Fidan Ekiz ging naar het consulaat om afstand te doen van haar Turkse nationaliteit. ‘Ik wil gewoon ergens een handtekening zetten en dat alles is geregeld.’
Een bezoek aan het Turkse consulaat staat bij Turkse Nederlanders bekend als een crime. Je bent een halve dag kwijt aan wachten, wachten en nog eens wachten. ‘Nummer 364!’ De vermoeide baliemedewerker vraagt me iets. Hij zit achter het glas. Ik kan hem nauwelijks verstaan. ‘Kunt u wat harder praten,’ vraag ik. Hij slaakt een diepe zucht en drukt op een knop. ‘Mevrouw, ik vroeg hoe ik u kan helpen.’
Zijn stem echoot door de bomvolle wachtkamer.
Omdat iedereen in de wachtkamer nu meeluistert, doe ik een poging om hard te fluisteren.
‘Eh, ik wil graag mijn Turkse paspoort inleveren.’
‘Is het verlopen, mevrouw?’
‘Ja, maar daar gaat het niet om.’
‘Dat maakt niet zoveel uit, hoor, als u maar een geldige kimlik (id-kaart) heeft.’
‘Nee, wacht, u begrijpt het niet. Ik wil afstand doen van mijn Turkse nationaliteit.’ (Stilte.)
‘U wilt de Turkse nationaliteit niet meer?’
(De vraag echoot nog een paar keer na. Geroezemoes in de wachtkamer.) Ik zie aan zijn gezicht dat hij me wil vragen naar de reden. Hij doet het niet. Misschien omdat hij de afkeurende blikken om mij heen ziet. Dat moet wel. Ik voel de ogen prikken in mijn rug.
Omdat ik niet nóg harder kan fluisteren, druk ik mijn gezicht nu half tegen het glas.
‘Eh, dat klopt. Wat moet ik doen?’
De man kijkt me zwijgend aan.
‘Nu weet ik het. U bent toch die journalist.’
(Nog meer geroezemoes. ‘Ik zei het toch,’ zegt iemand. ‘Zij is die Erdogan-hater.’)
‘De verraders bevinden zich onder ons’
Mijn kritiek op Erdogan wordt me door veel Turken niet in dank afgenomen. Tijdens de rellen bij het consulaat eerder dit jaar werd ik daar nog eens mee geconfronteerd. ‘Onze vijanden, de verraders, bevinden zich onder ons,’ zei een demonstrant die me vol afschuw aankeek. De confrontatie daar begon met een woordenwisseling tussen mij en een van de demonstranten en liep uit op een verbaal gevecht met bijna tien man. ‘Ik weet wel wie jij bent,’ zei een van hen, een jonge man met een Turkse vlag om zijn nek. ‘Ik zie je regelmatig op televisie. Je slijmt je in bij de Nederlanders.’ ‘O ja, hoe dan?’ vroeg ik. ‘Door je af te zetten tegen Erdogan.’ ‘Oké. Zeg je dat ook over de Turkse oppositieleider Kilcdaroglu? Slijmt hij zich ook in bij de Nederlanders?’ Het was even stil. ‘Hoe bedoel je dat?’ vroeg de man. ‘Wat ik bedoel is: wat is dat toch met die eeuwige kritiek over nestbevuiling en landverraders. Waarom mag ik van jou geen andere mening hebben?’
Open je ogen. Nederland spuugt jou op een dag ook uit.
Een andere man mengde zich in de discussie: ‘Omdat het niet de juiste is! Erdogan is wat goed is voor ons. Ook voor jou, open je ogen. Nederland spuugt jou op een dag ook uit.’ Een ander vroeg: ‘Waar kom je eigenlijk vandaan?’ ‘Samsun,’ zei ik. ‘Goede mensen komen daar vandaan,’ zei een oudere man verbaasd. ‘Moedig. Rechtvaardig.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Waar is jouw gevoel voor rechtvaardigheid? Zie je niet hoe Nederland met ons, de Turken, omgaat? Mijn hele leven heb ik me kapot gewerkt in de haven. Jouw vader waarschijnlijk ook.’ De sfeer verzachtte wat. ‘Meneer, wij zullen elkaar nooit begrijpen,’ zei ik. ‘U kunt zich niet voorstellen dat ik van het land van mijn ouders houd. Heel veel zelfs.’ Zijn ogen stonden nu droevig. ‘Nee, dan begrijp ik u inderdaad niet. Ik begrijp er zelfs níks van.’
‘Straks zetten ze je het land uit!’
Diezelfde verbazing zie ik terug bij de baliemedewerker in het consulaat. ‘Maar wilt u ook afstand doen van uw rechten, bijvoorbeeld uw erfrecht in Turkije? Als u die rechten wilt behouden, dan kunt u de blauwe kaart aanvragen. Dat moet u weten.’ Ineens besef ik dat ik veel niet weet. Bijvoorbeeld of mijn zoon bij zijn geboorte automatisch de Turkse nationaliteit heeft gekregen. ‘Waarschijnlijk wel,’ zegt de man. Kan hij in de toekomst worden opgeroepen voor de Turkse dienstplicht, ook wanneer ik zo’n blauwe kaart heb?
De muren beginnen op me af te komen. Weg hier.
Op veel van mijn vragen kan de medewerker niet antwoorden. ‘Dan moet je naar de derde verdieping.’ Ook daar zitten mensen moedeloos te wachten totdat ze aan de beurt zijn. Met tegenzin trek ik een nummertje. Terwijl ik wacht, raak ik bevangen door verdriet. Ik denk aan de dag dat ik mijn Nederlandse paspoort kreeg. Tot mijn vijftiende stond ik op het Turkse paspoort van mijn ouders en had ik een verblijfsvergunning. Bij het ophalen van mijn Nederlandse pas leverde ik die in. Toen mijn vader dat hoorde, raakte hij half in paniek: ‘Straks zetten ze je het land uit!’ Ik was verbijsterd: mijn vader geloofde dus niet dat het Nederlanderschap mij een permanente verblijfsstatus zou geven. Nu nóg niet, blijkt. Toen ik hem vertelde dat ik afstand zou doen van mijn Turkse nationaliteit, zei hij geschrokken: ‘Als ze je hier op een dag niet meer willen, waar moet je dan heen?’ ‘Maar pa, mensen vluchten nu juist uit Turkije naar Europa, omdat ze in Turkije niet meer vrij kunnen zijn. Het is andersom.’ ‘Dat is zo, maar toch. Je weet nooit wat er in de toekomst gebeurt. Je ziet de angst voor moslims hier.’ ‘Ben je bang?’ vroeg ik hem. Dat was het niet. ‘Ik ben op mijn hoede. Jij moet ook voorbereid zijn op alles, mijn kind. De wereld verandert snel.’
Ik wist niet wat te antwoorden. Ik heb alleen maar vragen. Daarom zit ik hier nu te wachten. Ik wil gewoon ergens een handtekening zetten en dat alles is geregeld. Ik wil geen vragen stellen, ik wil geen vragen beantwoorden, ik wil niet nadenken over al deze dingen waarom ik nooit heb gevraagd. Even later geef ik het op. De muren beginnen op me af te komen. Weg hier. Ik ren zo snel als ik kan de trappen af naar beneden.
Buiten ben ik weer gewoon Fidan. Dochter en moeder. Geen nummer en geen nationaliteit. Heel even, daar op de stoep van het consulaat, Turks grondgebied in Nederland, voel ik me bevrijd. Vrij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.