In de zomer van 1961, op een toernooi in Londen, worden twee jeugdige schakers verliefd op elkaar. Hij Engels, net toegelaten tot Cambridge, zij de zwaarbewaakte dochter van twee hooggeplaatste Russen. Een van haar bewakers, Vasili, knijpt een oogje toe voor deze ontluikende romance. Waarom wordt pas veel later duidelijk. Tegelijkertijd introduceert Worrall een Litouwse ex-verzetsstrijdster die ontsnapte oorlogsmisdadigers executeert. Zij is daarnaast op zoek naar een extreem sadistisch Russisch kopstuk dat in de oorlog een compleet Litouws dorp liet vernietigen op verdenking van hulp aan de partizanen. Deze Karpov heeft inmiddels woeste plannen voor Europa die de meer gematigde Vasili wil voorkomen. De schrijver heeft zo’n complex web geweven van deze en vele andere personages en de gebeurtenissen om hen heen dat je geregeld even moet terugbladeren om te zien wat er nu precies gebeurde. En dan merk je pas goed hoe magistraal Worrall de eindjes aan elkaar knoopt en een huiveringwekkend beeld oproept van de Koude Oorlog, waarin mensenlevens aan beide zijden van het IJzeren Gordijn niets waard zijn. Ongelofelijk dat dit een debuut is. (BvIJ)