Sinds het moederschap is Myriams wereld gekrompen tot benauwde proporties. Dus komt er een nanny. Myriam wil geen Noord-Afrikaanse. Het zou wel goed zijn, vindt haar man Paul: ‘“Ze zou Arabisch met de kinderen praten, dat wil jij immers niet doen.” Maar Myriam is bang dat er een stilzwijgende verstandhouding, een vertrouwelijkheid tussen hen ontstaat. Dat de ander tegen haar in het Arabisch zal beginnen. Over haar leven begint te vertellen, en haar algauw duizenden-een dingen zal vragen uit naam van hun gemeenschappelijke taal en geloof. Die immigrantensolidariteit, zoals ze het noemt, heeft ze altijd gewantrouwd.’ Waren Paul en Myriam oprecht geïnteresseerd in de blonde nanny van hun keuze (denk Rebecca De Mornay in de filmklassieker The Hand That Rocks the Cradle), dan was hun een gruwelijk lot bespaard gebleven. Een zachte hand opent met de climax. Spannender wordt het daarna niet, maar het intieme en onthutsende portret van een eenzame vrouw die in een onverschillige wereld steeds verder ontspoort, beklijft. (Eva Gerrits)