Naast een inwendig huilende Pierre Bokma is het Rifka Lodeizen die het verdriet in ‘Tonio’ naar buiten laat komen. Dit is geen fictie, dat zie je.

De schok van Tonio’s dood komt de film binnen met een schreeuw van Rifka Lodeizen. In het statige huis waar zijn ouders wonen, hebben we vlak daarvoor naar de dichte voordeur gekeken. Nog even en de harde deurbel zal de ochtendrust in het huis verpulveren. De film verplaatst zich eerst naar boven, waar Tonio’s vader op bed de krant ligt te lezen. Hij weet niet dat zijn vrouw beneden van twee agenten de doodstijding krijgt van hun 21-jarige zoon. Dan roept zij hem naar beneden, met een wanhoopsschreeuw die zijn naam tot rauwe klanken vervormt.

In de verfilming van het hartverscheurende requiem dat A.F.Th.van der Heijden schreef voor zijn zoon speelt Lodeizen de moeder van het verongelukte kind.
Het is met Pierre Bokma als de naar de deur gesnelde Adri van der Heijden dat de filmkijker het bericht over het ongeluk ontvangt. Hij is dan ook de verteller. Hij is degene die in de afgrond van zijn verdriet houvast zal vinden in het schrijven: het tasten naar betekenis, het verwoorden van zijn levens- en stervenspijn, het najagen van Tonio’s schaduw door diens begin en einde te reconstrueren. Lodeizen als Van der Heijdens echtgenote Mirjam Rotenstreich heeft niet zo’n project waar ze zich verbeten in kan storten. Al is Rotenstreich in werkelijkheid óók schrijfster, in de film is zij vooral moeder en partner. En de film maakt duidelijk hoe deze ankers in haar bestaan met het verlies van Tonio allebei worden losgeslagen. Want hoe nog een moeder te zijn als je enige kind er niet meer is? Maar ook: hoe nog een partner te zijn voor iemand die net zo verpletterd is als jij?

Ik zou onderhand een kleine encyclopedie kunnen samenstellen van alle huilvormen.De angst om haar man kwijt te raken, is voelbaar in de manier waarop Lodeizen Tonio’s moeder neerzet. In het ziekenhuis, waar het ouderpaar wacht tot ze hun vergeefs geopereerde zoon mogen zien, zit Lodeizen met de deur open op een wc als de stemmen van de artsen op de gang haar man van haar af doen bewegen. ‘Niet doen! Niet weg!’ smeekt zij hem dicht bij haar te blijven. En als ze later in zijn armen huilt, raakt ze in paniek als hij haar los wil laten.

Een zware opdracht

De film van Paula van der Oest stelt de twee hoofdrolspelers voor een zware opdracht. Het verdriet dat zij moeten verbeelden, is geen fictie. Ze moeten er recht mee doen aan het te korte leven van Tonio van der Heijden, en aan de peilloze verschrikking die zijn ouders in werkelijkheid de rest van hun leven met zich meedragen. Dat de twee aan elkaar verknochte echtelieden na Tonio’s dood geïsoleerde eilanden worden in een zee van drank en tranen, lees je in de film af aan hun contrasterende uitingen van rouw. Bij Pierre Bokma zie je de schok over Tonio’s dood meteen naar binnen slaan. In het boek heeft Van der Heijden het over zijn ‘inwendige huilbuien’. Het is Rifka Lodeizen die in de film het verdriet naar buiten laat komen. Dat is niet eenvoudig, want bij gedemonstreerde basisemoties als hardop lachen en huilen voelt elke kijker haarscherp hoe waarachtig het is, en of de getoonde emoties verbonden zijn met de ‘natuurlijke’ gevoelsstroom van een acteur. Lodeizen overtuigt daarin elke seconde.

‘Ik zou onderhand een kleine encyclopedie kunnen samenstellen van alle huilvormen, compleet met gradaties en intensiteit, waartoe de dood van een kind kon leiden,’ schrijft Van der Heijden in zijn boek over de drie maanden van verdriet die hij en Mirjam na Tonio’s dood hebben doorleefd. Die staalkaart toont Rifka Lodeizen in de film, van het ingehouden snikken als ze haar zoon in het ziekenhuis voor de laatste keer kust tot het dierlijke, van haar hele lichaam doortrokken janken als ze op de grond ligt voor het echtelijk bed. Aangrijpend zijn de momenten waarop Lodeizen na Tonio’s dood het woord ‘moeder’ uitspreekt, dat ooit zo vanzelfsprekend bij haar paste, en ze nu opnieuw op zichzelf en de buitenwereld moet veroveren. Alsof ze zich door het woord ‘moeder’ heen moet werken om te voelen dat je nog steeds moeder bent als je enige kind er niet meer is.

De filmset als habitat: daar weet ze elk personage en elk decor te bewonen. Foto: Ringel Goslinga
Volstrekt gelijkwaardig

‘In Nederlandse films zijn de rollen voor actrices beperkt,’ zei Lodeizen in een buitenlands interview naar aanleiding van haar hoofdrol in Kan door huid heen (2009). ‘Ik wil geen feministisch statement maken, maar je speelt meestal de vrouw, de geliefde of de ex van de mannelijke hoofdpersoon.’

In Tonio is dat eigenlijk ook het geval. Maar dat het ouderpaar in de verfilming volstrekt gelijkwaardig is, komt door het scenario van Hugo Heinen (die het gelaagde boek van Van der Heijden wondermooi vereenvoudigde), door de regie van Paula van der Oest en door het spel van Lodeizen. De film laat zien hoe de zoektocht van de schrijver naar de precieze toedracht van Tonio’s laatste uren ook Mirjams zoektocht is. Zij is het die in de eerste doorwaakte nacht na Tonio’s dood het verlangen uitspreekt om uit te vinden of haar zoon werkelijk iets heeft gehad met het meisje op wie hij verliefd was. ‘Ik wil dat weten,’ fluistert ze tegen haar man en tegen zichzelf. Die wens druist in tegen de gezonde privacy die elke jongvolwassene tegenover zijn/haar ouders opeist als het gaat over liefdesintimiteiten. Maar Lodeizen laat deze wens bij Mirjam opwellen als een reflex, een moederlijke oerdrift.

Naast acteerkanon Pierre Bokma weet Rifka Lodeizen haar rol van zijn echtgenote een bijpassende zwaarte te geven. Die zwaarte is voor hem vanzelfsprekender dan voor haar. Lodeizen heeft niet zo’n degelijke, langdurige acteeropleiding doorlopen. Na halfslachtige pogingen om medicijnen en Nederlands te studeren – zelf zegt ze niet genoeg geduld te hebben voor een studieus bestaan – volgde ze acteerlessen bij de Amsterdamse privé-studio De Trap. Op hun website staat haar naam bovenaan het rijtje bekende personen die het met alleen de Trap-opleiding hebben gemaakt (boven Sophie Hilbrand en Yolanthe Sneijder-Cabau).

Deze lessen betaalde Lodeizen met de opbrengst van reclamefilmpjes; begin jaren negentig speelde ze de dochter van Olga Zuiderhoek in de ‘Leuker kunnen we het niet maken’-spotjes van de Belastingdienst. In het filmpje dat op YouTube is te vinden, speelt Lodeizen koket met haar mooie verschijning. Met haar dikke, bruine lokken in twee meisjesvlechten staat ze naast haar moeder zwoel glimlachend in de ogen te staren van de blonde Belastingjongen (Han Oldigs) achter de balie. Die probeert zich te concentreren op de vraag van haar moeder of haar dochter over het geld van haar eerste baantje nou ook belasting moet betalen. Op zijn informatieve vraag aan de dochter ‘Wat doe je?’ antwoordt het starende meisje suggestief: ‘Vanavond?’ Waarmee het plaatje van de brutale, beeldschone, bronstige bakvis compleet is.

Overrompelend naturel

Dat was ook het beeld dat Lodeizen opriep in de Eddy Terstall-productie waarmee ze de filmwereld binnenrolde. In Hufters & Hofdames uit 1997 speelde ze het Amsterdamse straatmeisje waar hoofdpersoon Dimitri (de vroeg overleden Marc van Uchelen) hopeloos verliefd op is. Zij houdt hem al jaren in de friendzone, maar als ze in de openingsscène samen wat drinken in een café en zij zich loom uitrekt, piept de onderkant van haar behaloze borsten brutaal onder haar ultrakorte truitje uit. De film bevat een stomende seksscène waarin je behoorlijk veel van Lodeizen ziet. Het is weliswaar een fantasie van Dimitri, maar dat maakt haar niet minder naakt. Dimitri’s boezemvriend noemt Esther een ‘foute chick’ waar de halve stad al een keer overheen is geweest.

Toch zet Lodeizen geen clichématige bimbo neer. Haar schoonheid is overrompelend naturel: een rommelige bos krullen en nauwelijks opgemaakt. Ze is stoer, jongensachtig slungelig, ad rem en heeft in haar seksuele vrijheid iets autonooms. Iemand die volstrekt haar eigen zin doet en zo nu en dan op haar rollerskates boven Dimitri uittorent. Het eerste wat je hoort in de openingsscène is het spinnen van een kat. Dat geluid blijkt Esther te produceren terwijl ze tevreden uit haar drankrietje slurpt. ‘Jij bent het enige meisje dat spint als ze iets lekker vindt,’ constateert Dimitri. ‘Ik ben sowieso een weird type,’ antwoordt Lodeizen met een lage, schorre stem die ze later beter heeft leren gebruiken.

Van boven naar beneden: Lodeizen in Simon (foto: HH), Kan door huid heen en Publieke werken.
Platpratende Amsterdamse

De lowbudget-relatiekomedies die Terstall maakte met een groep vrienden, onder wie meisjes die hij, zoals Lodeizen en Nadja Hüpscher, achter de bar waar ze werkten vandaan plukte, zouden de filmschool worden waar Lodeizen haar acteertalent kon uitbouwen. In Rent a friend (2000) is ze een bitchy soapschrijfster (een van haar weinige geblondeerde rollen) die genoeg heeft van haar ambitieloze vriendje en hem inruilt voor haar patserige baas. In Simon (2004), over een opgewekte, wietverkopende strandtenthouder die geveld wordt door kanker en uiteindelijk kiest voor euthanasie, speelt ze zijn vriendin Sharon. Opnieuw een platpratende Amsterdamse die voortdurend met blote borsten ligt te zonnen en wel pap lust van een lekkere kerel. Maar wat Lodeizen bij de grofgebekte volkse vrouw benadrukt, is haar zorgzaamheid. Ze toont het grote hart van Sharon, die zelfs als ze al kinderen heeft met Simons aartsvijand trouw blijft aan haar vriendschap met Simon en zich zelfs over zijn kinderen uit een eerder huwelijk probeert te ontfermen.

In het doe-het-zelf-universum van Terstall was Lodeizen als een vis in het water. Samen je onbetaald uit de naad werken. Zorg dragen voor je eigen kostuum en make-up. Toen ze later ging meewerken aan commerciële film- en tv-producties zei Lodeizen in interviews de saamhorige betrokkenheid van de Terstall-films te missen. De vrijgevochtenheid die uit zijn moderne moraliteiten spreekt, past bij haar persoonlijkheid. Opgegroeid in een nog rauw gedeelte van Amsterdam, waar ze naar eigen zeggen bij het buitenspelen junkiespuiten en gevulde condooms verzamelde. Grootgebracht in de liefde van de losjes levende beeldend kunstenaar Frank Lodeizen die kinderen had uit diverse huwelijken, en van een moeder die lang een relatie had met een getrouwde man, heeft Rifka Lodeizen een oordeelloze, open kijk op de wereld en de bonte schepsels die haar bewonen.

Indrukwekkende aanwezigheid

Dat ze aanvankelijk te boek stond als een Eddy Terstall-meisje vond ze een compliment. In interviews komt Lodeizen over als iemand die weinig verwachtingen heeft van zichzelf. Haar grootste geluk vindt ze in het moederschap – ze heeft twee dochters – en in de stabiliteit van het gezin dat ze met haar man heeft gevormd. De rest is mooi meegenomen. Ze heeft geleerd weinig ruimte in te nemen, zei ze ooit. Een gevolg misschien van haar jeugd in een roerig kunstenaarsgezin met een vader die moeite had met het leven omdat op zijn twaalfde zijn joodse familie werd vermoord in de oorlog. De mannelijke regisseursblik op haar vrouwelijke schoonheid neemt ze als een gegeven. In films ondergraaft ze die objectiverende blik met haar sterke, aardse persoonlijkheid. Lodeizen heeft niet die erotisch getinte geheimzinnigheid van Carice van Houten of Halina Reijn. Het contact dat ze maakt met haar medespelers of met de camera is ontdaan van versluiering. Ze haakt zich vast met haar oogopslag, die eerlijkheid afdwingt, en gelijkwaardigheid.

In Tiramisu, een eerdere film van Paula van der Oest, heeft Lodeizen niet eens zo’n grote rol, maar wel een indrukwekkende aanwezigheid. Ze speelt de wat burgerlijke verloofde van Jakob Derwig, een stijvige boekhouder die in de ban raakt van zijn cliënt, een uitbundige, dwingerige actrice (Anneke Blok). Twee keer in de film kijkt ze de van haar wegvluchtende Derwig intens aan, en het is alsof ze recht door hem heen kijkt. Zinderende blikken zijn het, waarin niet een voor de hand liggende beschuldiging overheerst, maar een mengeling van verlangen en onzekerheid, van hem zien in zijn worsteling en een opeisen van haar plaats in zijn leven.

Scène uit Tonio. Foto: Pief Weyman
Klassieke schoonheid.

Een vergelijkbaar intens beschouwen van Jakob Derwig als haar met zichzelf worstelende echtgenoot leverde Rifka Lodeizen dit jaar een nominatie op voor een Gouden Kalf. In de verfilming van Thomas Rosenbooms historische vertelling Publieke werken staat zij aan de zijde van apotheker Christiaan Anijs. Hij vindt een levensvervulling in het ‘redden’ van de armoedige veenkolonisten die hij als ongeschoolde dokter bezoekt. Zijn Martha fungeert niet alleen als zijn geweten, maar ook als dat van de film. Als hij met een keukenmesje de spanning op de buik van een hoogzwangere koloniste doorbreekt, is het zijn vrouw die hem woest ter verantwoording roept.

Publieke werken is het eerste kostuumdrama waar Lodeizen een grote rol in heeft. Haar verschijning doet het goed in het bekende plaatje van de keurige dame met hooggesloten kleding en een parasolletje tegen de zon. ‘Ik vind Rifka zó mooi in die tijd passen,’ zegt regisseur Joram Lürsen over haar in zijn audiocommentaar bij de dvd. ‘Ze heeft het uiterlijk van een klassieke schoonheid.’ Dat plaatje wordt door Lodeizen tot leven gewekt met een aangenaam ‘modern’ zelfbewustzijn dat de tussenliggende eeuw overbrugt. Zij is het die ’s avonds, als ze haar opgestoken krullen heeft losgeschud, vrijmoedig op haar man kruipt om met hem in contact te blijven. En in de tafelgesprekken met hem en zijn missie-partner Vedder, gespeeld door Gijs Scholten van Aschat, denkt zij kritisch mee over het reddingsplan voor de veenkolonisten.
Bij zijn audiocommentaar prijst Lürsen het analytische vermogen van de drie acteurs die na elke opname-take de scène aan tafel nauwgezet bespraken, om er bij de volgende take een tandje bij te zetten. ‘Als je drie van dat soort acteurs aan een tafel zet, merk je dat ze elkaar steeds beter maken. Dat ze het iedere keer nét iets anders spelen, en plezier hebben in hoe de ander speelt.’

Kwaliteitsstempel

Lodeizen wordt hier in één adem genoemd met Derwig en Scholten van Aschat, geschoolde acteurs die anders dan zij hun sporen hebben verdiend in het theater en zich bekwaamd hebben in de bloemrijke taal van Shakespeare, Ibsen en Molière. Niet gek voor een Terstall-meisje. ‘Ik heb een soort kwaliteitsstempel gekregen, zo van: Klasse A, die is goed,’ constateerde Lodeizen in 2011 in een interview met de Volkskrant. ‘De twijfel die er blijkbaar over mij was, is een beetje weggenomen.’

In elk filmbeeld geloof je haar. Peuterend aan oude behanglagen. Mompelend in zichzelf.Zelf relateerde Lodeizen dit kwaliteitsstempel aan het Gouden Kalf dat ze twee jaar eerder won voor haar hoofdrol in Kan door huid heen. Een overrompelend intieme film van Esther Rots over een zelfstandige jonge vrouw die na een verkrachting in haar woning naar een bouwval op het platteland vlucht waar ze zich van de buitenwereld afsluit. Lodeizen draagt deze film bijna in haar eentje. Ze is grotendeels alleen in de bouwval, die ze eigenhandig opknapt alsof ze daarmee haar eigen ineenstorting heropbouwt. En elk filmbeeld geloof je haar. Peuterend aan oude behanglagen. Mompelend in zichzelf. Hallucinerend over wraak op haar verkrachter. Zich angstig verstoppend in een kastje nadat ze iemand aan de deur van het huisje heeft gehoord. Maar ook: zichzelf dapper bijeenrapend als ze spontaan bij een behulpzame buurman aanbelt met een buitenmaatse hoeveelheid Chinees afhaal-eten die ze ineens niet in haar eentje wil opeten.

Een boterham wegkauwen

Anders dan veel van haar generatiegenoten wisselt Lodeizen film niet af met toneel. Een jaar of vijftien geleden stond ze bij uitzondering in een komedie van Kees van Kooten (Wina zingt) die niet bijster goed werd ontvangen. ‘Verbaasd was men over de teleurstellende acteerprestatie van Rifka Lodeizen,’ schreef Cornald Maas in een Volkskrant-column over de première-nazit. De filmset is vooralsnog haar habitat. Daar weet ze elk personage en elk decor te bewonen. Uiterlijk transformeert ze nooit zo veel: iedere vrouw die ze neerzet, heeft haar ietwat stoere loopje. En haar tekstbehandeling heeft meestal dezelfde afgemetenheid. De eigenheid van elk nieuw personage is bij haar iets mentaals. Ze bouwt haar rollen op vanuit haar gevoel. En ze kan zich opmerkelijk goed verbinden met een plek, een figuur, een situatie. Een boterham smeren en wegkauwen terwijl ze haar verloofde ondervraagt in Tiramisu. De leegte van haar woning voelbaar maken in de serie Overspel, waar ze al drie seizoenen lang de pijn levend houdt over het feit dat haar echtgenoot haar heeft verlaten.

In Tonio is een scène waarin ze zich tegenover haar man opstelt, die bij de politie de bewakingsbeelden heeft opgevraagd van de aanrijding van hun zoon. Haar personage Mirjam is meegegaan naar de politie, omdat ze haar man niet alleen wil laten. Maar bij thuiskomst maakt ze duidelijk dat er een grens is aan haar verlangen tot weten. ‘Ik wil niet zien hoe mijn kind doodgaat,’ sist ze Pierre Bokma toe voordat ze hem de rug toekeert en naar binnen gaat. Bij een mindere actrice zou je in die toeëigening van het verongelukte kind alleen de verwijdering horen, en het verwijt. Als Lodeizen het zegt, voel je voornamelijk haar ángst voor de verwijdering en daarin de diepe verbintenis met haar naar antwoorden zoekende man en met het kind dat ze samen zijn verloren.

Halverwege de film zal Mirjam hardop haar angst verwoorden dat de dood van Tonio haar en Adri uit elkaar zal drijven. Het is de enige overbodige zin in deze gevoelige, bijna troostende verfilming van Van der Heijdens geschreven requiem. Want uit elke blik van Lodeizen op haar partner, elk zacht woord dat ze tot hem richt als ze hem na een drinkgelag in hun bed probeert te krijgen, spreekt haar zorg over hem, over wat zij samen hadden en nóg hebben. Ook als zij het woord ‘moeder’, dat haar bestaan mede definieerde, weer op zichzelf moet veroveren.