Het is 1986. ‘Al heel vaak heb ik “Buut vrij!” geroepen. Wessel is weggegaan en heeft mij in de verkleedkist achtergelaten. Hij zal toch wel terugkomen?’ Pestkop Wessel is anno nu, twintig jaar later, plots de nieuwe buurman van de claustrofobische Manon. Als hij bij haar aan de deur komt, zegt hij dat ze nog altijd hetzelfde melkboerenhondenhaar heeft. ‘De zak. Hij is niets veranderd.’ Meteen heeft ze ook geen zin meer in seks met haar man Jasper, die prompt gaat hardlopen met Wessels bloedmooie vrouw. Zouden ze alleen maar rondjes rennen? Of ziet Manon in deze therapeuterig vertelde debuutthriller vol traumatische jeugdherinneringen vooral spoken en neemt ze alles te persoonlijk op? Bij een buurtfeestje met spacecakebrownies komt het tot een Grote Uitbarsting. Daarna wordt alles nog een keer goed uitgelegd: ‘Geluk zit in jezelf.’ (Anne Versloot)