Hoe anders is zijn rol in The Lobster, vergeleken met wat hij tot nu toe heeft gedaan? ‘Anders dan alles, ik bedoel, echt het aller-vreemdste wat ik ooit heb gedaan. Zo onwaarschijnlijk anders in toon en elk afzonderlijk moment. Het lijkt in esthetiek en gedrag op niets wat ik in mijn hele leven ooit heb meegemaakt of gezien.’
Colin Farrell (Dublin, 1976) zit stuiterend op het puntje van zijn stoel ontzettend blij en innemend te wezen. Zijn enthousiasme over de film van de Griekse regisseur Yorgos Lanthimos is begrijpelijk: de Hollywood-ster, die zwabbert tussen succesvolle actierollen (Minority Report, 2002; tv-serie True Detective, 2014-15), miskleunen (Alexander, 2004; Winter’s Tale, 2014) en interessante arthouseprojecten (The New World, 2005; In Bruges, 2008) en een tijdlang worstelde met verslaving en een bad boy-imago, heeft met The Lobster een verrassende stap voorwaarts gemaakt.
In deze absurdistische film wordt zijn personage naar een hotel vol alleenstaanden gebracht waar hij 45 dagen de tijd krijgt een partner te vinden. Anders zal hij worden veranderd in een dier naar keuze. Welk dier, wordt hem gevraagd bij aankomst. ‘Een kreeft,’ zegt hij gedecideerd. ‘Want die worden honderd, zijn altijd vruchtbaar en hebben blauw bloed – net als aristocraten.’ Zijn keuze wordt met instemming begroet; de meeste mensen kiezen alledaagse dieren, zoals een hond. ‘Daarom zijn er zoveel honden,’ zegt de directrice misprijzend. (In werkelijkheid zou Farrell de meeuw kiezen, zegt hij: ‘Ik kijk graag naar meeuwen. En ik zou willen vliegen.’)
Het zijn de drie ch’s waarmee hij in elke rol, ook de slechte, de aandacht vasthoudt: charisma, charme en chemie.
Een heleboel sixpacks
De film werd met zijn afwijkende toon (hoewel niet totaal afwijkend voor wie Lanthimos’ Dogtooth en Alps kent) warm onthaald op het festival van Cannes en zou een betere winnaar zijn geweest dan Jacques Audiards wisselvallige Dheepan.
Farrell geniet van de positieve aandacht: ‘Ik vind het heerlijk om na vijftien jaar weer met een film in Cannes te zijn. Zeker met eentje die zo apart is. Dit is een feestje.’ Hij glundert en lacht en pakt het groepje journalisten moeiteloos in. Het zijn de drie ch’s waarmee hij in elke rol, ook de slechte, de aandacht vasthoudt: charisma, charme en chemie. Wat dat laatste betreft: net zoals hij op het scherm gedijt bij samenspel, zorgt hij er tijdens het interview voor dat elke journalist goed wordt aangekeken en iedereen aan de beurt komt. Wat zeker niet standaard is voor een filmster in zijn ontelbaarste interview.
The Lobster is een Iers-Engels-Grieks-Frans-Nederlandse coproductie met een internationale cast en drie gesproken talen (Engels, Frans en Grieks), die werd opgenomen in Farrells geboorteland Ierland. ‘Het was heerlijk om daar weer te werken. De mensen zijn altijd zo aardig. Weet je, je zou verwachten dat iemand me daar wel eens een klap voor m’n bek zou hebben gegeven. Zeker vroeger, toen ik nog dronk en een grote bek had. In Ierse pubs worden mensen tegen een uur of drie ’s ochtends vaak een beetje agressief, nietwaar? Maar het is nog nooit gebeurd. Niemand heeft me ooit neergeslagen. Dus dat bedoel ik als ik zeg dat ze daar allemaal zo aardig tegen me zijn, hahaha!’
Inderdaad had Farrell jarenlang een reputatie als drinker en ruziezoeker, maar dat is voorbij: hij is gestopt met roken en alcohol, spreekt er openhartig over en speelde, als een duiveluitdrijving, in Saving Mr. Banks (2013) overtuigend de alcoholistische vader van P.L. Travers, auteur van Mary Poppins. Een rol waarvoor hij elke ijdelheid moest laten varen.
Net als, op een andere manier, voor The Lobster. Colin Farrell is een mooie jongen, maar voor The Lobster kweekte hij een hangbuik, een pafferig gezicht en een borstelige snor. Geen sixpack van buikspieren, maar een normale buik – zo eentje die eruitziet alsof er een heleboel sixpacks in zijn gegaan. Het resultaat past hem merkwaardig goed. ‘Toen ik het las, zag ik een snor. En Yorgos zei dat het personage een beetje week moest zijn. Dus ik liet mezelf steeds meer uitzakken. Ik bleef maar eten en eten totdat hij me op een dag een tekstbericht stuurde: nu alsjeblieft stoppen met eten! Omdat ik zo snel was aangekomen, kreeg ik wel hartkloppingen. Het is niet eens zo veel extra gewicht, maar ik deed het in acht weken, dat pikte mijn lichaam niet. Maar het werkte. Lichamelijk kwam ik ergens waar ik nooit eerder was geweest. En dat hielp me erg bij de rol.’

Niet acteren
Lanthimos vraagt zijn acteurs om het minimum. Ook aankleding, camerawerk en geluidsband neigen naar de eenvoud. En – minder is meer – dat intensiveert de spanning van scènes en gesprekken. Dat minimale acteren gaat Farrell in The Lobster goed af. En dat terwijl regisseur en acteurs er onderling nauwelijks over spraken. ‘Je moet Yorgos niet vragen: waar komt mijn personage vandaan? Of: waarom doe ik dit? Dan zegt hij: omdat het in het script staat! Ook met de andere acteurs heb ik het nooit gehad over, je weet wel, ingetogen spelen of zuinig bewegen. We kennen allemaal Yorgos’ werk en dan herken je die toon, een soort neutraliteit in het acteren waardoor het ongemak van hun werelden zo veel mogelijk de ruimte krijgt.’
Als ik altijd wist wat iets zou worden, was ik bij sommige films nooit op de set verschenen. Dan was ik in een tent in fokking Bolivia gaan wonen.
Het komt erop neer dat Farrell zich overgeeft aan de regels van Lanthimos’ wereld en zich daarbinnen op een logische manier gedraagt in plaats van traditioneel acteert. ‘Je zou de magie van deze wereld verpesten als je vasthoudt aan conventionele ideeën over acteren. Ik herinner me dat ik na Dogtooth uit de bioscoop kwam en dacht: ‘Wat de fuck?!’ Het was zo verwarrend en verontrustend, maar tegelijk was er geen speld tussen te krijgen. De wereld en taal en omkering van betekenissen waren absoluut coherent. Elke scène was consistent met de volgende. Ook The Lobster heeft een diep gelaagde wereld, die klopt. Hoe bizar en vervormd en absurd het ook is, eronder zit een goed uitgedachte logica. Het enige wat je dan als acteur nog kan doen, is erin springen. Vergeet je ego, vergeet je neiging om indruk te maken. Je moet de film binnenglippen alsof je wilt dat niemand je ziet. In plaats van boven de taal te gaan staan en ermee te spelen, moet je je zo eenvoudig mogelijk uitdrukken. Het verhaal is al complex genoeg.’
Normaal gesproken weet Farrell nauwelijks in welke film hij eigenlijk acteert – dat wil zeggen: hoe het eindresultaat, waarin zijn scènes terecht zullen komen, eruit zal zien. ‘Oh jezus, nee! Was het maar waar! Als ik altijd wist wat iets zou worden, was ik bij sommige films nooit op de set verschenen. Dan was ik in een tent in fokking Bolivia gaan wonen.’
Bezorgde hond
Maar The Lobster was anders. ‘Ik had meer dan ooit het gevoel dat ik het begreep. Het scenario zat zo goed in elkaar. Bij een normale film kun je 10, 20, 84, 117 verschillende versies monteren uit je materiaal. Elke scène biedt duizend keuzes, met een andere lens, een andere opnamehoek, een seconde eerder stoppen, de camera ietsje lager houden of een klein beetje schuin, en elke keuze heeft een effect op de kijker, emotioneel en vaak subliminaal. Echt, ik snap niet hoe regisseurs het doen. Maar dit keer had ik meer dan ooit het gevoel dat de essentie in elke denkbare montage overeind zou blijven. Dat er geen versie van deze film te maken was waarvan ik niet zou houden.’In de verte doet dit denken aan Terrence Malicks The New World (2005), een bewerking van het Pocahontas-verhaal. Ook bij Malick valt niet veel te acteren: die is op zoek naar momenten van schoonheid en als acteur moet je daar maar zo’n beetje doorheen lopen en afwachten welke shots hij uiteindelijk gebruikt. Het werd eveneens een van Farrells beste rollen – als ‘rol’ tenminste nog het goede woord is. ‘Normaal gesproken kijk ik niet zo graag naar mezelf,’ zegt Farrell, ‘maar van The New World kan ik genieten omdat de natuur er zo ontzettend mooi uitziet. Bij The Lobster heb ik iets vergelijkbaars, omdat die wereld zo vreemd is dat ik niet meer zo word afgeleid door mezelf.’
Het zijn personages die onderdeel worden van hun omgeving; ook Farrells personage in The New World, de Engelse koloniaal John Smith, betreedt een onbekende wereld en moet zich de regels eigen maken, met gevaar voor eigen leven. Het past goed bij Farrells altijd – ook in actierollen – wat overdonderde gezichtsuitdrukking. Zijn dikke zwarte wenkbrauwen staan vaak op ‘bezorgde hond’ en in zijn grote donkere ogen schuilt iets paniekerigs. Niet de standaardblik van een actieheld. Farrell is altijd meer ‘huh?’ dan ‘duh!’ geweest en nooit de echte macho die ze in Hollywood het liefste zien. Hij belandde in films als Oliver Stone’s Alexander (2004) en de remake van Total Recall (2012), maar is in die functie nooit een vaste kracht geworden.
Farrell kun je switchen van good naar bad. Daaronder schemert, als vaste waarde, iets schlemieligs.
Good guy
Farrells uitstraling mist het soort arrogantie dat je nodig hebt als echte Amerikaanse held. Toen hij was gecast als Daredevil in de gelijknamige superheldenfilm (2003) werd hij op het laatste moment vervangen door Ben Affleck en hercast als bad guy. Dat had je omgekeerd bij Affleck niet kunnen doen – de meeste sterren bewaken hun heldenimago. Farrell kun je switchen van good naar bad. Daaronder schemert, als vaste waarde, iets schlemieligs. Hij is de good guy van wie je je kunt voorstellen (en die het van zichzelf kan voorstellen) dat hij net zo goed, als het anders was gelopen, de bad guy had kunnen zijn geweest. En vice versa.
Dat geldt ook voor zijn vele rollen als agent, zoals onlangs in het tweede seizoen van HBO-serie True Detective. Toch weer. ‘Ik had gezworen dat ik nooit meer – nee, niet nooit meer, maar zeker vijf jaar geen agenten meer zou spelen. Ik bedoel, jezus: agenten, justitie, The Recruit, Minority Report, S.W.A.T., Miami Vice, Pride and Glory… wat de fuck is mijn probleem? Ik houd niet eens van wapens! Ik haat ze. Maar ik heb er inmiddels zo veel mee gewerkt dat ik tsja-tsjuk boefff!’ – en Farrell laadt en schiet even razendsnel een imaginair pistool – ‘Maar ja, dan krijg je zo’n script en het was gewoon zo goed geschreven, dan ga je het toch weer doen.’
Farrell is inmiddels als acteur een ervaren agent. Stoer, hard, agressief. Prima. Maar echt nieuw terrein betreedt True Detective niet, qua acteren. Wel blijft er die lichte verwarring en verontruste vermoeidheid in zijn ogen. Voor de rol van (rug recht, kin omhoog) all-American held zonder vrees straalt Farrell nu eenmaal te veel onzekerheid en zelfspot uit.
Het is jammer dat hij zich niet vaker waagt aan komische rollen. Zijn afstotelijke baas in Horrible Bosses was het beste wat die verschrikkelijke komedie te bieden had. Bijna onherkenbaar, want net als bij The Lobster had hij zonder ijdelheid zijn uiterlijk verbouwd. En in In Bruges (2008), een van zijn beste rollen, heeft hij de lachers op zijn hand als nerveuze, gestreste huurmoordenaar die er geen zak aan vindt om in schilderachtig Brugge te moeten schuilen totdat de gevolgen van een verprutste aanslag zijn overgewaaid. Een verblijf dat overigens ook voor de acteur zelf niet altijd gemakkelijk was: ‘Ik ging vaak naar een pannenkoekentent en daar hadden ze 483 soorten bier. En ik stond net twee jaar droog!’
Sekstape
Het is echter niet Farrells lachen, maar zijn huilen dat in In Bruges het meeste indruk maakt. Vooral zijn ineenstorting in de armen van zijn vaderlijke collega, met wie hij tot dan vooral, als een opstandig kind, heeft lopen bekvechten. Net zoals hij in Phone Booth (2002) – waarin hij bijna continu in beeld is als de man die in een telefooncel door een sluipschutter onder schot wordt gehouden – woede, angst en vertwijfeling veel minder overtuigend speelt dan het moment waarop hij in tranen uitbarst.
Huilen is Farrells beste Grote Emotie, terwijl het zuiver stoere bij hem nooit helemaal geloofwaardig is. Alsof hij het zelf niet helemaal gelooft. Dat kun je zelfs zien in de gelekte sekstape die in 2003 naar buiten kwam, van een vrijpartij die hij had gefilmd met ex-vriendin en Playboy-model Nicole Narain. Ook hier behoudt hij zijn zelfspot: ‘Er bestaat niet veel slechter camerawerk in de geschiedenis van de porno…’ Daarnaast kan hij maar niet ophouden te zeggen hoe mooi zij is – het heeft iets liefs, eigenlijk, alsof hij nog altijd niet kan begrijpen hoe hij, eenvoudige Ierse jongen, met zo’n schoonheid in bed is beland.
Onder het knappe uiterlijk van Colin Farrell zit een charmante schlemiel. Een good guy die zich in zijn naïviteit vaak bad gedraagt (of andersom), die zich stoer voordoet met een onmiskenbaar klein hartje, die soms grappig is en vaak verdrietig, die het, kort gezegd, ook niet allemaal weet – alsof het leven hem enigszins boven de pet gaat. Zo iemand speelt hij, op verschillende manieren, in The Lobster, The New World, Neil Jordans Ondine (2009) – waarin hij als visser een zeemeermin vangt – en In Bruges. Allemaal sprookjes, min of meer.
De conclusie, want die moet er zijn: als anti-macho in sprookjesachtige werelden met vreemde en gevaarlijke regels is Colin Farrell beter dan als misdaadbestrijder volgens de formules van Hollywood. En nu maar afwachten in hoeverre dat opgaat voor zijn volgende twee films, Solace en Fantastic Beasts and Where to Find Them. De eerste een misdaadfilm waarin maar weer eens een helderziende de FBI moet helpen een seriemoordenaar te pakken; de tweede een spin-off van Harry Potter, met Farrell als New Yorkse tovenaar.
Yorgos Lanthimos
Yorgos Lanthimos (1973) is de belangrijkste vertegenwoordiger van de Griekse Golf, de filmstroming die in 2008 van Griekenland onverwacht Europa’s spannendste filmland maakte. Geen Zorba de Griek meer, noch de zwaarmoedige nostalgie van oude meester Theo Angelopoulos, maar absurdistische, grappige en ontwrichtende films, in de verte verwant aan de Noord-Europeanen Aki Kaurismäki, Roy Andersson en Alex van Warmerdam.
Net als bij hen is de verleiding groot in Lanthimos’ werk een weerslag te zien van de nationale cultuur. Zeker bij Dogtooth (2009, Oscar-nominatie en winnaar van Cannes’ Un Certain Regard-onderdeel), waarin een angstig echtpaar zijn kinderen thuis opsluit, ze niets uitlegt over de buitenwereld, vreemde regels hanteert en ze allerlei verkeerde definities leert (karabijn: een mooie witte vogel; zombie: een klein geel bloempje) en zo een onhoudbare situatie creëert, met groeiende opstandigheid van de kinderen tot gevolg, onvermijdelijk leidend tot de gewelddadige ineenstorting van de op drijfzand gebaseerde orde. Het is het verhaal van één absurde familie, maar akelig goed te vertalen naar de maatschappelijke werkelijkheid van Griekenland zelf.
Ook in opvolgers Alps (2011, Beste Scenario in Venetië) en The Lobster (2015, Juryprijs in Cannes) heerst zo’n wankele sociale status quo, waarvan de merkwaardige regels hardhandig en met leugens worden gehandhaafd, alles om de façade van ‘het gewone gezin’ in stand te houden.
Zo worden in The Lobster singles gedwongen zo snel mogelijk een partner te vinden om een normaal echtpaar te vormen. En verhuren de ‘Alpen’ (die zich zo noemen ‘zodat niemand weet wat we doen’, volgens het weerkerende thema van verhullen, hernoemen en verbergen voor de buitenwereld) zichzelf als vervanger van overleden gezinsleden, zodat nabestaanden kunnen doen alsof er niks aan de hand is.
Terwijl Griekenland in de tussentijd wereldnieuws is geworden doordat duidelijk werd dat de economische situatie voor de buitenwereld was verhuld en definities waren gemanipuleerd, waarna de op drijfzand gebaseerde maatschappelijke orde was ingestort, heeft Lanthimos zijn derde, voornamelijk Engels gesproken film gemaakt met een internationale cast. Zodat net als de Griekse politieke en economische situatie ook de Griekse cinema zijn ontwrichtende invloed steeds sterker kan doen gelden in Europa en de rest van de wereld.
Dogtooth in Manhattan
Yorgos Lanthimos’ ‘Dogtooth’ (2009) is een absurdistisch verzinsel over de menselijke conditie. Maar in Manhattan gebeurde zoiets echt. De fascinerende documentaire ‘The Wolfpack’, nog te zien in enkele filmtheaters, gaat over zeven kinderen die jarenlang werden binnengehouden door hun ouders, waar ze dan maar, net als de kinderen in ‘Dogtooth’, films naspeelden.
Huilen
Van alle Grote Emoties waarmee je als acteur kunt scoren, maakt Colin Farrell de meeste indruk met Huilen. In deze compilatie treurt hij in ‘Alexander’ (2004), ‘The New World’ (2005), ‘Ondine’ (2009), ‘In Bruges’ (2008), ‘Ask the Dust’ (2006), ‘A Home At The End of The World’ (2004) en ‘Phone Booth’ (2002). Met een jammerlijk muziekje eronder, helaas.
Transformatie
De film is niet goed, maar de transformatie indrukwekkend. Het duurde even voordat ik Colin Farrell herkende in ‘Horrible Bosses’ (2011), maar ondertussen is hij het grappigste onderdeel van de mislukte komedie. Buikje, kalend, andere stem – achteraf gezien neemt hij hier een aanloopje voor ‘The Lobster’ (2015).
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.