‘Gedramatiseerde versie van een waargebeurd verhaal met echte en denkbeeldige personages onder een fictieve naam,’ zo is te lezen op het titelblad van Bluf. Bourgondiër Willem Van Vugt draagt zijden sjaaltjes en eet alleen in driesterrenrestaurants. Tussen de gangen door mag hij graag over de ‘vrouwtjes’ praten. Op een dag wordt het lijk van zijn vriend Joris uit het kanaal Gent-Terneuzen gehengeld. ‘Hoe kan dat nou? Hij zwom als een vis,’ zegt Willem tegen inspecteurs Coucke en Versluys – en zet meteen zijn begrafenisgezicht op (terwijl hij hét even later doet met de weduwe). De oude vertrouwde patholoog professor Zeldenrust – we hebben het hier over 1977 – doet de lijkschouwing, maar vindt geen sluitend bewijs voor moord. Tijdens het verdere onderzoek stuiten de speurders op een megafraudezaak en belandt Willem alsnog achter de tralies. In het gevang leert hij ex-rechter Gijs Vespers kennen, wiens vrouw aan Willem een bom duiten geeft op het moment dat hij vrijkomt. Oliedom natuurlijk! In zijn bloemrijke Vlaams vertelt Prieels over Willems misdaden alsof het over ondeugende schelmenstreken gaat. En neemt onze held uiteindelijk iedereen bij de neus in dit dolkomische, bijna slapstickachtige avontuur. (Anne Versloot)