Met haar keuze voor één vertelperspectief gaat Fossum in tegen de heersende mode van wisselende vertellers. Bijzonder is dat ze het hele boek lang bij de moordenaar blijft. We vallen het onbeduidende leven binnen van de veertigjarige weduwnaar Charlo Torp als hij al onderweg is naar zijn slachtoffer, een alleenwonende bejaarde dame. We ervaren de opluchting over de gokschulden waarvan hij dankzij de roofoverval is verlost, en het overweldigende geluksgevoel dat het hernieuwde contact met zijn puberdochter hem brengt. Maar als een hedendaagse Raskolnikov uit Dostojevski’s Schuld en boete vindt Charlo na zijn ondoordachte wanhoopsdaad geen gemoedsrust. De vriendelijke rechercheur die hem lijkt te doorzien, is een vijand maar ook een mogelijke verlosser. Het enige overbodige aan deze meeslepend opgetekende tragedie zijn Charlo’s brieven aan zijn dochter. Het overwogen taalgebruik daarin past niet bij het hoofdpersonage, dat Fossum dichter nadert als ze in de derde persoon over hem schrijft. (Marijn van der Jagt)