Haar befaamde kinderboek Iep! wordt verfilmd, in oktober komt haar roman Alles nieuw uit, ze is stadsdichter van Antwerpen en sinds kort weer cabaretier. Waarom is multitalent Joke van Leeuwen in Nederland eigenlijk geen bekende schrijfster?
Bij de naam Joke van Leeuwen kijken mensen soms wat wazig. Maar zeg je ‘Iep!’ dan gaan er lichtjes branden. Iep! is dat boek over dat vogelmeisje, met vleugeltjes in plaats van armen. Het meisje dat wil fladderen terwijl ze netjes moet lopen. Dat óp de ontbijttafel wil zitten in plaats van er aan. En dan met haar mond kruimeltjes wil oppikken alsof het torretjes zijn. Het meisje dat alles met de ‘ie’ zegt – ‘Ik miet un bieteriemetje mit pindekies!’ is in het boek een gevleugeld gezegde. Ien ienstiekelijke mienier vien prieten, die in heel wat huishoudens waar Van Leeuwens boek is voorgelezen, fanatiek is beoefend.
Dat wordt binnenkort alleen maar erger, want Iep! wordt verfilmd. In een Amsterdamse studio en in een Zuid-Belgisch dorpje brengen acteurs momenteel de figuren uit het boek tot leven. Joke Tjalsma en Huub Stapel spelen Warre en Tine, het wat stijvige kinderloze echtpaar dat zo blij is als Warre het vogelmeisje onder een struik vindt. Warres vraag ‘Is dit van iemand?’ zal over het lege, Zuid-Belgische landschap klinken. En ook zijn uitroep: ‘Ik neem dit mee hoor! Ik neem dit mee!’ Als de film net zo mooi wordt als het boek, zullen nog meer mensen de aandoenlijke Warre en Tine in hun harten sluiten, en zullen nog meer kinderen net als het meisje met de vleugeltjes óp in plaats van aan tafel willen eten.
Iep! is Van Leeuwens ontroerendste boek, stelt Mieke de Jong, die het scenario voor de film heeft geschreven. ‘Het sluit aan bij de kinderfantasie om weg te kunnen vliegen, vrij te kunnen zijn. Het gaat over houden van en kunnen loslaten – elke ouder herkent de angst dat je kind wegvliegt. Je weet dat het op een bepaald moment moet, maar je vindt je kind daar nooit groot genoeg voor.’ Het was een eer om gevraagd te worden om het scenario te schrijven, zegt De Jong, want ze is een enorme fan. ‘Joke van Leeuwen heeft Grote Literatuur voor kinderen geschreven, in de allermooiste taal die er bestaat. Ze staat in de traditie van Annie M.G. Schmidt, met haar dwarse kijk op de werkelijkheid. Annie M.G. Schmidt stofte de verhalen af voor kinderen. Maar Joke van Leeuwen stofte de taal af voor kinderen.’
Meisjesachtig ponykapsel
Het is alleen in Nederland dat het publiek de figuren uit Joke van Leeuwens boeken beter kent dan haar naam. In Vlaanderen, waar ze woont, is ze een bekend schrijfster. Ze is stadsdichter van Antwerpen en projecteert haar gedichten voor iedereen zichtbaar op de muren van de stad. Ze staat graag op het podium, houdt ontregelend ontspannen praatjes bij deftige gelegenheden en draait haar hand niet om voor een bizarre act op een stand-up-comedian-festival voor wild jongerenpubliek. ‘Ze kan geweldig omvallen,’ zegt iemand die dit met eigen ogen heeft aanschouwd. ‘Vanuit staande positie, en dan een paar keer achter elkaar, terwijl ze een zin probeert te zeggen. Welke vrouw van haar leeftijd doet nou zoiets!’
Treedt ze op in de Leidse bibliotheek voor een zaaltje vol leraren, dan zie je de performer. Achteloos rijgt ze het ene gedicht aan het andere, zet geestige stemmetjes op bij dialogen, en schetst met haar expressieve gezicht de verbaasde, verontwaardigde of bangige figuurtjes die ze altijd tekent.
Maar wie Joke van Leeuwen (56) buiten het podium ontmoet, heeft moeite om die bravoure te ontwaren. In haar netjes opgeruimde Antwerpse woning zit een verzorgde vrouw rechtop op de bank te wachten op de vragen die gesteld gaan worden. Ze geeft vriendelijk antwoord, maar praat zacht en bepaald niet veel, zodat er snel stiltes vallen. Bij een compliment over haar nieuwste roman weet ze niet waar ze moet kijken, en verschuilt ze haar gezicht achter haar meisjesachtige ponykapsel.
Misschien bedenkt ze wel manieren om te verdwijnen, net als Deesje, de verlegen titelfiguur uit een van haar andere boeken. Deesje die vaak niet weet wat ze moet zeggen, en juist door die eigenschap per ongeluk in de finale van een verhalenwedstrijd belandt. Nu moet ze op televisie haar verhaal voorlezen terwijl ze er helemaal geen heeft geschreven. Deesje gaat in haar gedachten wel tien keer weg, op manieren die alleen in gedachten kunnen. Zoals: doorzichtig worden en niemand die je weg ziet gaan, heel klein worden en onder de stoelen door weglopen, en verdwijnen door een gat in de vloer dat vanzelf weer dichtgaat.
Drie woorden
Het compliment betrof Alles nieuw, de roman van Joke van Leeuwen die in oktober uitkomt. De tweede roman die ze voor volwassenen schreef, na Vrije vormen, dat in 2002 verscheen. ‘Eigenlijk is dit haar derde,’ bekent Jacques Dohmen van uitgeverij Querido die haar al dertig jaar begeleidt. ‘Maar haar eerste boek vol volwassenen, De tjilpmachine, wordt een beetje verdonkeremaand. Joke vond dat boek niet zo goed gelukt.’
Alles Nieuw is een echte Joke van Leeuwen: een boek waarin tekst en afbeelding elkaar op een bijzondere manier aanvullen. Sla maar eens een kinderboek van Van Leeuwen open – de originele tekstopmaak buitelt je tegemoet. Wordt er iets hard geroepen, dan staat het in schreeuwende kapitalen over de hele bladzijde. Morst de ik-figuur uit Kweenie met de chocomel die ze inschenkt, dan is een hoek van de pagina onleesbaar. Huilt er iemand in het verhaal, dan vervagen de letters van de tranen.
De beeldvariatie in Alles nieuw is bescheidener, maar voor een volwassenenroman origineel. Er staan getypte brieven tussen de drukletters, maar ook kunstwerken die zogenaamd door de romanfiguren zijn gemaakt. Er staan schijnbaar losstaande verhaaltjes in van een verhalenverteller op straat, die omstanders drie woorden vraagt om er een vertelsel omheen te brouwen. Ze had nog wel meer van die drie woorden-verhalen door het boek willen weven, vertelt Joke van Leeuwen op de bank in haar woonkamer. ‘Dat is hoe mijn vader ons verhalen vertelde. Hij zei inderdaad: zeg maar drie woorden, en dan kwam er hup, een verhaal.’
Wat voor de lezer intrigerende toevoegingen zijn, noemt zij ‘herinneringen’ uit haar jeugd in een warm, vrijzinnig domineesgezin, waar ze de liefde opdeed voor troostende, plechtstatige woorden die je als kind maar half begrijpt. Zoals het woord ‘ontferming’, waar ze in haar geweldige gedicht Zei ze een soort consumptieartikel van heeft gemaakt, waar klanten in een winkel naar komen vragen. Maar ook de figuren uit Alles nieuw komen de kinderboekenlezer bekend voor. De jonge kunstenares en de oude vrouw die ze boven elkaar in een huis laat wonen, zijn volwassen versies van de hoofdpersonen uit Kukel en Kweenie, Deesje en Slopie: dromerige, fantasierijke, maar ook wat verloren kinderen die zoeken naar hun eigen plek in het leven. Het boek zit vol met de precieze observaties die we van Van Leeuwen kennen. Talige gedachten in zorgvuldige en toch speelse zinnen, die je opnieuw wil lezen. ‘Ze bladderen samen af,’ denkt de kunstenares over de oude vrouw en het huis waar de vrouw haar hele leven woont. ‘Hij nam meer tijd dan de vorige keer om te zien en voelen of ik compleet was,’ begint ze haar beschrijving van een stevige vrijpartij met haar vriendje.
Van Leeuwen springt heen en weer tussen de gedachten van de twee langs elkaar levende vrouwen. Die zijn vaagjes met elkaar bezig, en in hun pogingen om elkaars ‘sporen’ te lezen, ontstaan allerlei misverstanden. Zo plakt de jonge vrouw zelf ontworpen, abstracte tekens bij de etage-aanduidingen in de lift, om ze meer poëzie te geven. Maar de oude vrouw raakt erdoor verontrust; het kunnen wel signalen zijn die dieven aan elkaar geven. ‘Ik wilde iets doen met mensen die elkaars bedoelingen en uitspraken voortdurend verkeerd interpreteren,’ vertelt Joke van Leeuwen. Toen ze begon aan Alles nieuw was ze verwikkeld in een rechtszaak. ‘Ik wil er niet veel over kwijt – ik heb trouwens wel gewonnen – maar tien jaar lang ben ik geconfronteerd met hoe verschillend versies van dezelfde werkelijkheid kunnen zijn. Er moesten verklaringen worden afgelegd, en dan zie je hoe ontoereikend die zijn. Er is iets heel fascinerends aan de onmacht van taal.’
Buitenstaander
Het lijkt paradoxaal: een schrijfster met zó veel macht over de woorden, die over de onmacht van taal spreekt. En toch raakt het aan de kern van Van Leeuwens kunstenaarschap. Als meisje van dertien vond ze houvast in het schrijven en tekenen toen ze uit Amsterdam ineens naar Brussel verhuisde. Die verhuizing gaf haar al vroeg een groot bewustzijn van de taal, maar ze noemt het ook een cultuurshock. ‘Net op een punt dat je denkt: wie ga ik worden, wat ga ik worden, hoe ga ik er uitzien later, kom je in een situatie waarin niks meer vanzelfsprekend is. Het was een tijd waarin mensen in Vlaanderen hamerden op correct Nederlands spreken. Ik werd daar door leraren op aangesproken, en ik wist dan soms dingen beter. Hollanders stonden erom bekend dat ze betweters waren, maar ik wilde dat helemáál niet zijn.’
Juist haar macht over de taal maakte haar dus tot een buitenstaander. ‘De taal is voor haar een eiland,’ zegt schrijver Bart Moeyaert over Joke van Leeuwen. ‘Je moet nou eenmaal woorden gebruiken, want dat hoort bij communiceren, maar zodra je dat doet, gaat het fout. Dat is iets verdrietigs, maar Joke laat ook zien dat je dat weer recht kunt trekken door over het misverstand te vertellen.’ Moeyaert was al een fan van Van Leeuwens boeken toen hij haar in 1997 persoonlijk leerde kennen bij het programma Geletterde mensen, dat Vlaamse schrijvers uitnodigde op het podium. ‘Sommige schrijvers gingen op een stoel zitten en dan veranderde af en toe het licht. Maar Joke en ik deden van alles: gedichten opzeggen, een toneeltje doen voor twee personen en op zijn tijd een flauwe mop vertellen. Er stond een piano op het podium en ik, die geen toon kan houden, was ineens zanger.’
Net als Van Leeuwen schrijft Bart Moeyaert voor kinderen én volwassenen. ‘Ik was in die periode aan het worstelen met de bestaande denkbeelden over jeugd- en volwassenenliteratuur. Ik heb toen veel van Joke geleerd, omdat zij zich aan dat onderscheid zo weinig gelegen laat liggen. Ze is wie zij is, en daar is ze heel duidelijk in. Ze heeft een soort koppigheid, die eigenlijk eigenzinnigheid is: ze is eigenzinnig van zichzelf, maar houdt dat koppig vol.’ Van Leeuwen hielp Bart Moeyaert om te beseffen dat het ook ‘een troef is om tussen twee stoelen te vallen; mensen die dán naar je werk kijken, die kijken beter.’ Dat Moeyaert vóór Joke van Leeuwen stadsdichter was van Antwerpen, heeft geholpen bij het creëren van een eenheid in zijn werk. ‘Maar voor Joke is dat natuurlijk anders, die wás altijd al een dichter.’
Niet lief genoeg
De eenheid en continuïteit die Van Leeuwen vast weet te houden, is bijzonder, stelt Jacques Dohmen. ‘In de dertig jaar dat ik voor Querido werk, zijn een heleboel grote schrijvers gewoon verdwenen. Maar Jokes boeken blijven het publiek aanspreken, ze verouderen niet.’ Eind jaren tachtig is Van Leeuwen opgekomen samen met ‘de grote prentenboekvernieuwers’, zegt Dohmen. Voor een schrijver die bejubeld is om haar kinderboeken valt het niet mee om ook voor volwassenen te schrijven, omdat je toch steeds in die kinderhoek terug wordt geduwd. Maar Van Leeuwen blijft in alle uitstappen die ze maakt, glorieus zichzelf. ‘Ze is echt een dubbeltalent,’ stelt Dohmen. ‘Ze schrijft met haar tekenpen en tekent met haar schrijfpen.’ Kijk naar de vele prijzen die Van Leeuwen heeft gewonnen, en je ziet er zowel Gouden Griffels als Gouden Penselen tussen staan. Vorig jaar nog won ze een Gouden Penseel voor Heb je mijn zusje gezien, een prentenboek voor heel jonge kinderen.
De vanzelfsprekende manier waarop Van Leeuwen woord en beeld samen laat gaan, is het resultaat van een zoektocht die ze na haar opleiding aan de kunstacademie heeft moeten afleggen. In de technieken die ze leerde op de afdeling vrije grafiek was ze zichzelf een beetje kwijtgeraakt, vertelt ze. Tot ze weer terug ging grijpen op wat ze vóór de kunstacademie deed. ‘Die overgang naar Brussel, maar ook mijn open gaan staan voor de wereld, verwerkte ik in verhaaltjes, versjes en tekeningen. Ik herinner me Jan Palach die zichzelf in Praag in brand stak, dat verwerkte ik in teksten en in gouaches. Pas toen ik het schrijven en tekenen weer sámenbracht, hervond ik een kracht die ik in mijn kinderboeken kwijt kon.’
Aanvankelijk stonden de uitgevers niet te springen om haar werk uit te geven. Ze vonden haar tekeningen niet lief genoeg. ‘In die tijd waren vooral in Vlaanderen de prentenboeken nog heel zoetig. Ik tekende geen kinderen met grote ogen en kleine neusjes. Bij mij hadden ze juist grote neuzen en kleine oogjes, een beetje zoals ik er zelf ook uitzie,’ zegt ze met een verlegen gebaar naar haar eigen gelaat.
Tussenwezen
Haar eerste schreden naar een publiek zette ze op het podium. In 1978 won ze de Cameretten in Delft, toen hét talentenfestival voor aankomende cabaretiers. Diederik Hummelinck van het latere productiebureau Hummelinck & Stuurman (die afgelopen week door de koningin werd geridderd) zag Van Leeuwen optreden op een ander festivalletje en wilde haar meteen in zijn stal. ‘Ik herinner me een dun meisje met een boek in haar hand. Daar had ze allemaal papiertjes tussen gestoken, bij de plaatjes die ze wilde laten zien. Maar even later dwarrelden al die blaadjes uit het boek op de grond. Ze was héél grappig. Ze speelde virtuoos met taal, zonder dat het tuttig of oubollig was. En het was bijzonder dat ze een vrouw was – dit was nog ver voor Brigitte Kaandorp. Ik zei dat ze aan de Cameretten mee moest doen, maar dat daar wilde ze niks van weten. Ik moest haar met acht paarden er naartoe trekken. En vervolgens won ze alle prijzen: de Juryprijs, de Publieksprijs, en de Persoonlijkheidprijs die meestal ging naar individuen die opvielen in een ensemble.’
Drie programma’s zou Van Leeuwen nog maken, daarna hield ze het cabaret voor gezien. ‘Na drie programma’s liep de publieksloop terug, het was ook meer van hetzelfde. Ze had wel het talent, maar niet de vechtlust om zich in het cabaret verder te ontwikkelen. Ze vond in het spelen misschien ook niet genoeg uitdaging. De meeste cabaretiers moeten maanden try-outen, bij Joke van Leeuwen was het programma al af bij de eerste try-out. En aan het eind van de tournee was alles nog precies hetzelfde als op die eerste avond! In die zin bleef ze een schrijfster op het toneel, die uitvoerde wat ze achter haar bureautje had bedacht.’
Lange tijd heeft Van Leeuwen geen cabaret gemaakt, maar sinds kort heeft ze weer een programma: En/en. Het podium blijft toch trekken, misschien omdat haar gedichten er zo om vrágen voorgedragen te worden. ‘Die moet je uitspreken om ze te ervaren,’ zegt Marijs Boulogne, een jonge Vlaamse theatermaakster die op de regieopleiding Van Leeuwen vroeg om haar te begeleiden. ‘Maar omgekeerd zijn haar kinderboeken juist niet geschikt om op het toneel te worden gezet.’
Boulogne zag ze bij de regie-opleiding om zich heen: de ‘meisjes’ die verwoede pogingen doen om toneel te maken van hun favoriete Joke van Leeuwens. ‘Maar bij toneel gaat het om wat je niet zegt, en terwijl Jokes boeken heel precies geformuleerde gedachtenstromen zijn. Het zijn binnenwerelden, die niet los te zien zijn van de tekeningetjes die Joke er bij maakt.’
Het valt inderdaad op hoe weinig de boeken van Van Leeuwen bewerkt zijn voor film of
toneel. Van Iep! maakte het Ro theater een paar jaar geleden een voorstelling, maar die werd
geregisseerd door de zus van Joke, Marieke van Leeuwen, in nauwe samenwerking met de schrijfster zelf. Voor de rol van het vogelmeisje werd toen een bijzondere actrice gevonden: een jonge vrouw die heel klein is gebleven. Alsof een gewone actrice afbreuk zou doen aan het bijzondere ‘tussenwezen’ dat het vogelmeisje is.
Ook bij de film die nu van Iep! gemaakt wordt, proberen de makers dicht bij Van Leeuwens taal en tekeningen te blijven. ‘Ze schrijft zo beeldend, en is zo precies in haar tekeningen, dat ze al heel veel richting geeft voor hoe het er uit moet komen te zien,’ zegt scenarioschrijfster Mieke de Jong. ‘Zoals zij het heuvellandschap beschrijft waar het huisje van Warre en Tine staat, dat zie je meteen voor je.’ De filmmakers zoeken momenteel nog naar manieren om de tekeningen van Van Leeuwen ook als beeldmateriaal in de speelfilm te verwerken, vertelt De Jong, maar daar zijn ze nog niet uit.
Angst, eenzaamheid
Er spreekt een grote vrijheid uit Van Leeuwens afwisseling van schrijven en tekenen. Beschrijft ze in het leesboek Kukel (1999) dat de stijve koningin van het land – een tragische figuur die ‘nog over is van vroeger’ en niet veel anders te doen heeft dan ‘opluisteren met haar aanwezigheid’ – misschien wel heel gek zou willen lopen als er niemand op haar lette, dan tekent ze de koningin daar in een paar bizarre houdingen bij. Zo neemt ze de lezer ook in beelden mee naar de beleving van het jongetje Kukel, die een nogal drukke fantasie heeft waarin van alles mogelijk is.
De beelden vertellen ook soms een ander verhaal dan de tekst. Als Van Leeuwen in Iep! schrijft dat ‘niemand’ antwoord gaf toen Warre onder een struik het vogelmeisje vond en riep: ‘Is dit van niemand?’ tekent ze onder aan de pagina twee onooglijke torretjes. ‘Zijn wij niemand? Weten wij niets?’ zegt het ene torretje vertwijfeld. Het andere torretje maakt korte metten met de filosofische bespiegelingen. ‘Doorlopen!’ antwoordt hij (of zij) bars.
Het is veel meer dan illustreren wat Van Leeuwen met haar tekeningen doet. Tussen taal en beeld schept ze ruimte voor wat er nog niet is, voor wat zweeft tussen realiteit en verbeelding. Het jongetje in Heb je mijn zusje gezien? vraagt aan iedereen die hij tegenkomt naar zijn grote zus.
Die mensen en dieren kijken allemaal over een muurtje heen, dat de kijker om kan slaan. Achter die muur blijken de figuren er wonderlijker en kleurrijker uit te zien dan je op het eerste gezicht denkt. Maar het mooiste aan het boek zijn de met dunne hanepoten geschetste contouren die óp het muurtje staan, en die gestalte geven aan een vaag vermoeden over de ontbrekende helft van de figuren. In het meesterlijke kinderboek Kweenie krijgt de ik-figuur bezoek van een poppetje dat uit het verhaal is gevallen dat haar moeder is begonnen maar niet heeft afgemaakt. Samen met
deze Kweenie verzint de ik-figuur verhalen, en alles wat ze bedenken, verschijnt meteen op de bladzijde. Ook de enge krokodillen waar ze juist uit alle macht niet aan proberen te denken. Het is bevrijdend, die ruimte voor dingen die er niet zijn en toch wel, maar het kan ook angstaanjagend zijn. In Slopie is de ‘voorzegger’ die aan de hoofdpersoon verschijnt, een duistere dwingeland, die Van Leeuwen mede inspireerde op het godsbeeld uit een streng protestants geloof.
‘Het lijken vrolijke boeken die ze maakt,’ zegt Jacques Dohmen, ‘met veel humor en dappere figuurtjes. Maar daaronder schuilt ook angst, eenzaamheid en soms boosheid.’ Zelf merkt Van Leeuwen dat het vooral de kinderen zijn die deze ondertoon benoemen. ‘Dan vinden volwassenen een verhaal vooral leuk, en zegt een kind: maar het is ook een beetje niet-leuk.’
Marijs Boulogne, die als kind de boeken van Van Leeuwen verslónd, zegt gevormd te zijn door haar visie op de wereld. ‘Alle vrouwen die ik ken, zijn fan van haar – het zijn vaak de mannen die haar boeken een beetje saai vinden. Onterecht, want Joke van Leeuwen durft écht iets te zeggen in haar boeken. Ze is nooit moralistisch, maar durft grote vragen te stellen over hoe mensen zijn, of hoe het leven is. Ze maakt het voor een kind gemakkelijker om de wereld te begrijpen, dat vind ik echt een verdienste.’ Dat Boulogne voor de radio geïmproviseerde verhalen heeft verteld, dankt ze aan Joke van Leeuwen. ‘Deesje is ook heel bescheiden, maar die kon op het eind van het boek ook pardoes een verhaal vertellen. Ik heb bij Joke van Leeuwen gelezen dat je niet bang hoeft te zijn van wat er uit je mond komt. Ze laat zien dat er zelfs bij kinderen zo maar een verhaal in hun mond kan zitten, terwijl ze niet wisten dat het er was.’
De geanimeerde stadsgedichten van Joke van Leeuwen zijn te zien op
stadsdichterjokevanleeuwen.be
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.