Hij loste museumdiefstallen op, ontdekte roofkunst op paleis Het Loo en vond Hitlers verloren gewaande bronzen paarden terug. Nu wacht roofkunstexpert Arthur Brand (46) een nieuwe, precaire klus: 24 gestolen Hollandse meesters lospeuteren bij een Oekraïense militie. In referendumtijd.

‘Laten we daar niet gaan zitten,’ zegt Arthur Brand. ‘Dat is het tafeltje waar Holleeder altijd zat.’ Een woensdagmiddag begin september, lunchtijd in een grand café aan het zonovergoten Amsterdamse Spui. In het verlaten, donkere achterdeel stuurt Brand zijn reistrolley langs een paar tafeltjes en vouwt zijn jasje – huismerk V&D – over een stoel. ‘Ik heb iets voor je meegebracht.’

De koffer gaat open. Brand legt drie uitgeprinte foto’s op tafel. Twee met details van een schilderij, één van een stukje achterkant. Geroofd topstuk van een Nederlands museum. ‘Ik heb via via contact met de huidige bezitter die het in zijn maag gesplitst heeft gekregen,’ zegt Brand. ‘Nou niet bepaald het type dat even bij de politie langswipt.’
Brand schuift wat met de bierviltjes. ‘Het gaat er nu om de diverse partijen bij elkaar te brengen. Kwestie van een paar maanden, weken misschien.’

Als een ober opdoemt, verdwijnen de foto’s schielijk in de koffer. Brand bestelt thee.
Er speelt nog iets, laat hij zich even later quasi-achteloos ontvallen. ‘Een zaak op regeringsniveau waarover ik verder nog niks mag vertellen. Jongen, je zult je oren niet geloven.’ Een paar koppen thee verder wil hij na enig aandringen alleen nog kwijt dat hij er deze zomer speciaal voor naar een ‘heet oorlogsgebied’ is geweest. Oekraïne, gok ik. Brand lacht besmuikt. ‘Je hoort het vanzelf.’

‘Wie met een gestolen schilderij in z’n maag zit, kan bij mij aankloppen.’ Foto: Valentina Vos
Interessante jongen

Ik kende Arthur Brand van een eerdere ontmoeting, december 2012. Hij kwam aangestapt in een fletse regenjas waar een Stasi-agent zich om zou bescheuren. Meteen na onze afspraak moest hij door naar de Bijlmerbajes. Daar zat een ‘interessante jongen’. Ik vermoedde dat het diens nummer was dat af en toe op Brands mobiel oplichtte.
Brand was me destijds in de schoenen geschoven door de hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad. Het was de tijd van Hildebrand Gurlitt, de nijvere Duitse verzamelaar in wiens Münchense appartement duizenden verloren gewaande kunstwerken lagen opgestapeld. Zou zich daar geen kunst van joodse families uit Nederland tussen kunnen bevinden? De hoofdredacteur kende een kunsthistoricus die alles van de materie wist en me bovendien graag te woord stond.

Een interessante jongen, dat vond ik Brand ook. Die regenjas. Het asblonde, sluike haar. De ironische oogopslag waaronder een moeilijk te duiden lachje smeulde: verlegen of geslepen? Zijn oostelijke accent. In niets leek hij op een kunstkenner. Eerder een verkoper van wasmachines. De rechtsvoor van FC Emmen.

Niettemin: deze Arthur Brand scheen met het opsporen van roofkunst zijn leven te vullen. Om geld ging het hem niet, verzekerde hij. Maar stel dat je erin slaagde een door de nazi’s geroofd kunstwerk bij een joodse familie terug te bezorgen. Wat zou zo’n teruggevonden doek (‘dat vroeger bij opa thuis boven de bank hing’) niet voor de enkele overgebleven nazaat betekenen die in de oorlog immers ‘zo on-tie-ge-lijk veel ellende had meegemaakt’ en ‘alles wat hem dierbaar was had verloren’?
Ik kon slechts beschroomd knikken.

Korte tijd later hoorde ik een radio-interview met Brand. Dezelfde frasen passeerden over opa en diens kunstwerk. Ik begon te twijfelen. Had ik hem, door in mijn artikel de betrokkenheid van Brand met de joodse zaak breed uit te venten, niet ongewild een podium verschaft om aan klantenbinding te doen? Over zijn deskundigheid wist ik, goed beschouwd, niks. Hoe betrouwbaar was hij? In plaats van een serieus journalistiek artikel had ik misschien een advertorial geschreven voor een malafide gladjakker, vreesde ik, zeker toen Brand het stuk pontificaal op zijn website zette.

Schoonhovens

We hielden contact. Hij beloofde me tijdig te tippen over nieuwe zaken. Er volgden twee jaar van onregelmatig mailverkeer. Soms had hij nieuws, maar kwam het mij niet uit. Of zegde hij wegens ziekte op het laatste moment een veelbelovende afspraak af.
In de tussentijd rees zijn ster. In de zomer van 2013 loste Brand de diefstal van drie Schoonhovens op uit het Venlose museum Van Bommel van Dam. De bezitter droeg ze in een boodschappentas aan hem over. Een jaar later ontdekte hij roofkunst in de collectie van paleis Het Loo en een drietal Nederlandse musea. En vorig jaar mei haalde hij de internationale media met de vondst van Hitlers verloren gewaande bronzen paarden die ooit de Führers rijkskanselarij in Berlijn opsierden. Iconen van het Derde Rijk. Zelfs voormalig CIA-directeur David Petraeus kwam met felicitaties voor Brand over de brug. Het hele verhaal was ‘exclusief’ te lezen in De Telegraaf, inmiddels uitgegroeid tot Brands dankbare spreekbuis.

Ik zat daar als jonge vent ineens met de FBI en CIA om tafel. Per ongeluk was ik meteen naar de top gelanceerd.Een opvallende carrière voor een voormalige Deventer gymnasiast. Hoe raakte Brand gepokt en gemazeld in de internationale crime scene? In het café aan het Spui begint hij over meestervervalser Han van Meegeren, schoolgenoot van zijn opa. ‘Ik ben maar een jongen uit een kleine stad. Dan lees je over een andere Deventenaar die ooit wereldnieuws was en Göring met vervalsingen heeft besodemieterd.’
Het was het avontuur dat trok. Na het gymnasium vertrok Brand met een Spaanse vriend naar Granada en betrok een huisje vlakbij de zigeunerwijk. Terwijl zijn vrienden naar de disco gingen, papte Brand aan met de lokalen. ‘Iedereen waarschuwde me: ga daar nou niet heen. Dan doe ik het juist wel. Ze vonden het wel lachen, zo’n blonde gozer van een meter negentig die hen normaal behandelde.’ ’s Nachts ging hij met de zigeuners schatgraven. ‘Het drong toen nog helemaal niet tot me door dat het illegaal was. Sta je ineens met een oude, zilveren munt in je hand. Er zijn landen waar je beter een schep kunt kopen dan een staatslot.’

Brand woonde nog een tijdje in Buenos Aires, maar vestigde zich uiteindelijk weer in Nederland. Als vertaler Spaans en als muntenhandelaar, verklaart hij. Ja, door kranten wordt hij vaak opgevoerd als kunsthistoricus (‘omdat dat nu eenmaal lekker bekt’), maar dat is hij niet. Hij studeerde enige jaren geschiedenis en Spaans, beide niet afgemaakt, ‘wel met kunst als bijvak’. Zijn voornaamste scholing kreeg hij in de praktijk.

Indiana Jones

Rond de eeuwwisseling kwam Brand in contact met Michel van Rijn, de in Londen woonachtige kunsthandelaar met niet geheel vlekkeloze reputatie. ‘Michel was overgestapt naar Scotland Yard, als informant,’ stelt Brand. Van Rijn was ook liefhebber van oude munten, dat schiep een band. ‘Hij was een soort Indiana Jones,’ blikt Brand terug. ‘Ik zat daar als jonge vent ineens met de FBI en CIA om tafel. Per ongeluk was ik meteen naar de top gelanceerd. Ik zag hele schatten uit de oudheid voorbijkomen.’
Op een keer werd er bij Van Rijns appartement aangebeld, de postbode met een pakje. ‘Michel zei tegen me: “Wil je dat in de gang alvast openmaken, ik moet even bellen.” Afijn, ik maak dat open en loop weer de kamer in. Michel zat nog gewoon achter zijn computer. Hij zei: “Ik vraag altijd de mensen die hier op bezoek zijn de pakjes te openen. Er kan zomaar een bom in zitten.”’

Brand ging begin deze eeuw voor Van Rijn ‘klusjes doen’. ‘Dan zei Michel: ga eens naar Zwitserland en met die en die praten. Ik deed ook wat grotere onderzoeken met hem.’Enig honorarium kreeg Brand er naar eigen zeggen niet voor. ‘Ik deed mijn vertaalwerk en had flink wat gespaard. Mijn toenmalige vriendin had een goeie baan. Maar verder heb ik financieel jarenlang echt moeten afzien.’

Geld interesseert hem nog steeds niet, aldus Brand. ‘Al die criminele jongens maken dezelfde fout: ze besodemieteren elkaar voortdurend. Iedereen die ooit tientallen miljoenen op zijn bankrekening had staan, is inmiddels wel afgeknald. Ik heb geen auto, geen rijbewijs. Het interesseert me niks. Kijk eens naar mijn mobiel, zit niet eens internet op. Als ik maar boeken om me heen heb, een paar goeie cd’s. Ik zou zo in een klooster kunnen leven.’

Het gestolen schilderij ‘Boerenbruiloft’ van Hendrik Bogaert. Er is een krant opgelegd als bewijs dat de foto recentelijk genomen werd.
Daders vrijuit

Brand als monnik? Nou, nee. Onomstreden is de werkwijze van Brand in 2011 opgerichte onderzoeksbureau Artiaz allerminst. Bij een aantal opgeloste zaken kwamen weliswaar de gestolen schilderijen boven water, maar gingen de daders vrijuit. ‘Mensen die met een gestolen schilderij in hun maag zitten, weten dat ze bij mij kunnen aankloppen en dat dan niet meteen de politie op de stoep staat,’ stelt Brand. ‘Arrestatie is iets wat ik liever niet doe. Tenzij er een moord is gepleegd of iemand in elkaar is geslagen. Mij gaat het om de kunst. Bij de Kunsthalroof hebben we gezien hoe het fout kan gaan. De daders zijn gepakt: een paar simpele inbrekers die inmiddels alweer op vrije voeten zijn. Maar de werken zijn spoorloos, hoogstwaarschijnlijk verbrand. Een enorm verlies.’

Maar houdt hij zo niet een crimineel circuit in stand? ‘Nee! Kunstroven worden vrijwel nooit in opdracht gepleegd. Bijna altijd gaat het om dieven die vervolgens hun buit in het circuit verkopen. De omloopsnelheid van gestolen kunst is enorm hoog. De uiteindelijke bezitter komt er vaak pas later achter dat het om gestolen waar gaat.’
En dan ontstaat volgens Brand een win-winsituatie: hij verlost de bezitter van de spullen en het museum heeft zijn kunst terug. ‘Ook voor de politie is de kunst zelf belangrijker dan de arrestatie van de daders.’

Maar wat is, behalve de roem, dan de opbrengst voor hém? Brand: ‘Ik heb voor 100 tot 150 miljoen aan gestolen kunst opgespoord, maar er nog geen boekenbon voor teruggekregen.’ Zelfs de scoop van Hitlers paarden heeft hem naar eigen zeggen slechts geld gekost: ‘Tien- tot vijftienduizend euro aan reizen en etentjes. Aan wie moet ik mijn factuur sturen, aan Merkel?’

Nee, zijn bedrijf Artiaz draait volgens Brand vooral op de adviezen aan vermogende verzamelaars ‘uit het midden- en hogere circuit’. Hen wil hij behoeden voor de aankoop van vervalsingen. En hij verdient geld met de rechtszaken die hij namens joodse families aanspant tegen bezitters van oorlogsbuit. ‘Ook jouw verhaal in het NIW van destijds heeft me diverse klanten opgeleverd. Er zijn joodse families van wie we inmiddels voor tientallen miljoenen euro’s aan kunst hebben opgespoord.’

Codetaal

Het is druk geworden in het Spui-café, niet langer een plek om kunstroven te bespreken. Buiten wacht een agent die Brand over de ontwikkelingen rond het geroofde topstuk gaat bijpraten waarvan Brand me de foto’s liet zien. We nemen afscheid. Brand belooft me op de hoogte te houden van zijn verdere onderzoek.

Geen twee dagen gaan sindsdien voorbij of zijn nummer licht op mijn mobiel op en dan hoor ik zijn brouwende ‘Met A’tuurrr’. Vanwege het afluistergevaar communiceren we in codetaal. Hij zegt dingen als: ‘Er is ontwikkeling.’ Of: ‘Vrijdag weet ik meer.’ Of: ‘Ik hoop over een paar dagen een go te hebben.’ Telkens blijkt het vals alarm.

Kloppen zijn verhalen of speldt hij me maar wat op de mouw? Ik bel eens met andere betrokkenen over hun ervaringen met Arthur Brand. De politie laat weten het ‘niet gepast’ te vinden een mening te geven ‘over het werk van de heer Brand. Hij doet zijn werk en wij doen het onze. Daar willen wij het bij laten.’ Ook de meeste musea willen weinig over Brand kwijt. ‘Wij wensen niet genoemd of geciteerd te worden in uw artikel’ krijg je als antwoord. Of: ‘We weten niet meer over hem dan wat er in de krant staat.’
Brand, zo lijkt het, heeft zijn reputatie tegen. Een straatvechter; iemand die er bij tegenwerking zo nodig met gestrekt been ingaat en deals sluit met criminelen – dat verdraagt zich moeilijk met de keurige mores van de museumwereld.

Kijk, ik kan heel erg weinig zeggen over hoe goed hij in de contacten zit. Dat speelt zich buiten mijn blikveld af. Uitzonderingen zijn er ook. Ze worden gevormd door de enige twee musea die ooit daadwerkelijk met hem samenwerkten. ‘Ik neem mijn hoed af voor Arthur Brand,’ zegt directeur Rick Vercauteren van het Venlose museum Van Bommel van Dam. ‘Zonder zijn tussenkomst waren onze drie Schoonhovens waarschijnlijk vernietigd. Wij zaten in een rij van negen kunstroven. Zonder verwijten hoor, maar er is bij de politie een classificatieverschil tussen wat er in Rotterdam bij de Kunsthal gebeurde en wat er bij ons plaatsvond. Onze gestolen doeken hadden een waarde van één à anderhalf miljoen, in Rotterdam ging het om het dertigvoudige.’ Na een paar maanden van vruchteloos speurwerk kreeg de politie Noord-Limburg andere prioriteiten. Vercauteren: ‘Als je de zaak dan alsnog in beweging wilt krijgen, dan zul je naar Arthur moeten. Zijn modus operandi ken ik niet. Wel weet ik dat hij met de bezitter van de schilderijen uitvoerige gesprekken heeft gevoerd, waaruit een vertrouwensband is ontstaan. Hij is goed thuis, zeg maar, in de criminele ethiek.’

Track record

Directeur Ad Geerdink van het Westfries Museum sluit zich daarbij aan. Uit het Hoornse museum werden in 2005 in totaal 24 Hollandse meesters geroofd. Begin januari 2014 kwam Brand op internet een van de gestolen werken op het spoor en nam contact op met het museum. ‘Hij gaf aan dat hij zich wel sterk voor ons wilde maken,’ vertelt Geerdink. Een interessant aanbod, vond de museumdirecteur. ‘Kijk naar Brands track record. Op het moment dat politie en justitie de inbraak niet meer bovenaan hun prioriteitenlijst hebben staan, zijn er andere mensen nodig. Het gaat om het verzamelen van informatie, van data, er moeten je dingen ter ore komen en daarvoor heb je eigenlijk iemand nodig die zich fulltime bezighoudt met het opsporen van gestolen kunst. En dat is Arthur.’

Hoe Brand op hem overkomt? ‘Als een heel gedreven persoon met hart voor de kunst. Iemand met verstand van zaken en kennis van de mores van de internationale kunstcriminaliteit. Kijk, ik kan heel erg weinig zeggen over hoe goed hij in de contacten zit. Dat speelt zich buiten mijn blikveld af. Maar hij maakt een vertrouwenwekkende, betrouwbare indruk. Als er iemand is die onze doeken kan terugbezorgen, dan is het Brand.’

Een deal met de bezitter

Dat blijkt begin december, wanneer tijdens een persconferentie eindelijk helder wordt waarover Brand aan het Spui verstoppertje speelde. De gestolen werken uit het Hoornse museum blijken in handen te zijn gevallen van rechts-nationalistische Oekraïense bendeleiders. Brand heeft deze zomer met hen onderhandeld, maar de werken niet losgekregen.

De zaak is pikant. Als Oekraïne de werken niet tijdig terugbezorgt, is dat immers koren op de molen van de nee-stemmers in het Oekraïne-referendum van GeenPeil, begin april. Na de persconferentie belooft president Porosjenko zich persoonlijk in te zetten voor teruggave van de gestolen werken. Na de MH17-ramp dreigt anders een nieuwe blamage voor zijn land.

Sindsdien tikken de weken weg, zonder verheugend nieuws uit Oekraïne. Ik zie Brands nummer nog maar zelden opgloeien, totdat hij eind januari op een vrijdagavond ineens weer aan de lijn hangt. Hij heeft – ‘nu echt’ – nieuws. We spreken af in Deventer, waar hij tijdelijk achthoog in een familieappartement is neergestreken. Gespannen rookt hij eerst een sigaretje onder de afzuigkap (‘mag hier eigenlijk niet’) en brandt dan los.
Eerst over dat geroofde topstuk, waarvan hij me in september de drie foto’s liet zien. Ja, verzekert Brand, hij was hard op weg naar een deal met de bezitter, maar nu is het doek sinds een week wéér in andere handen overgegaan. Moet hij eerst opnieuw vertrouwen zien op te bouwen. ‘Gaat nog minstens een maand duren. Als het al ooit rondkomt.’
Nee, het werkelijke nieuws komt uit Oekraïne. Brand: ‘Zonder dat de Oekraïners het wisten, hebben wij het afgelopen half jaar het hele netwerk rondom militieleider Humeniuk in kaart gebracht. Terwijl zij zogenaamd nog met ons over de doeken onderhandelden, boden ze intussen de werken al weer aan derden aan. Op 8 oktober heb ik de namen van acht betrokkenen via de Nederlandse politie doorgespeeld aan de Oekraïense autoriteiten. Daarbij zitten politici, leden van de geheime dienst, advocaten. Maar nu blijkt – en dat is het echte nieuws – dat vervolgens op twee van hen na helemaal niemand door de Oekraïense autoriteiten is ondervraagd, terwijl ze hadden beloofd hun best voor ons te doen.’

Waarom doen ze dat dan niet? Brand: ‘Porosjenko heeft de geheime dienst aangewezen om de zaak te onderzoeken, terwijl uit ons onderzoek blijkt dat leden van die geheime dienst er zelf nauw bij zijn betrokken. Tsja, dan schiet het niet echt op. Maar we hebben natuurlijk ook geen zicht op het hele onderzoek.’

Deze week wordt er een nieuwe foto onthuld. Strijdbaar: ‘Begin december hebben we alleen foto’s van de gestolen doeken van Jan Linsen en Hendrik Bogaert laten zien. We gaan nu een recente foto tonen van een schilderij van Floris van Schooten, als bewijs dat ze die werken nog steeds doodleuk aanbieden en kennelijk van niemand iets te vrezen hebben. We hebben haast, inmiddels. Want één ding is zeker: na het referendum is de druk van het hele onderzoek af. Dan kunnen we naar de schilderijen fluiten.’

Postbode worden

Opnieuw een zaak dus die al zijn aandacht vergt. Onder het interview rinkelt geregeld zijn telefoon. Ik moet denken aan wat hij in september aan het Spui over zijn leven vertelde: ‘Je moet altijd op je qui-vive zijn. Ik drink geen alcohol, want er komen 24 uur per dag berichten binnen, ook uit het buitenland.’

Aan de andere kant: ‘Het is dankbaar werk als je mensen ervoor kunt behoeden dat ze anderhalf miljoen uitgeven aan een vervalsing. Als je joodse families, die zó veel hebben meegemaakt, een beetje eerherstel kunt geven. En je wordt er nog voor betaald, ook. Hoe mooi is dat. Maar toch, eerlijk gezegd wilde ik vroeger graag postbode geworden. Al die stress weg. Fluitend naar het werk.’ Het werd ‘roofkunstexpert’, niet bepaald een woord voor een visitekaartje. Ik vraag hem hoe hij zichzelf dan wél zou willen omschrijven. Brand moet even nadenken. Weer dat onpeilbare, smeulende lachje. Dan: ‘Een verhalenverteller, dat is wat ik eigenlijk ben.’

Op de grijze lijn
In sociëteit De Hereeniging in zijn geboorteplaats Deventer hield Arthur Brand 19 oktober jongstleden een lezing over zijn werk en zijn belangrijkste ontdekkingen, zoals die van Hitlers verloren gewaande Thorak-paarden. De Deventer omroep DRTV maakte er een mooie reportage van, doorsneden met interviews met de roofkunst-expert. Zie Brand met hese stem zijn werkwijze uit de doeken doen. Zie hoe zijn ogen glimmen als hij vertelt hoe meestervervalser (en oud stadgenoot) Han van Meegeren ooit Hermann Göring een loer draaide. En hoe hij zelf voortdurend op de grijze lijn tussen de officiële kunstwereld, de politie en de criminaliteit balanceert. ‘Je kunt geen fouten maken.’