Tijs Goldschmidt (61)

Woede&Wraak

‘Ik heb een ingewikkelde relatie met woede: ik mocht vroeger niet kwaad worden en dat had veel te maken met het oorlogsverleden van mijn vader. Er was in zijn leven al zo veel agressie geweest dat er niets meer bij kon. Ik heb dus nooit geleerd om op een vruchtbare manier boos te worden en dat heb ik als een handicap ervaren. Want ik was af en toe wel heel kwaad, maar die woede voelde ik soms pas jaren later. Van een psychiater heb ik geleerd om boos te worden en die woede ook te voelen. In het begin kon ik er niets van – ik werd veel te boos – en daarom waarschuwde ik de mensen op wie ik kwaad werd eerst, omdat ze er anders niets van zouden begrijpen. Ik heb inmiddels enige vooruitgang geboekt, maar ik blijf in dat opzicht tamelijk gestoord.’

Hoogmoed&IJdelheid

‘Over een foto zoals bij dit interview kan ik me veel zorgen maken: dan ben ik bijvoorbeeld bang dat ik op mijn grootmoeder lijk toen ze tachtig was of dat ik erop kom te staan als een onaangenaam iemand. In die zin ben ik wel ijdel, ja. In gezelschappen vind ik het niet prettig om op te vallen of te domineren, ik ben eerder geneigd mezelf te camoufleren en me bescheiden op te stellen. Wat ik wel erg graag wil, is mijn eigen gang gaan – dat deed ik al als klein jongetje. Ik kan heel moeilijk voor een baas werken: als iemand tegen mij zegt: “dit en dat moet gebeuren” en ik ben het er niet mee eens, dan kan ik het niet. Ik doe altijd iets anders dan ik moet doen, ik heb een buitengewoon grote angst voor verplichtingen, en ik doe alles spijbelend. Bijna alles wat ik heb gedaan, was niet de bedoeling: als je vanuit je ooghoeken iets maakt, wordt het vaak beter. Ik ken inmiddels mijn gebruiksaanwijzing: ik moet iets van mezelf doen en dat ga ik dan niet doen. Vervolgens ga ik iets anders doen en als ik dan maar weet dat ik daar wel tevreden mee zal zijn, is er niets aan de hand.’

Hebzucht&Gierigheid

‘Met tijd ben ik gierig, maar met geld niet: als ik met mensen ga eten of drinken, gedraag ik me alsof ik royaal in mijn middelen zit, maar dat is niet zo en ik ben in dat opzicht volstrekt onverantwoordelijk. Ik geef graag geld uit aan mijn kunstverzameling: tribale voorwerpen uit Oceanië, maar ook tekeningen en schilderijen. Ik zie dat niet als bezit en beschouw die kunst nog altijd als het eigendom van de maker – ik zie mezelf meer als conservator van een mini-museum. Kunst is belangrijk voor me: ik hijs mezelf echt de dag in door bij het ontbijt bijvoorbeeld naar een beeld te kijken, of een schilderij. Een och­tend­ritueel dat voor mij van belang is, omdat het zo stemmingbepalend is. Een gedicht als “Marc groet ’s morgens de dingen” van Paul van Ostaijen zegt me dan ook heel veel.’

Lust&Wellust

‘Lustgevoelens zijn belangrijk. Door veel te dansen heb ik daar een rituele vorm voor gevonden zonder veel gevolgen voor mijn praktische leven. Tango en salsa zijn wel sexy, maar geen seks. En je flirt wel, maar dat is onderdeel van de dans. Als ik ’s avonds zit te schrijven, denk ik een keer of vier per week: nu ben ik moe, en dan ga ik een paar uurtjes dansen. Het hoort echt bij mijn leven en ik had niet gedacht dat ik er zo vrolijk van zou worden.’

Gulzigheid&Onmatigheid

‘Ik moet mezelf dwingen niet te veel te eten en te drinken, want ik kan me slecht beheersen, maar voor oesters en witte wijn kun je me ’s nachts wakker maken. Bij ons thuis kon vroeger in materiële zin veel: als ik dure sportschoenen nodig had, dan kreeg ik die. Ik kon zo veel kaas op mijn brood nemen als ik wilde en heb later echt moeten leren om op te letten of er wel genoeg was voor iedereen en dan te delen – in dat opzicht was ik een beetje verwend. Maar mijn ouders hadden nooit tijd, ze werkten allebei veel te hard. Als je het heel negatief stelt, kun je zeggen dat ze hun gebrek aan tijd met materie afkochten. Bij vriendjes merkte ik wel dat dure sportkleren niet vanzelfsprekend waren, maar hun ouders gingen dan wel mee naar het hockeyveld en ik kwam altijd alleen.’

Luiheid&Gemakzucht

‘In mijn boek vraag ik me af: hebben dieren wel eens vrije tijd en wat is daar de functie van? Van een torenvalk die op een paaltje zit en over een weiland uitkijkt, kun je zeggen: zo’n beest verlummelt zijn tijd. Maar vermoedelijk verzamelt-ie op zo’n moment ook informatie, zoals dat in het weiland een obstakel staat waar hij straks niet tegenop moet vliegen. Bij schrijven is die sprokkel­fase ook essentieel om op goede ideeën te ­komen: langzaam informatie verzamelen, zonder jezelf direct te dwingen om het interessant op te schrijven. Mijn vader had een enorm arbeidsethos en een nuttigheidssyndroom: hij kon als compliment over iemand zeggen: “Die werkt zich helemaal dood.” Ik heb dat zo geïnternaliseerd, dat ik heel lang veel te hard heb gewerkt: ik wilde heel graag dat mijn vader tevreden was. Sinds zijn dood in 2010 ben ik meer gaan lummelen en dat bevalt heel goed. Eigenlijk is dit boek mijn coming-out als lummelaar.’

Jaloezie&Afgunst

‘Ik ben niet jaloers op mensen die meer bereikt hebben dan ik, maar ik heb wel een enorme seksuele jaloezie: dat is de oeroude angst van de man dat je vrouw zwanger wordt van een ander en je kunt opdraaien voor de opvoeding van andermans kinderen. Met anticonceptie is dat natuurlijk veranderd, maar het is een emotie die zo diep verankerd is in onze uitrusting dat-ie niet zo maar weggaat. Vrouwelijke jaloezie is volgens mij heel anders dan mannelijke jaloezie, daar zouden eigenlijk twee woorden voor moeten worden verzonnen. Een vrouw is vooral bang om haar provider te verliezen: iemand die investeert in haar kinderen en bij haar blijft, en niet met een ander ook een gezin begint. Dat verklaart denk ik ook dat veel vrouwen het ietsje minder erg zouden vinden als hun man eens een avontuurtje heeft. Zolang hij maar blijft.’

Nee