Na het openingsschot tijdens een jachtpartij in de Franse bossen is het moeilijk te geloven dat er nog onheil dreigt, zo prettig kabbelt De wolf van Colombes voort. Met smaak en plezier vertelt Strobbe over een stel dat vanuit Parijs naar het platteland verhuist en over de (on)hebbelijkheden van de dorpelingen. Soepeltjes schakelt hij naar een oude dorpsvete en wijnfraude en het drama zwelt aan. Een paar ijzersterke scènes en sprekende details beklijven, zoals de schaapsherder die water drinkt om de wolven af te schrikken (‘Zodra de boswachters weg zijn, ga ik uitgebreid pissen, om duidelijk te maken wie hier het alfadier is. Ze zullen de boodschap héél goed begrijpen’). Of de wolfshond die zijn tanden zet in een schedel (‘plop, alsof een groot paasei gebroken werd’). Gebrek aan focus en een overdosis culty horror-verhaallijntjes – Japanse maffiapraktijken, verdwenen kinderen en een dorpsdokter à la Mengele – maken het geheel wat onevenwichtig. (Eva Gerrits)