
 {"id":99025,"date":"2009-01-24T00:00:00","date_gmt":"2009-01-23T22:00:00","guid":{"rendered":"http:\/\/beta.vn.nl\/werk-is-zelden-een-route-naar-geluk\/"},"modified":"2009-01-24T00:00:00","modified_gmt":"2009-01-23T22:00:00","slug":"werk-is-zelden-een-route-naar-geluk","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.vn.nl\/werk-is-zelden-een-route-naar-geluk\/","title":{"rendered":"\u2018Werk is zelden een route naar geluk\u2019"},"content":{"rendered":"<p>Interview Alain de Botton<\/p>\n<p>Het is even schrikken. Alain de Botton (1969), de meester van de zelfhulp voor intellectuelen, heeft een boek geschreven waarin hij geen enkel advies hoe te leven kant en klaar opdient. Tot nu toe beproefde de Britse schrijver van Zwitserse afkomst een vaste succesformule: herkenbare taferelen uit het dagelijkse leven van de minnende, reizende en werkende mens belichtte hij aan de hand van inzichten die hij ontleende aan de filosofische traditie. Zo bood Schopenhauer in De troost van de filosofie (2000) steun bij een gebroken hart en gaf Chamfort in Statusangst (2004) advies hoe ons te bevrijden van de vrees onder te doen voor de ander. De Botton serveerde zijn levenslessen met zoveel Britse humor en in een zo superieure stijl dat hij wereldwijd een schare van trouwe fans wist te vergaren. Maar zijn karakterisering van de wijsbegeerte als zielszorg voor gevorderden riep ook woede op. Hier te lande ging Michiel Leezenberg in NRC Handelsblad onder de vlag &#8216;Wie biedt tegenwicht aan de Alain de Bottons van deze tijd?&#8217; tekeer tegen zijn fastfood-filosofie. In Engeland is het sarren van De Botton volgens de Independent on Sunday een nationale sport.<\/p>\n<p>&#8216;Ik was verrast door die bewering en heb mijn vrouw gevraagd of het waar is,&#8217; zegt De Botton, die in Amsterdam is om zijn nieuwe boek Ode aan de arbeid te promoten. &#8216;Natuurlijk zijn er mensen die niet van mijn werk houden, maar een nationale sport, in hemelsnaam.&#8217;<\/p>\n<p>Toch lijkt hij zich de kritiek aangetrokken te hebben. In zijn jongste pennenvrucht is geen filosoof te bespeuren. &#8216;Ik had het gevoel dat ik in mijn andere boeken te veel conclusies wilde bouwen,&#8217; licht hij zijn koerswijziging toe. &#8216;Deze keer wilde ik dingen gewoon in de lucht gooien. Alles draait om de waarneming en de reportage. Als ik mensen vertelde dat ik een boek over werk schreef, was de onmiddellijke reactie: je gaat over Karl Marx praten en over de positie van vrouwen op de werkvloer. Nee, zei ik, ik wil de atmosfeer van een kantoor in de late namiddag schetsen, een haast romanachtige beschrijving geven van dingen waar normaal alleen verslag van wordt gedaan in het financi\u00eble nieuws.&#8217;<\/p>\n<p>Gigantisch tapijt<\/p>\n<p>Die benadering levert sfeervolle vertellingen op, maar de keerzijde is dat het ditmaal vergeefs zoeken is naar de prachtige schema&#8217;s, puntsgewijze exposities en klinkende conclusies waarvoor de filosoof befaamd is. Neem de vraag die op het achterplat van de Nederlandse vertaling prijkt: waarom zijn we bereid werk een zo prominente plaats in ons leven toe te kennen dat we er zelfs onze identiteit aan ontlenen? Deze lezer vond ook tussen de regels het antwoord niet. Wil de schrijver hem misschien een handje helpen?<\/p>\n<p>&#8216;Als ik eerlijk ben, had ik dat niet op het omslag gezet,&#8217; zegt De Botton. &#8216;De centrale vraag van het boek is: waar komt stuff vandaan?&#8217; Hij klopt op de antieke zetel waarop hij zit. &#8216;Wie maakten deze stoel, en hoe was hun leven? Ik wilde de bron van de dingen opsporen. Maar als je antwoord wilt op je vraag, is dit het intellectuele raamwerk. In de achttiende eeuw vormde zich in Europa het anti-aristocratische, burgerlijke idee dat een mens door werk nobel wordt.&#8217;<\/p>\n<p>De Botton, van huis uit een historicus die zich ook in de filosofie bekwaamde, begint aan een historisch expos\u00e9 dat snel in het heden uitmondt. &#8216;Nu heerst overal het idee dat werk leuker kan zijn dan spel. Mensen die zonder werk zitten, gelden als ongeluksvogels, niet als bofkonten. Er is ook een perspectief van waaruit je kunt denken: fijn dat ik ontslagen ben, ik heb tijd om rond te hangen en naar het caf\u00e9 te gaan en ik krijg een cheque van de regering waarvan ik kan bestaan. Maar de meeste mensen ervaren het als een tragedie en denken dat hun identiteit geru\u00efneerd is.&#8217;<\/p>\n<p>In onze cultuur geloven we dat er naast liefde niets is dat ons leven zoveel betekenis kan geven als werk. &#8216;Dat is geen dwaze aanname,&#8217; vindt De Botton, &#8216;maar wel een zeer ambitieuze. Het idee dat je zowel gelukkig kunt zijn als geld verdienen, is een poging noodzaak en verlangen te verenigen. Totale vervulling in het leven is net zoiets als perfecte liefde. Ik wil niet zeggen dat het niet bestaat, maar het is extreem zeldzaam. Het is een prachtig idee, dat vele slachtoffers maakt. Veel mensen blijven achter met de gedachte: waar ben ik het verkeerde pad in geslagen, wat is er mis met mij? Als je verwacht dat je werk fantastisch is en het is dat niet, zul je ongelukkiger zijn dan wanneer je begint met de instelling dat het maar een baan is en het okay is zolang je maar een beetje geld verdient.&#8217;<\/p>\n<p>De gevierde auteur klinkt als de koningin die in haar kersttoespraak het volk voorhoudt dat het niet zoveel waarde aan bezittingen moet hechten. Voor hem is zijn schrijfkunst toch ook veel meer dan een manier om brood op te plank te krijgen?<\/p>\n<p>&#8216;Zeker heb ik hoge ambities,&#8217; geeft hij grif toe. &#8216;Maar met het ouder worden, besef ik ook dat er beperkingen zijn aan wat je werk kan betekenen en dat het een gevaarlijke filosofie is je hele leven erin te stoppen.&#8217;<\/p>\n<p>Zelf werd De Botton lange tijd geplaagd door de vraag of hij wel het juiste vak had gekozen. &#8216;Sinds ik de universiteit verliet, ben ik schrijver. Ik vroeg me af: waarom ben ik dat eigenlijk? Heeft schrijven wel enige zin? Met dit boek wilde ik vragen stellen over de banen van andere mensen om de keuzen die ik zelf heb gemaakt te begrijpen. Als schrijver zit je vast in een soort getto. Ik had een verlangen de wereld in te gaan. Het maakte me minder eenzaam.&#8217; Snel voegt de filosoof in hem eraan toe: &#8216;In metafysische zin bedoel ik. Het gaf me het gevoel dat ik de wereld een beetje beter snapte. Ook behoedde het me ervoor andere banen te idealiseren en mijn eigen baan af te kammen. Als je naar andermans werk kijkt, besef je dat iedereen werkt aan een minuscuul deel van een gigantisch tapijt dat niemand overziet.&#8217;<\/p>\n<p>Aanbidding van de iPod<\/p>\n<p>De Botton betoont zich een meester in het relativeren van de diepere betekenis van het arbeidende bestaan. Maar dat weerhoudt hem er vreemd genoeg niet van de werkzaamheden waarvan hij in Ode aan de arbeid als een antropoloog verslag doet langs de meetlat van het nut te leggen. In het hoofdstuk &#8216;Koekproductie&#8217; bespot hij de promotiemedewerkers die bij United Biscuits maanden van hun tijd en energie steken in de Fimbles, stripfiguren die de verkoop van een zeker koekje moeten bevorderen. Die pr-mensen laten hun verantwoordelijkheden op een weerzinwekkende wijze varen, oordeelt hij. &#8216;Dat is een gedachte die ik op dat moment heb, maar ik kom erop terug,&#8217; verdedigt De Botton zich. &#8216;Die campagne mag dwaas lijken, uiteindelijk is ze even serieus als de jacht in pre-industri\u00eble tijden. Dit is de manier waarop mensen overleven in een moderne maatschappij.&#8217;<\/p>\n<p>Toch lijkt hij in de koekjesfabriek bij vlagen ten prooi aan een overweldigend gevoel van zinloosheid. In een hilarische passage legt hij uit aan Renae, een medewerkster van United Biscuits, &#8216;dat we onmiskenbaar experts zijn geworden in het effici\u00ebnt fabriceren van zoetwaren, maar ondertussen nog altijd op zoek zijn naar betrouwbare middelen voor het cre\u00ebren van emotionele stabiliteit.&#8217; Doodsbenauwd voor deze intellectuele praat die haar zekerheden ondergraaft, zoekt Renae een veilig heenkomen, zonder dat zij of de schrijver toekomt aan de vraag waarom we al onze vaardigheid en intelligentie kwijtspelen aan het perfectioneren van iets onbenulligs als een fabriekskoekje.<\/p>\n<p>&#8216;Het simpele antwoord is technologie,&#8217; zegt De Botton. &#8216;Technologie is zeer effectief geweest in het verbeteren van de productiviteit in dingen die laag staan in de hi\u00ebrarchie van betekenis. De industri\u00eble revolutie stopte een massale hoeveelheid energie in het maken van kleren. Machines om huwelijksgeluk te fabriceren, hebben we nog niet.&#8217;<\/p>\n<p>Technologie is in onze cultuur zo machtig geworden dat onze diepste gevoelens van ontzag niet langer worden gewekt door wouden en bergen, maar door objecten van eigen makelij &#8211; en dat is erg, vindt hij. &#8216;Het gevoel dat er iets groter is dan jij, relativeert allerlei spanningen in je leven. We maken ons erg druk over status, over wie stijgt en wie daalt. Als je iemand die zich daar zorgen over maakt in de Grand Canyon zet, opent zich plotseling een ander perspectief. Het relativeert het menselijke drama. Psychologisch gezien is het erg belangrijk iets te kunnen bewonderen dat niet menselijk is. In alle religies stond iets centraal dat beter was dan de mens, machtiger, opwindender. Wij hebben daar mee afgerekend. We aanbidden nu de iPod, het vliegtuig en de raket. Menselijke constructies, zodat we opgesloten blijven binnen de menselijke wereld. Vroeger was de natuur prachtig maar bedreigend, dat andere ding dat buiten onze controle lag. Nu aanschouwen we haar vanuit onze satellieten en hebben we medelijden met haar omdat ze zo kwetsbaar is.&#8217;<\/p>\n<p>Naast technologie is het geld dat ons in de richting van de basale behoeftebevrediging drijft, denkt De Botton. &#8216;Het leeuwendeel van de banen zit in industrie\u00ebn waar veel geld wordt verdiend, maar die weinig betekenis hebben. Dat is de reden dat iemand die zegt: &#8220;Waar doe ik het allemaal voor?&#8221; en naar India vertrekt om schoolkinderen te helpen een clich\u00e9 van onze tijd is geworden. Dergelijke verhalen zijn symptomatisch voor een maatschappij die bevoorrecht en rijk is en tegelijkertijd kampt met een tekort aan betekenis.&#8217;<\/p>\n<p>De beminnelijke filosoof, een en al Britse beleefdheid, biedt een van zijn zalmsandwiches aan en wijst naar de Spa-fles op tafel. &#8216;Je kunt tegenwoordig een baan hebben waarin je louter bezig bent de streepjescode te perfectioneren. Arbeidsdeling schept zeer gespecialiseerde banen van waaruit je de betekenis van het raderwerk nauwelijks kunt zien. Specialisatie leidt ertoe dat we uit het oog verliezen waarom we iets doen. &#8220;Boer&#8221; klinkt serieuzer dan &#8220;verpakkingslabeltechnicus&#8221;. We hebben een nostalgie naar aloude beroepen als bakker. Die bakt het brood dat wij eten. Het kleine verschil dat we in hedendaagse banen kunnen maken, beledigt ons.&#8217;<\/p>\n<p>De geur van koolraap<\/p>\n<p>Zelf lijkt De Botton in zijn boek ook meer bewondering te hebben voor het traditionele ambacht van de kunstschilder die twee jaar lang in een tarweveld dezelfde eik schildert bij verschillende soorten licht dan voor de promotiemedewerkers bij de koekjesfabriek. Maar dat ontkent hij bij hoog en bij laag. &#8216;Het zou me droevig stemmen als mensen denken dat dit typisch een boek van een intellectueel is die houdt van kunst en die ons vertelt dat dit de beste baan is. Want het is een liefdeslied voor de moderne samenleving, gebaseerd op technologie, niet alleen op voorindustrieel vakmanschap. Wat ik interessant vind bij de koekjesbakkers is dat er heel veel ambachtelijkheid is als je er van dichtbij naar kijkt. Een productielijn succesvol laten lopen, is een bewonderenswaardige prestatie. Al is het eindproduct niet heel bijzonder, de manier waarop ze het maken, vergt veel vakmanschap. In vele opzichten gaat dit boek over ambachtelijkheid en het geduld dat mensen moeten hebben om heel kleine dingen heel goed te maken. Is de schilder een held? Hij is voor de helft een held en voor de andere helft pathetisch. Ik ben ambivalent, en dat sta ik mezelf toe.&#8217;<\/p>\n<p>Ambivalent is De Botton ook over Robert Symons, misschien wel het meest tragikomische personage uit Ode aan de arbeid. Het ene moment vat De Botton een zodanige sympathie op voor deze loopbaanadviseur dat hij zou willen dat deze man zijn vader was. Even later schrijft hij dat het toch triest is dat het lot van mensen in handen ligt van uitgerangeerde therapeuten die kantoor houden in woningen in buitenwijken waar het naar koolraap ruikt. Maar gevraagd of hij de arme man niet al te wreed wegzet, stokt De Botton, uit wiens mond tot dan toe een continue stroom van welgevormde zinnen is gevloeid: &#8216;Eh. Doe ik dat? Misschien.&#8217; Hij herpakt zich evenwel snel en tilt zijn typering van de carri\u00e8retherapeut naar een veilig, filosofisch niveau. &#8216;Ik denk niet dat ik hem als een persoon hard beoordeel, maar de aannamen achter zijn beroep. Een loopbaanadviseur is net zoiets als een chirurg in de Middeleeuwen. In de veertiende eeuw boorden ze gaten in iemands hoofd en hakten ze benen af. Het was een ramp, maar mensen wilden wel dat de chirurgie bestond. Hetzelfde geldt voor loopbaanadviseurs. Mensen hebben een sterke behoefte aan een soort genie\u00ebn die weten hoe ze de perfecte baan moeten vinden. Maar het is mijn oprechte overtuiging dat het een prachtig idee is dat niet werkt. Daarvoor zijn menselijke wezens nog veel te mysterieus. De baan van loopbaanadviseur is gebaseerd op beleefd optimisme en grof bedrog.&#8217;<\/p>\n<p>Dat wil nog niet zeggen dat hij vindt dat we de professie beter kunnen afschaffen. &#8216;Ik maak onderscheid tussen de meer therapeutische manier en de pseudowetenschappelijke testen. Over de laatste ben ik zeer sceptisch, maar ik geloof echt in therapie. Ik denk serieus dat het kan werken, maar het kost veel geld en maanden tijd. Weinig bedrijven zijn bereid om dat betalen.&#8217; Zelf deed de schrijver een psychologische test bij het bureau van Symons. De uitkomst: &#8216;De kandidaat geeft blijk van gemiddelde vaardigheden die hem geschikt maken voor diverse matig complexe administratieve en commerci\u00eble functies.&#8217; Het bijbehorende beroepsadvies: medische diagnostiek, olie- en gasexploratie of de vrijetijdsindustrie.<\/p>\n<p>Dat laatste is niet helemaal misgeschoten. De Botton bestreed zijn carri\u00e8redip door met enkele anderen The School of Life op te richten. Dat instituut organiseert uitjes naar de door de schrijver bewonderde pleisterplekken van de moderne cultuur zoals industriegebieden en snelwegen en geeft cursussen in de kunst van de tafelconversatie. De Londense levensschool, waar heuse preken worden gehouden, vanzelfsprekend met knipoog, wil de richting wijzen naar een rijker leven. &#8216;We weten allemaal dat er momenten zijn waarop je idee\u00ebn hebt die de wereld tot leven brengen,&#8217; licht De Botton toe. &#8216;Op andere momenten voelt je geest juist vlak. Vaak is het verschil dat een film, een boek, een gesprek, een ontmoeting je met iets in contact heeft gebracht. Er zijn echt dingen die je horizon verbreden. De School of Life legt de zaken op tafel waarvan mijn collega&#8217;s en ik denken dat ze bijdragen aan een rijker leven. We hebben een serieuze ambitie, maar alleen in de naam al zit natuurlijk een dosis ironie.&#8217;<\/p>\n<p>Overal lust<\/p>\n<p>Milde spot vermengd met bloedserieuze bewondering voor de technologische cultuur is ook te vinden in het verhaal waarin De Botton samen met een medewerker van een elektriciteitsmaatschappij een route langs hoogspanningsmasten volgt vanaf een centrale aan de kust tot hartje Londen. De man is medeoprichter van een genootschap ter bevordering van de appreciatie voor hoogspanningsmasten. Hij verlangt ernaar dat de liefde voor die dingen even serieus wordt genomen als die voor oude kerken of vogels. En De Botton koestert voelbaar sympathie voor deze poging de ogen te openen voor andere vormen van schoonheid.<\/p>\n<p>Beduidend venijniger is zijn ironie als hij zich stort op een ander specimen van moderne tijden: het kantoorleven in een Londense accountancyfirma. Je zou haast enige verachting opsnuiven uit de wijze waarop hij de bezigheden van de kantoorslaven in het glaspaleis aan de oever van de Thames fileert.<\/p>\n<p>&#8216;Ik veracht ze niet,&#8217; bezweert De Botton. &#8216;Ik ben verbaasd over ze. Het is opnieuw ambivalent. De Engelse titel van mijn boek is The Pleasures and Sorrows of Work. Er zijn goede en slechte kanten aan het werk van accountant.&#8217;<\/p>\n<p>Even lijkt de filosoof op de baas van het accountantskantoor die hij in zijn boek vernietigend neerzet. Die blinkt uit in het debiteren van nietszeggende frasen over de belangrijke uitdagingen waar het bedrijf voor staat. Na twintig minuten gesprek voelt de schrijver &#8216;de aanvechting hem te vragen wanneer hij voor het laatst tijdens een vergadering last kreeg van zijn darmen.&#8217; Maar bij alle spotternij over een wereld waar aan het jargon nauwelijks te ontsnappen is, probeert De Botton toch door de bureaucratische sleur heen te kijken, op zoek naar de charmes van het kantoorleven. Wat hem dan opvalt, is dat lust overal is. &#8216;Ik had het gevoel dat er een vreemde erotische lading hing in dat kantoor, die me herinnerde aan bibliotheken. Misschien om dezelfde redenen. Je hebt een grote open ruimte, waar je naar veel mensen kunt kijken. Jonge, aantrekkelijke mensen die stilletjes hun werk doen. Er wordt veel geflirt. Maar dat is allemaal taboe. Wij denken altijd dat we ontspannen tegenover seks staan. Maar we hebben onze zorgen vertaald in regels voor de arbeidsvloer. Het is gewoon ouderwetse repressie.&#8217;<\/p>\n<p>Die onderdrukking van de zintuigen en instincten is nodig om de accountants zich op hun gewijde taak te laten richten: de prestaties van bedrijven in cijfers vangen. Het getallenfetisjisme van deze beroepsgroep vergelijkt De Botton met het plezier van het kind dat eindeloos water overgiet van het ene bakje naar het andere.<\/p>\n<p>Hij besluit zijn boek met een bespiegeling over werk als een perfecte zeepbel, een ideale bezigheidstherapie. De doelen op korte termijn die we ons stellen, leiden ons even af van de gedachte dat de golven van de vergetelheid ook ons komen verzwelgen. &#8216;Het is een van de paradoxen van werk dat je het heel serieus moet nemen om het goed te doen. Als je even een stap terugzet, vraag je je af waar het toe dient. In de drukte van het vliegveld weet je opeens niet meer wat je eigenlijk te zoeken hebt op de bijeenkomst waar je naartoe reist. Maar waarschijnlijk is het beter te gaan dan thuis naar de sterren te zitten kijken. We moeten bezig blijven, al is de uiteindelijke logica van het waarom nogal wankel. Toen ik jonger was, dacht ik dat alles totaal betekenisvol moest zijn, gemeten naar een zeer ambitieus doel. Nu ben ik meer bereid het nut te zien van de kleine manieren waarop werk zin kan hebben en een goede afleiding kan vormen. Het woord afleiding heeft een heel negatieve klank. Waarom eigenlijk? We hebben er behoefte aan. Zitten wachten en intussen denken aan de dood heeft ook af en toe zijn zin, maar is op den duur toch vrij vervelend.&#8217;<\/p>\n<p>3 aanraders<\/p>\n<p>Proeven van liefde (1993). Geniale debuutroman over de kruisweg van de liefde van vlinder in de buik tot overspel en breuk.<\/p>\n<p>De kunst van het reizen (2000). Ideaal antidotum voor de misvatting dat hoe verder de reis gaat, hoe groter de kans op bijzondere ervaringen is.<\/p>\n<p>Statusangst (2004). Hoogtepunt in het genre zelfhulp voor gevorderden. Tegen de angst dat we niet voldoen aan het ideaal van onze vader, buurman en meest gehate collega.<\/p>\n<p>Alain de Botton, \u2018Ode aan de arbeid\u2019, Uitgeverij Atlas, vertaling Jelle Noorman, 352 pagina\u2019s, \u20ac 22,95<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Schrijver-filosoof Alain de Botton kenschetst werk in Ode aan de arbeid als ideale bezigheidstherapie. Wie er hoger heil van verwacht, komt bedrogen uit. \u2018Veel mensen blijven achter met de gedachte: waar ben ik het verkeerde pad in geslagen, wat is er mis met mij?\u2019<\/p>\n","protected":false},"author":1023,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"content-type":"","footnotes":""},"categories":[293,27],"tags":[],"acf":[],"author_name":"Tomas Vanheste","_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/99025"}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/types\/post"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/comments?post=99025"}],"version-history":[{"count":0,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/99025\/revisions"}],"author":[{"embeddable":true,"name":"Tomas Vanheste","href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/users\/1023"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/media?parent=99025"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/categories?post=99025"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/tags?post=99025"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}