Vierde thriller-met-omineuze titel in vier jaar van deze Franse successchrijver, die ooit als douanier werkte in de Pyreneeën en dat berglandschap nu gebruikt als sfeerbepalende achtergrond voor zijn werk. Opnieuw zijn commandant Martin Servaz en seriemoordenaar Julian Hirtmann de hoofdrolspelers. Nadat Servaz zijn Marianne was kwijtgeraakt door toedoen van Hirtmann had hij de gevreesde misdadiger in de gevangenis gezet, maar daaruit blijkt zijn vindingrijke vijand nu verdwenen te zijn. Hirtmann, waarschijnlijk de beul van meer dan veertig vrouwen, speelt een spel van kat en muis met de arme Servaz, die nog herstellend is van een bijna fataal schot. In hun tweestrijd voegt zich de Noorse inspecteur Kirsten Nigaard: zij is gespecialiseerd in het bestrijden van georganiseerde misdaad, maar raakt bij de zaak betrokken als er een lijk wordt gevonden van een vrouw die een briefje met háár naam bij zich draagt. Minier beschrijft de wervelende, bloedstollende gebeurtenissen op een bijna Scandinavische, onderkoelde manier, waardoor ze extra hard aankomen. Zeker in combinatie met zijn goed gedoseerde, soms wat macabere humor. Wanneer je na ruim 500 pagina’s het boek haast opgelucht dichtslaat, besef je dat het einde slechts voorlopig is: een cliffhanger die je dwingt een jaar te wachten op het onvermijdelijke vervolg. (Ed van Eeden)