niet over jou gaat. Je voelt de emoties niet. Ik nam het mezelf wel kwalijk dat ik niet studeerde, maar over die leugens voelde ik geen wroeging.’
Op de korte termijn gaf het liegen juist een prettig gevoel, vertelt hij. ‘Het leven werd er makkelijker van. En aan de eenzaamheid van je geheim wen je. Je houdt jezelf continu voor: alles beter dan de waarheid.’
Mensen vermijden de waarheid uit angst voor de reacties van hun sociale omgeving, legt Andreas Wismeijer uit. Wismeijer is psycholoog aan de Universiteit van Tilburg en gespecialiseerd in geheimen. ‘Liegen is een middel om je sociale positie op de korte termijn in stand te houden. Daarbij kan eventueel sprake zijn van een pathologische ofwel onbedwingbare drang om te liegen, of een persoonlijkheidsstoornis. Maar ook met een normale persoonlijkheid kan het zijn dat je in dit soort gedrag vervalt,’ benadrukt Wismeijer. ‘Er zijn psychisch volstrekt gezonde mensen die over belangrijke zaken liegen.’
Wismeijer vermoedt dat intelligentie voor het welslagen van de leugen een rol speelt. ‘Het is moeilijk om een leugen in stand te houden. Wat zeg je tegen wie? Alle verhaallijnen moet je onthouden. Je moet in staat zijn om snel ‘repareerwerk’ te verrichten als je je mond voorbij praat. Iedereen kan liegen, maar niet iedereen kan succesvol liegen over een lange periode.’
Arrogantie
Jeroen was, net als Thomas, een bovengemiddeld presterende scholier. Hij koos een ambitieuze studie: scheikunde. ‘In mijn arrogantie ging ik ervan uit dat ik alles zonder veel inspanning zou halen. Ik had geen zin om te werken, dat was ik niet gewend.’ Zo kwam hij in een rare ‘gedachtenkronkel’ terecht: hij schaamde zich dat hij niet hard genoeg werkte, maar tegelijkertijd bracht hij daar geen verandering in. ‘Daar was ik dan weer te lui voor. Als het niet vanzelf heel goed gaat, raak ik mijn motivatie kwijt.’
Jeroen stortte zich volledig in zijn sport- en studentenvereniging. Toegeven dat hij zijn eerste jaar niet haalde, was geen optie. ‘Ik vond het belangrijk om slim gevonden te worden. Ik zou het zelf wel recht breien.’ Jeroen merkte dat hij zijn schuldgevoel eenvoudig kon uitschakelen. ‘Als je drie keer liegt, is het de vierde keer makkelijk. Het begint met een tentamen. En voor je het weet heb je ook gelogen over de herkansing daarna. Na een half jaar kijk je om en kun je niet meer terug.’
In zijn tweede jaar haalde hij nauwelijks punten. Tegen zijn huisgenoten zei hij dat hij op zijn kamer studeerde. ‘Als ik zogenaamd tentamen had, ging ik op pad om maar van huis te zijn. Een stuk fietsen, of in de trein zitten. Dat waren de rotste momenten: je moest weg zijn, en niemand die je kende, mocht weten waar je was.’
Illustratie: Tammo SchuringaHet derde jaar was hij vastbesloten zijn studie op te pakken. Maar in de zomer kreeg hij een vriendin. ‘Ik wist dat ik open kaart moest spelen, maar ging alleen maar harder liegen. Ik kón het haar gewoon niet vertellen. Dan val je zo hard.’ Noodgedwongen werd hij steeds bedrevener in verhalen verzinnen. ‘Ik pakte het grondig aan. Toen ik had gezegd dat ik met mijn bacheloronderzoek bezig was, googlede ik een paar scheikundige onderwerpen waarover ik dan enthousiast kon vertellen.’ Hij glimlacht: ‘Ik moest natuurlijk wel wat structuur in mijn fictieve studie brengen.’
Twee jaar later ging het uit met zijn vriendin. Indirect had dat ook met zijn leugens te maken. ‘Je hebt geen baan of studie, laat alles uit je handen glippen. Ik was niet committed aan haar, of überhaupt nog aan iets.’ Een dag nadat het uit was, zat hij bij de studieadviseur om het hele verhaal te vertellen. ‘Het is niet aardig tegenover mijn ex-vriendin, maar ik voelde me vooral bevrijd. Ik wilde al heel lang veranderen, zij was een van de belangrijkste excuses om dat niet te doen.’ Het deed hem goed zijn verhaal de eerste keer met een buitenstaander te bespreken. In september kon hij opnieuw beginnen – zijn opleiding kende geen bindend studieadvies.
Daarna, onvermijdelijk, kwam het moment om zijn ouders in te lichten. Drie maanden stelde hij het uit. Op een avond, vlak voordat het nieuwe studiejaar begon, was hij thuis bij zijn ouders. ‘Mijn moeder stond op het punt om me weer naar het station te brengen. Ik wist: nu moet ik wel.’ Even betrekt zijn gezicht. ‘Mijn moeder was vooral verdrietig. Ze dacht dat zij iets fout gedaan had. Ik heb mijn moeder zelden zo desolaat gezien.’ Inmiddels is het vertrouwen hersteld, zegt Jeroen. Hij is opnieuw met zijn studie begonnen, volgend jaar hoopt hij zijn bachelor te halen. Ook zijn vriendschappen hebben er niet onder geleden.
Luchtbel
Wachten tot de luchtbel knapt. En intussen blijven hopen dat er een oplossing komt. Zo beschrijft Bart de laatste weken van zijn leugen. Hij had de wereld verteld dat hij voor een paar maanden op afstudeerstage naar Oost-Europa zou gaan. Zijn spullen waren al weg uit zijn studentenhuis, in afwachting van zijn vertrek logeerde hij bij zijn ouders. Inmiddels zou hij zesdejaars student worden. Althans, voor het verhaal. ‘Toen ik ging studeren, stapte ik in een nieuw leven. Dat zag ik vooral als een sociaal project. Met mijn studie was ik niet of nauwelijks bezig. Veel van mijn vrienden toentertijd ook niet.’ Na de universiteit probeerde hij het op twee hogescholen, maar ook daar kwam van studeren niets terecht. Tegen zijn ouders zei hij dat de studie te moeilijk was, of dat er een misverstand met de hogeschool was over zijn punten. Al die tijd groeide de leugen. ‘Ik heb vijf jaar volgehouden dat alles goed ging. Terwijl ik op een gegeven moment niet eens meer stond ingeschreven.’
Dat zijn studies mislukten, durfde hij thuis niet te vertellen. ‘Ik wist dat het niet geaccepteerd zou worden. Ze hadden gezegd: kom maar naar huis, en dat was het laatste wat ik wilde.’ Van huis uit was er druk om te presteren. ‘Achteraf kom je erachter dat dat helemaal niet belangrijk is, maar dat gevoel was er wel.’ Met zijn vrienden praatte hij zo min mogelijk over zijn studie. ‘Dat ik niet studeerde wist niemand. Ik had het gevoel dat mijn hele wereld zou instorten op het moment dat ik dat zou vertellen.’
Intussen raakte Bart ook financieel in de problemen. Omdat hij niet studeerde, kreeg hij geen studiefinanciering meer; bij zijn ouders kon hij zonder goede reden niet meer lenen. Uiteindelijk nam hij zijn toevlucht tot geld dat hij namens een vriendengroep beheerde. ‘Het net sloot zich steeds strakker om me heen. Mijn vrienden begonnen vragen te stellen, het stagebedrijf vroeg om papieren die ik ze natuurlijk niet kon geven.’
In de laatste weken waren er momenten dat hij ‘het licht aan het einde van de tunnel niet meer zag’. Hij vertelt het met enige schroom. Het had niet veel gescheeld, of hij had zichzelf iets aangedaan. In de tuin van zijn ouders bedacht hij zich. Diezelfde avond vertelde hij hun alles, aan de keukentafel. Hij praatte met zijn moeder, zijn vader ging weg. ‘Ik had hem nog nooit zien huilen. Voor hem voelde het alsof hij een zoon verloor. Er was gewoon vijf jaar vertrouwen weg.’
Ook het vertrouwen van zijn vrienden had hij beschaamd. Ze hebben veel gepraat. ‘Mijn goede vrienden verweten zichzelf dat ze niet goed hadden opgelet. Maar zelfs als je je twijfels hebt, maak je een vriend niet gauw voor leugenaar uit.’
Met steun van zijn ouders heeft Bart zijn leven weer opgepakt. Hij doet een deeltijdopleiding, naast zijn kantoorbaan. Dankzij het netwerk van zijn ouders kon hij weer aan de slag. Hij woont nog thuis, maar hoopt binnenkort een eigen appartement te betrekken. Verwijten maakt Bart zichzelf liever niet meer. ‘Als ik dat zou doen, word ik nooit meer gelukkig. Het enige waar ik nog regelmatig van baal, is dat mijn vrienden een stuk verder zijn dan ik, op zakelijk vlak. Maar dat haal ik nog wel in.’
Ook Thomas gaat zich revancheren, hij is er klaar voor. Toen hij het hele verhaal had opgebiecht, viel het hem op hoe stil het was in zijn hoofd. ‘Net alsof er een dik pak sneeuw lag.’ Pas toen kwamen de emoties. ‘Ik was zo ontzettend bang dat ik niet zou kunnen veranderen. Het liegen is echt een patroon: een uitgesleten pad in het gras, dat je op zeker moment vanzelf gaat lopen.’
Inmiddels is het september, de maand waarin het hem zo vaak niet lukte opnieuw te beginnen. Dit keer is hij vastbesloten. ‘Ik ben 25, propedeuseloos en ik begin weer aan mijn rechtenstudie. Aan mijn persoonlijkheid en thuissituatie moet ik werken, maar ik probeer het positief te zien: ik wil nooit meer zo’n onoprecht mens zijn.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.