Het bijzondere Ivanov laat zien: Bervoets is bovenal een denkende schrijver, die zich in haar eigengereide romanoeuvre weigert te laten begrenzen.

Eerst dit: veel pleit voor de wijze waarop Hanna Bervoets (1984) haar schrijverschap ontwerpt. Ze is een populaire lifestyle-columniste, maar reikt in haar fictie gelukkig hoger dan waar het in dat gemakkelijke feelgood-genre om draait. Haar laatste drie romans kun je als niet minder zien dan een toetsing van sociale en/of wetenschappelijke experimenten. In Alles wat er was (2013) gaat het om een groep mensen die in een schoolgebouw vastzitten, met een slinkende voedselvoorraad. In de toekomstroman Efter (2014) geldt verliefdheid als een ziekte, waar een groep jongeren tegen behandeld moet worden. In haar nieuwe roman, Ivanov, staat een (vroeg- en laat-twintigste-eeuws) onderzoek centraal waarbij de mens met een chimpansee wordt gekruist.

Zoveel is duidelijk: Bervoets is vooral een denkende schrijver, die zich in haar eigengereide romanoeuvre weigert te laten begrenzen. Ze neemt zich roman na roman opnieuw de maat, from scratch – ook dat waardeer ik. Ze houdt nauw voeling met onze tijd, schrijft met evenveel gemak over een beklemmende dystopische wereld als over modernige relaties die fastfood vormen voor haar cross-over lezers.

Haar boeken zijn vól, waarmee ik bedoel dat er veel in omgaat, dat ze vermoedelijk afkomstig zijn uit een druk hoofd, dat niet alle opgeworpen of aangeboorde denkbeelden evenveel reliëf krijgen. De ene keer pakt dat ronduit wezenloos uit (Alles wat er was), de andere keer intrigerend (Efter en Ivanov).

Bervoets lezen is een oefening in evenwichtskunst.

Bervoets lijkt mij iemand die geneigd is haar associatieve invallen te honoreren. Natuurlijk is het als metaknipoogje buiten de kaften van Ivanov geinig als een Amerikaanse faculteitsmanager lijkt op de betreurde, Nederlandse schrijfster Doeschka Meijsing, en uiteraard kán het dat Bervoets’ hoofdpersoon Meijsing ooit gekend heeft. Maar móét het? Waarom niet, kun je zeggen en dat is zo langzamerhand een conditio sine qua non als het om Bervoets lezen gaat. Dus ja, best, het personage Helena oogt als ‘Popeye’s Olijfje’.

Voordeel van die open sluizen is wel weer dat er uit dat associërende schrijvershoofd geregeld rake zinnen opborrelen: ‘Jongens en meisjes hieven synchroon hun hoofd en keken me aan, meelevend, nee, medelijdend, alsof ik voor ze op de grond zat, mijn ogen ten hemel geslagen: een bloedhoestende minnaar in mijn armen.’

Er zit kortom een zekere grilligheid in Bervoets’ vertelstem, die weet te verrassen maar die ook blijkt geeft van gebrek aan consistentie. Bervoets lezen is daardoor een oefening in evenwichtskunst. Niet door halsbrekende capriolen die ze voor het geestesoog van de lezer volvoert, maar doordat je bij bepaalde zinnen, scènes, passages opveert, verscherpt leest, om kort daarna weer pagina’s lang letters maar geen sensatie toegediend te krijgen. En toch, ondanks mijn bezwaren, buiten kijf staat dat Ivanov een bijzondere, onalledaagse, ambitieuze roman is. Dat vloeit vrijwel geheel uit de opzet voort, of liever het idee.

De roman begint met een proloog waarin de (bestaande) Russische wetenschapper Ilya Ivanov samen met zijn zoon in 1927 in Frans-Guinee bezig is mensenzaad in vrouwtjeschimpansees te insemineren. Na dat in cursieve letters gestelde begin maken we kennis met de verteller en vierenveertigjarige hoofdpersoon Felix van der Elsken, die zich bij het bericht van haar verscheiden herinnert hoe hij twintig jaar daarvoor, in 1994, de virologe Helena Frank ontmoette. De aidsepidemie woedde destijds, toen hij als jonge homoseksueel naar New York toog om daar journalistiek en culturele studies te studeren.

Frankenstein

Ik stap nu even met grote stappen over de breed uitgemeten relatiebesognes in Ivanov heen naar dat waar echt wat op het spel staat: Helena Frank (haar naam echoot natuurlijk niet zomaar Frankenstein) is bezig met de reprise van het onderzoek van Ivanov, ze wil de herkomst van het hiv-virus achterhalen. Ivanovs onderzoek was erop gericht de theorieën van Darwin te ondersteunen; om die reden werd hij ook gesteund door de atheïstische bolsjewieken. Helena heeft een minder ideologisch doel; om een eind te kunnen maken aan de aidsepidemie, wil ze de hypothese toetsen dat het apenvirus siv in hiv geëvolueerd is.

Helena is daarbij even weinig ethisch als Ivanov destijds. Op de vraag in hoeverre haar geheime onderzoek moreel door de beugel kan, zegt ze: ‘Morele normen van nu zijn de fundamentalistische geloofsovertuigingen van ooit. Wie niet in God gelooft, zou ook ethiek moeten afwijzen, want net als religie is moraal zand in de wielen van vooruitgang, ethiek het tegendeel van progressie.’

Deze passages over het onderzoek, tezamen met die waarin verhaald wordt van Ivanovs historische strevingen, geven Bervoets roman vleugels. Door die twee tijden waarin min of meer hetzelfde sinistere onderzoek verricht werd te spiegelen, geeft Bervoets de lezer het nodige ongemak voor de kiezen. Daarbij oordeelt ze niet, ook niet bij monde van Felix – goed gedaan. We lezen bijvoorbeeld: ‘Volgens de Franse kolonialisten waren zwarte Afrikanen niet alleen ondergeschikt aan witte westerlingen, maar ook fundamenteel andere wezens: de levende schakel tussen mensen en apen. Ivanov was niet van plan een mens met een aap te kruisen, hij was van plan een Afrikaan met een aap te kruisen: dat was iets anders, vonden de Fransen.’ Even onbecommentarieerd trekt de als politieke correctheid gemaskeerde heksenjacht voorbij tijdens de jaren negentig-studie Social and Cultural Analysis aan een Amerikaanse universiteit – daar begon eenzelfde vergiftiging van de geest als ten tijde van het diepracistische kolonialisme.

Inhumaan onderzoek

Bervoets heeft daar een bedoeling mee. In Ivanov communiceert Felix met zijn jongere ik; zo bezien is dit een coming-of-age verhaal, dat een pleidooi behelst voor empathie: ‘Ouder worden is transformeren, en dan heb ik het niet over veranderen, nee, ik bedoel iemand ánders worden: niet per se iemand met meer kennis, eerder in iemand met ándere kennis, andere karaktertrekken – een groter empathisch vermogen misschien.’

Ja, dat zijn sympathieke woorden, die we mogen toewuiven voor we ze vergeten. Maar de empathie in Ivanov die zich niet laat uitwissen, is die met Helena Frank, op de keper beschouwd een monster, geoordeeld naar haar inhumane onderzoek. Maar tegelijk brengt Ivanov in herinnering – en dat is het verontrustende – hoe aids destijds dood en verderf zaaide. Loont het doel de middelen? Hoeveel levens mag het redden van levens kosten? Het antwoord is aan de lezer en elk antwoord daarop zal per lezer verschillen. Geslaagde literatuur is altijd maatwerk.


Hanna Bervoets, Ivanov, Atlas Contact, 319 p., € 19,90. Bestel het hier.