
 {"id":95465,"date":"2009-04-25T00:00:00","date_gmt":"2009-04-24T22:00:00","guid":{"rendered":"http:\/\/beta.vn.nl\/mijn-dweepboek\/"},"modified":"2009-04-25T00:00:00","modified_gmt":"2009-04-24T22:00:00","slug":"mijn-dweepboek","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.vn.nl\/mijn-dweepboek\/","title":{"rendered":"Mijn dweepboek"},"content":{"rendered":"<p>Pia de Jong over bonjour tristesse<\/p>\n<p>Hier sprak iemand die aan hetzelfde leed als ik<\/p>\n<p>C\u00e9cile was zeventien en flaneerde met haar vader over de boulevards van Saint-Tropez. Tegen een uur of vijf dronken ze champagne op een van de vele terrassen en na het diner dansten ze in nachtclubs of pokerden ze in casino&#8217;s. C\u00e9cile droeg dan een avondjurk, volgens eigen zeggen te exotisch voor haar leeftijd, en stak af en toe achteloos een sigaret op. Behalve haar vader was er nog Cyril, een mooie jongen die niets liever wilde dan zijn verdere leven met haar en haar alleen doorbrengen. En haar in het vooronder van zijn boot beminnen natuurlijk.<\/p>\n<p>Ik daarentegen woonde in een keurige villawijk. Elke ochtend om acht uur vertrok ik op mijn Gazelle naar het Lyceum, meestal hard trappend bij tegenwind en anders wel zwetend onder een plastic regenponcho. Mijn vader probeerde me op te voeden tot een respectabele dame en, o ja, uit eten gaan was volgens mijn oer-Hollandse moeder toch vooral zonde van het geld. Het was midden jaren zeventig in een provinciestad.<\/p>\n<p>Geen groter contrast was er denkbaar tussen mijn leven en dat van C\u00e9cile uit Bonjour Tristesse. Fran\u00e7oise Sagan schreef deze roman in 1954 toen ze pas achttien jaar oud was. Hoewel ik toen nog niet geboren was, kwam deze C\u00e9cile, toen ik haar verhaal jaren later las, volledig voor mij tot leven: het leek wel alsof ze rechtstreeks tot me sprak. Als ik naar Saint-Tropez zou gaan, zou ik haar bij wijze van spreken zo tegen kunnen komen. Hand in hand met Cyril, of dansend met haar vader met in zijn kielzog een van zijn bloedmooie minnaressen. Haar vader, van wie ze aan zijn oogopslag bij het ontbijt kon zien of hij die nacht de liefde had &#8216;beoefend&#8217;.<\/p>\n<p>Ik was op slag jaloers op haar. Zonder aarzelen had ik met haar geruild. Met deze C\u00e9cile die als een boh\u00e9mienne leefde en kon doen en laten waar ze zin in had. Goed, dit was niet haar dagelijkse leven. Ze was op vakantie en ze was vlak daarvoor gezakt voor haar baccalaureaat. Maar dat leek haar in het geheel niet te deren. Haar vader trouwens ook niet. Ter rechtvaardiging daarvan zei hij zelfs: &#8216;Ik heb nooit een diploma gehaald. En toch kom ik behoorlijk rond.&#8217; Die opmerking was overigens gericht tot een van zijn minnaressen, met wie het, tot C\u00e9ciles horreur, serieus dreigde te worden. De houding van deze Anne, die C\u00e9cile opsloot in haar kamer met de filosofische traktaten van Bergson, stuitte C\u00e9cile zo tegen de borst, dat ze acuut een list verzon om haar vader ontrouw aan haar te laten zijn. En het lukte haar nog ook! Ook dat vond ik heel bijzonder. Ik had namelijk nooit het idee dat ik enige invloed uitoefende op het leven dat mijn ouders leidden. Het enige waar ik invloed op had waren mijn cijfers op school en daar deed ik dan ook mijn best voor. Die waren mijn ontsnappingsroute.<\/p>\n<p>Geamuseerde vertedering<\/p>\n<p>Ik viel in eerste instantie op de titel: Bonjour tristesse. Droefheid was in die tijd voor mij een nieuw gevoel. Ik had, objectief gezien, geen enkele reden tot treurnis, maar toch was ik het soms zomaar. Droef. De onbezorgde vrolijkheid van mijn kindertijd ebde langzaam maar zeker weg. Mijn stukgelezen kinderboeken waren opeens saai, nee, stom. Belachelijk dat ik die ooit leuk had gevonden. Hoe na\u00efef was ik geweest? Bovenal wilde ik in die tijd alleen gelaten worden. Uren langs het water slenteren en me afvragen wat in godsnaam de zin van het leven was. Eindeloos fantaseerde ik dan over weggaan, reizen over datzelfde water naar plekken waar het anders was, waar ik een leven kon leiden dat beter bij me paste.<\/p>\n<p>Niemand had me op deze droefheid voorbereid. Ik was gewaarschuwd voor lichamelijke veranderingen, het product van op hol geslagen hormonen in een puberlichaam. De biologieleraar wijdde er zelfs aparte lessen aan. Maar dat ook mijn stemming een effect kon zijn van diezelfde hormonen had niemand erbij verteld. Ik dacht dan ook dat ik de enige was.<\/p>\n<p>De school volgde intussen haar programma: de wet van Buys Ballot, het periodiek systeem, woordenlijsten in vreemde talen, het ontleden van een koeienoog. De vaderlandse literatuurgeschiedenis bestond uit een spoor van geschreven feiten. Het kennisnemen daarvan was goed voor je algemene ontwikkeling. De schrijvers van de boeken die we geacht werden te lezen waren veelal meneren die nog ouder waren dan onze vaders. Ze hadden meestal geen voornamen, ze hadden initialen. Of zelfs dat niet. Ter Braak, Du Perron, Brakman, Bordewijk.<\/p>\n<p>We lazen A. den Doolaard, en de man in wiens voornaam zelfs god huisde en van wie in mijn ogen de schijnheiligheid afdroop, Bomans. De dames waren het wat zoetsappige duo Betje Wolff en Aagje Deken, altijd vooral met geamuseerde vertedering genoemd. Belle van Zuylen was ook van heel lang geleden. Hadewijch vooral een enge hysterica. Alleen Hella Haasse sprong er positief uit. Goddank.<\/p>\n<p>Ik ben van een literaire tussengeneratie. Mystiek lichaam, voor mij een ijkpunt, moest nog geschreven worden. Giphart en Zwagerman, die de middelbare scholier rechtstreeks zouden aanspreken, waren nog niet aan zet. Seks was op mijn katholieke school een taboe, erover schrijven sensatie zoeken en erover lezen g\u00eanant. Mais bon. Voil\u00e0 Bonjour tristesse! In eerste instantie vooral een dun boekje dat voor vol meetelde op de Franse literatuurlijst.<\/p>\n<p>Heerlijk herkenbaar<\/p>\n<p>De eerste zinnen, hier in vertaling van Hubert Lampo uit 1956, waren al een feest van herkenning: &#8216;Ik aarzel om het onbekende gevoel, waarvan de tederheid en de verveling mij vervolgen, de naam, de mooie, diepe naam van &#8220;droefheid&#8221; te geven. Het is een zo volledige ervaring, zo ego\u00efstisch tevens, dat ik er mij haast om schaam, terwijl de droefheid mij daarentegen altijd als iets eerbiedwaardigs is voorgekomen. (\u2026) Over mij is iets als een zijden sluier neergedaald, zenuwslopend en zacht, die mij van de anderen verwijderd houdt.&#8217;<\/p>\n<p>Godallemachtig, hier sprak iemand die aan hetzelfde leed als ik. Een gevoelig meisje dat, zo bleek al gaande het verhaal, ook een loeder kon zijn. Bij tijden gemeen, oneerlijk en jaloers. Heerlijk herkenbaar.<\/p>\n<p>Bepaalde passages fascineerden mij bovenmate: &#8216;Hij (Cyril) omhelsde mij zachtjes. Ik keek naar de hemel; daarna zag ik nog slechts rode lichtkringen, die achter mijn toegeknepen oogleden openspatten. De hitte, de verdoving, de smaak van onze eerste kussen en mijn zacht gekreun vloeiden samen in het trage verloop der minuten.&#8217;<\/p>\n<p>Dergelijke ervaringen kende ik niet, maar ze leken me geweldig. Wanneer ik mijn ogen sloot zag ik nooit rode lichtkringen. Ik had haar wel willen vragen wat ik verkeerd deed. Maar waarschijnlijk had het te maken met de aanwezigheid van Cyril. Bij mij in de klas zat helaas geen Cyril.<\/p>\n<p>Ik weet nog dat ik dacht dat deze C\u00e9cile een goede vriendin voor me zou zijn, een meisje van wie ik het nodige zou kunnen leren. Ze was tenslotte met haar zeventien jaar een minivrouw van de wereld, zeg maar een vroegwijs ouder zusje. Ze kende de weg in de nachtclubs van Saint-Tropez. Ze zou me vast kunnen leren champagne te drinken. Iets wat wij thuis alleen maar dronken bij oud en nieuw. Dat wil zeggen, mijn ouders.<\/p>\n<p>Ze zou vooral ook een mooi tegenwicht bieden aan mijn tennissende klasgenoten, die altijd vrolijk leken. C\u00e9cile was een paar jaar lang mijn bondgenote. Fran\u00e7oise Sagan de schrijfster die me de literatuur introk en me verleidde zelf te schrijven.<\/p>\n<p>Veel later pas, overigens, in een roman over een wat droef meisje dat met haar ouders op reis is, en intussen fantaseert over een onbereikbare vriendin met een Franse naam die de vakantie doorbrengt in, jawel, Saint-Tropez.<\/p>\n<p>Pia de Jong debuteerde in 2008 met haar roman &#8216;Lange dagen&#8217;, die verscheen bij uitgeverij Prometheus.<\/p>\n<p>Herman Brusselmans over Quand le soleil se trouve dans le ciel<\/p>\n<p>Ongeveer alles deugt aan dat boek<\/p>\n<p>Omdat mijn vader professor was in de Franse lingu\u00efstiek aan de universiteit van Gent en m&#8217;n moeder associ\u00e9e sectie West-Europa van N&#8217;Konko Zundi, de Congolese in- en uitvoerder van zalm en kabeljauw, werd er bij ons thuis vaak Frans gesproken. Nochtans waren m&#8217;n ouders twee oervlaamse mensen. M&#8217;n grootouders langs vaderskant waren straatarme boeren uit Moerzeke die het moesten rooien met een koe, een koppel varkens, een trekhond, een ouwe eend en veel vliegen, en m&#8217;n grootouders langs moederskant waren nog armere vari\u00e9t\u00e9artiesten wier act bestond uit het uit zichzelf laten ontploffen van een homp kaas, wat meer niet lukte dan wel. Soms waren ze zo arm dat ze zich geen homp kaas konden veroorloven, wat hun act nog ongeloofwaardiger maakte.<\/p>\n<p>Een feit is dat geen van hen vieren een woord Frans sprak ter grootte van een baguette. Maar, en dat moet je die ouwe knakkers toch nageven, ze zorgden ervoor dat hun kinderen konden studeren, waar die kinderen gelukkig volop gebruik van maakten.<\/p>\n<p>Je had dus enerzijds m&#8217;n vader en anderzijds m&#8217;n moeder, maar er waren ook hun respectieve zussen en broers die het allemaal, ondanks hun lage komaf, ver schopten in de maatschappij. Om hier de carri\u00e8res te schetsen van al m&#8217;n ooms en m&#8217;n tantes, dat zou mij te ver leiden, maar het is wel interessant om even een licht te werpen op wat m&#8217;n bijzonderste oom en m&#8217;n meest speciale tante hebben bereikt. Die oom, m&#8217;n oom Rupert, is in Hongarije de redder geworden van het Hongaarse monetaire systeem, toen dat in de jaren zestig compleet in elkaar dreigde te storten. Hij devalueerde niet alleen de munt, maar verminderde ook de rentevoet, en in combinatie met het bijdrukken van een hoop geld waar je niet overheen kon kijken, begon de Hongaarse industrie weer te draaien als vanouds en werd Hongarije een van de bloeiendste economie\u00ebn van het continent. M&#8217;n oom Rupert werd dan ook geridderd door de Hongaarse minister-president en vanaf dat moment mocht hij in alle restaurants gratis eten, in alle wassalons gratis z&#8217;n was doen en in alle bordelen gratis minstens vier prostituees beffen.<\/p>\n<p>Dan had je m&#8217;n tante Eliza. Zij verkaste, in tegenstelling tot oom Rupert, na haar studies niet naar het buitenland, maar bleef in Belgi\u00eb, waar ze, als arts, een nieuw geneesmiddel uitvond tegen een ontstoken verhemelte. Dat middel bleek voor geen meter te werken, maar het had wel een bijwerking die m&#8217;n tante Eliza beroemd zou maken in medische kringen: het vertraagde namelijk enorm maagwandkanker. Dus mensen die vroeger, zonder tante Eliza&#8217;s middel, na vier maanden maagwandkanker al stierven, bleven nu nog een jaar of twee leven, al moesten ze er hun ontstoken verhemelte wel bijnemen.<\/p>\n<p>Lelijk, recalcitrant en linksbenig<\/p>\n<p>Waarom vertel ik dit allemaal? Welnu, mede omdat m&#8217;n oom Rupert en m&#8217;n tante Eliza in de jaren zeventig samen een autobiografisch boek geschreven hebben, De wolf en het koebeest, aldus getiteld omdat m&#8217;n oom Rupert er, te wijten aan z&#8217;n overmatige beharing en z&#8217;n driehoekige kop, uitzag als een wolf, en m&#8217;n tante Eliza, op haar beurt, zag eruit, door die enorme uier en haar constant natte neus, als een doorsnee koebeest.<\/p>\n<p>Je zou kunnen zeggen dat ik, die toen het boek verscheen een jaar of dertien was, met dit geschrift zou dwepen, uiteraard omdat het ten eerste door familieleden was geschreven, omdat het ten tweede een bijzonder hoog literair niveau had, en omdat het ten derde een paragraaf bevatte die over mij ging, en die luidde: &#8216;Onze broer August en onze schoonzus Lea kreeg als tweede zoon een aapachtig manneke, dat ze Herman noemden, naar Hermann Sch\u00f6nbr\u00fcnner, de tuinman van Wolfgang Amadeus Mozart, omdat zowel August als Lea dol is op tuinieren, terwijl op de achtergrond een mopje Mozart door de open ramen fladdert. We hebben niet erg veel fiducie in die Herman. Hij is lelijk, recalcitrant, onbezonnen en een vrouwenloper, en het enige dat in z&#8217;n voordeel spreekt is dat hij bij het voetballen linksbenig is, altijd een groot voordeel, want de beste voetballers zijn linksbenig, denk aan Keizer, Moelijn, Puis, Gento en Swart.&#8217;<\/p>\n<p>In deze ook voor de rest erg tendentieuze paragraaf maken oom Rupert en tante Eliza een grote fout: Sjaak Swart was niet links- maar rechtsbenig, voor mij reden genoeg om hun autobiografie als ongeloofwaardig en oninteressant terzijde te gooien.<\/p>\n<p>Bovendien waren al m&#8217;n favoriete boeken in het Frans geschreven. Zoals gezegd spraken m&#8217;n ouders erg veel Frans tegen hun kinderen en al op m&#8217;n derde kon ik zinnen van minstens twintig woorden in het Frans uitspreken zonder broddelen, stotteren, hakkelen of spuwen.<\/p>\n<p>Let op, dit betekent geenszins dat ik het Nederlands geen mooie taal vind. Ik vind haar w\u00e9l een mooie taal en er zijn ook prachtige boeken in het Nederlands verschenen, bijvoorbeeld Het leven en de dood in den ast van Stijn Streuvels, Verzen van Guido Gezelle en Nog meer verzen van de toentertijd piepjonge Hugo Claus. Doch m&#8217;n voorkeur ging uit naar literatuur die geschreven was in de taal van onze zuiderburen.<\/p>\n<p>En in die literatuur vond ik het boek waar ik als adolescent jarenlang mee gedweept heb en dat ik, zelfs nu nog, geregeld herlees. De auteur is Jean-Henri Mouillesappe en de titel van de onwaarschijnlijk prachtige roman is Quand le soleil se trouve dans le ciel.<\/p>\n<p>Eerst wilde Mouillesappe z&#8217;n boek een andere titel meegeven, La pute prenait mon zizi, maar de uitgever vond die niet goed klinken.<\/p>\n<p>Haar op haar rug<\/p>\n<p>Wat is er zo uitzonderlijk aan Quand le soleil se trouve dans le ciel? Nou, ongeveer alles deugt aan dat boek. Het is niet te dik (220 pagina&#8217;s), er staan niet echt moeilijke woorden in, het verhaal is gemakkelijk te volgen, het hoofdpersonage is een doorsnee gozer, de stijl is realistisch en aan het eind valt het meisje de jongen in de armen.<\/p>\n<p>Dat wil echter niet zeggen dat alles rozengeur en maneschijn is, verre van. Dat begint al goed in hoofdstuk \u00e9\u00e9n. De vader van het hoofdpersonage Julien, die zelf ook Julien heet, roept z&#8217;n zoon aan z&#8217;n sterfbed om hem een groot geheim op te biechten. &#8216;Julien,&#8217; zegt hij, &#8216;nu ik hier lig dood te gaan mag je het gerust weten: ik ben homoseksueel. Niet vertellen aan je moeder als je wil of ze wil me nooit meer onder ogen komen.&#8217;<\/p>\n<p>Julien kijkt toch wel op van dit nieuws en zegt: &#8216;Maar vader, ben je wel zeker dat je van het handje bent? Misschien is het slechts een fase?&#8217;<\/p>\n<p>&#8216;Welneen, Julien,&#8217; zegt de ouwe Julien tegen de jonge Julien, &#8216;ik was al zo toen ik een jaar of twaalf was. Ik heb de postbode in z&#8217;n reet genaaid, de groentenboer, de kruidenier om de hoek, en de onderpastoor. Omdat homoseksualiteit in die tijd zowat onbespreekbaar was moest ik wel m&#8217;n mondje dichthouden. En moest ik trouwen met een meisje. Dat werd je moeder, vooral omdat ze haar op haar rug heeft.&#8217;<\/p>\n<p>Dan geeft Julien de geest.<\/p>\n<p>De jonge Julien gaat niet eens naar de begrafenis, zo ontstemd is hij over het geheim van z&#8217;n vader. Maar vooral is hij zielsgelukkig dat homofilie niet erfelijk is en dat hij zelf een van de meest overtuigde heteroseksuelen van de Auvergne is. Hij vat het als volgt samen: &#8216;Mocht ik homo zijn geweest, ik zou me opgehangen hebben. Nu ik hetero ben, hang ik me niet op&#8217;, een belijdenis die voor eeuwig z&#8217;n credo zou blijven.<\/p>\n<p>Dan beschrijft Mouillesappe de rest van de jeugd van Julien, die zonder veel omwegen verloopt, en z&#8217;n eerste stappen op het moeilijke pad van de volwassenheid. Hij beleeft vele avonturen, met als meest ingrijpende: de postbode die hem in z&#8217;n reet naait. Doch al snel vergeet hij dit onprettige voorval en hij wordt een van de bekendste antiquairs uit het dorpje waar hij zich heeft gevestigd, Daquiennois-sur-mer.<\/p>\n<p>Bij het verkopen van een eeuwenoud Grieks beeldje, voorstellende een pan eieren, aan een beeldschoon meisje genaamd Sophie, wordt hij op haar verliefd en ze vallen elkaar in de armen. Hun liefde zal voor altijd zijn!<\/p>\n<p>Daar eindigt Quand le soleil se trouve dans le ciel, en de laatste zinnen, over Julien en Sophie, kan ik nooit herlezen zonder krop in de keel.<\/p>\n<p>Het is totaal geen wonder dat uitgerekend deze roman van de geniale Jean-Henri Mouillesappe mij als een poolster door mijn dolle adolescentenjaren heeft geholpen.<\/p>\n<p>Herman Brusselmans&#8217; nieuwste boek heet &#8216;Mijn haar is lang&#8217; (2009). Het verscheen bij Prometheus.<\/p>\n<p>P.F. Thom\u00e9se over Nietzsches Verzamelde Werken<\/p>\n<p>Dit waren geen woorden, dit was dynamiet<\/p>\n<p>Mijn lievelingskost als puberale lezer waren de Werke I-V van Friedrich Nietzsche. In die tijd was de oorlog nog niet zo lang geleden, en de mensen spraken nog goed Duits. Ik zelf ook. Het was voor mij een heerlijke cultuurtaal (eine herrliche Kultursprache) waar ik menig uurtje mee zoet kon zijn.<\/p>\n<p>Zodra ik de naamvallen en de lekker voortmarcherende voorzetselreeksen (an, auf, hinter, neben, in, \u00fcber, unter, vor, zwischen) onder de knie had gekregen, begon ik aan Also sprach Zarathustra, de &#8216;bijbel der goddelozen&#8217;, een boek dat een geweldige reputatie had bij iedereen die anti was. &#8216;Daar ben jij nog veel te jong voor,&#8217; sprak mijn leraar Latijn, dr. Goebbels (geen familie), terwijl hij ge\u00efnteresseerd mijn lectuur inspecteerde. &#8216;Nietzsche moet men niet te vroeg lezen.&#8217; Uiteraard vatte ik zijn pedagogische voorbehoud als aansporing op, vooral omdat de docent van een door mij heimelijk bewonderde jongen uit een hogere klas had beweerd dat diens karakter jammerlijk bedorven was doordat hij te vroeg aan de gevreesde filosoof begonnen was.<\/p>\n<p>Danke vielmals sch\u00f6n!<\/p>\n<p>Ik zocht in die lange, eenvormige dagen al langer naar wegen om mijn in de grond nogal saaie karakter eens duchtig te bederven en deze Nietzsche was kennelijk het felbegeerde paardenmiddel.<\/p>\n<p>De &#8216;filosoof met de hamer&#8217; gold mondiaal als onovertroffen karakterbederver sinds niemand minder dan Adolf Hitler zowat dat hele Derde Rijk op hem had gebaseerd. Nu had deze Hitler mij altijd een miezerig en nogal burgerlijk mannetje geleken, en wanneer ik als \u00dcbermensch in zo&#8217;n homopak van de SS moest gaan rondlopen, hoefde het voor mij eerlijk gezegd niet zo. Ik was Jeroen Krabb\u00e9 niet! Dr. Goebbels maakte zich dienaangaande zorgen om niets. En ook mijn bewonderde voorbeeld uit een der hogere klassen had ik nog nooit betrapt op banale nazistische toestanden. Het volk, daar hadden wij juist een verdomde hekel aan.<\/p>\n<p>MEER! MEER! MEER!<\/p>\n<p>Wat mij meteen in Nietzsche aansprak, was dat hij overal tegen was. &#8216;Wie man mit dem Hammer philosophiert&#8217; heet dat bij hem. Ook ik was overal tegen. &#8216;Whatever it is, I&#8217;m against it,&#8217; zong mijn andere lievelingsfilosoof, Groucho Marx, op orthodox nietzscheaanse wijze in de befaamde slapstick-parodie Duck Soup.<\/p>\n<p>Met de juiste hamer in handen kan een verloren jongen ineens alle kanten op. Alle muren die door ouders, pedagogen et cetera zo zorgvuldig om mij heen waren opgemetseld, sloeg ik met de Werke I-V van Nietzsche in \u00e9\u00e9n klap tegen de vlakte. Lucht! Ruimte! &#8216;Wer die Luft meiner Schriften zu atmen weisz, weisz, dasz es eine Luft der H\u00f6he ist, eine starke Luft. Man musz f\u00fcr sie geschaffen sein, sonst ist die Gefahr keine kleine, sich in ihr zu erk\u00e4lten.&#8217; Precies! Dat moest ik hebben! &#8216;Das Eis ist nahe, die Einsamkeit ist ungeheuer,&#8217; zo raasde de ontketende filosoof maar voort. &#8216;Philosophie, wie ich sie bisher verstanden und gelebt habe, ist das freiwillige Leben in Eis und Hochgebirge,&#8217; expliceerde hij dreigend.<\/p>\n<p>Ja, mein Lieber, zo legde hij mij voor: &#8216;Wieviel Wahrheit ertr\u00e4gt, wieviel wahrheit wagt ein Geist?&#8217; Dit waren geen woorden, dit was dynamiet. Mokerslagen waren het, waarmee mijn wereldje aan barrels werd geslagen. Ik citeer hier overigens uit Ecce Homo. Wie man wird was man ist. En ik maar knikken, ik maar mijn vinger opsteken. Ik wist het, ik was het, zo wilde ik zijn. Zo w\u00e1s ik in wezen, het was Nietzsche die mij mijzelf onthulde.<\/p>\n<p>Achteraf ben ik er niet zo zeker van dat ik er iets van begreep. In ieder geval niet van de implicaties van Nietzsches boude beweringen. Het was vooral de retoriek die mij verpletterde. Zijn taal is die van het overstatement. Zijn beeldspraak grootspraak. Zijn favoriete metafoor de hyperbool. Zijn geestelijk landschap het hooggebergte. Daar &#8211; boven de boomgrens &#8211; vond hij zijn edelstenen. Iets anders groeide daar niet.<\/p>\n<p>Ik slurpte het op, die grootspraak. Meer! Meer! Meer! Wat mij betreft. Als ik dan toch iemand moest worden, dan maar meteen een genie. En: als ik het dan toch moest worden, dan kon ik het maar het beste meteen ook maar z\u00edjn. Hoe men alvast is wat men straks wordt. Het mooie van Nietzsche was dat je dat blijkbaar zelf kon bepalen, zelf kon waarmaken. Dus niks tienen halen en diploma&#8217;s, nee gewoon vernietigen die conventies en zelf beginnen te denken. Dr Goebbels probeerde mij nog wijs te maken dat diploma&#8217;s niet helemaal onzin waren, maar ik kon hem al niet meer verstaan daar beneden in het dal.<\/p>\n<p>Drollenvangers<\/p>\n<p>Een kleine revolutie voltrok zich in mijn binnenste. Ik werd door de nieuwe taal overweldigd. Terwijl ik van buiten schijnbaar nog een gewone schooljongen was.<\/p>\n<p>Voor de buitenwereld bleef ik een gymnasiast van de oude stempel. Een nageboren negentiende-eeuwer, zou ik nu zeggen. De plusfour was bij wijze van spreken nog maar pas uit de mode, al herinner ik mij dat er nog wel knickerbockers werden gedragen, de zogeheten drollenvangers, en de pijp was nog steeds het favoriete rookgerei. Het was een wereld waar &#8211; met dank aan Oxford en Cambridge &#8211; het understatement, het eufemisme, tot het uiterste van zijn subtiliteit was ontwikkeld, waar elke nuance nog een eigen nuance kende en waar in elke bijzin nog een aparte bijzin verstopt bleek te kunnen worden. En waar het dus onbestaanbaar was dat ooit gezegd werd waar het op stond.<\/p>\n<p>Commentaar van dr Goebbels: &#8216;Wat bedoel je met &#8220;waar&#8221;? En wat zou dan wel het subject mogen wezen van deze fraaie sententie? &#8220;Het&#8221; wellicht? Zeg het maar. Maar zouden we dan misschien eerst even kunnen vernemen waar dit &#8220;het&#8221; in deze syntaxis naar verwijst?&#8217;<\/p>\n<p>Ka-boem! knalt Nietzsche.<\/p>\n<p>Het oogmerk van het eufemisme is het cre\u00ebren van een kring van goede verstaanders, van ingewijden. Een clubgeest, dat wilde men bereiken. Maar een club die mij als lid accepteert, daar zou ik nooit lid van willen zijn, zeg ik Nietzsches geestverwant Groucho Marx na. Ik geloof dat de boutade komt uit A Night At The Opera.<\/p>\n<p>Ongrijpbaar blijven was het devies. Het herformuleren van de wereld werd mijn opdracht, het onder woorden brengen van de wereld, en wel volgens mijn eigen termen. Hier kon ik geen anderen bij gebruiken. &#8216;Der Mensch der Erkenntnis musz nicht nur seine Feinde lieben, er musz auch seine Freunde hassen k\u00f6nnen,&#8217; kakelde-orakelde de pseudo-goeroe. Ook Nietzsche moest ik derhalve leren haten.<\/p>\n<p>Wie mij heeft verstaan, volge mij niet na, sprak Zarathustra. Die gaat alleen. Net als ik. &#8216;Gehe fort von mir!&#8217; snauwt hij, alsof wij lezers honden zijn. Rot op, zegt hij. Zoek het zelf maar uit. Pas wanneer jullie mij allen verloochend hebben, zal ik naar jullie terugkeren.<\/p>\n<p>En dat is in de loop der jaren ongemerkt gebeurd. Ik ben steeds minder aan je gaan denken, trouwe vriend. Kennelijk had ik je steeds minder nodig, heerlijke oude blaaskaak. Alleen voor dit stukje heb ik je even vanonder het stof vandaan gehaald. Voor de gein. En ook om sentimentele redenen. Wat waren we groot, samen. En wat lijken die bergen nu klein, achteraf.<\/p>\n<p>Und ich sprach: Welkom thuis, Zarathustra, komische gast. Ga maar braaf in je mand liggen.<\/p>\n<p>P.F. Thom\u00e9ses nieuwste roman heet &#8216;J. Kessels, the novel&#8217; (2009, Contact)<\/p>\n<p>Kristien Hemmerechts over De pitty-reeks<\/p>\n<p>Ik had mezelf ervan overtuigd dat niemand anders ze las<\/p>\n<p>In die tijd moest je kiezen: je was fan van Pitty of je was fan van De vijf. Ik was fan van Pitty. Zo groot was mijn trouw dat ik zelfs nooit een letter over de vijf gelezen heb. Vreemd genoeg hadden we niet in de gaten dat die rivaliserende boeken door dezelfde auteur geschreven waren. Schrijvers interesseerden ons niet. Het was ons om de personages te doen. En om het verhaal.<\/p>\n<p>Ook op andere vlakken heerste er grote verdeeldheid: je was een Vlaming of een Waal; je was bij de Chiro of bij de scouts; je was aangesloten bij het christelijke of socialistische ziekenfonds; je stemde voor de CVP of voor de Volksunie.<\/p>\n<p>En natuurlijk was je een jongen of een meisje. Ik was een jongen. Dat hadden mijn ouders beslist. Uit liefde, zeiden ze.<\/p>\n<p>Jongens lazen geen meisjesboeken, net zoals meisjes geen jongensboeken lazen. Een katholiek werd ook geen lid van de vrijzinnige turnkring. Ik was een jongen en dus las ik net als mijn broer Biggles. Biggles kon werkelijk alles. Zelfs wanneer de Duitsers het gros van hun gevechtsvliegtuigen tegen hem inzetten, bleef hij onoverwinnelijk.<\/p>\n<p>Intussen las mijn zus Kleuterleidster Linda. J\u00e1ren hebben mijn ouders en mijn broer zich over dat boek vrolijk gemaakt. Nou ja, eerder over de titel dan het boek, want ze hadden het niet gelezen. Ik wel. Maar eerst had ik het listig gekaft.<\/p>\n<p>Van Kleuterleidster Linda herinner ik me \u00e9\u00e9n ding: de kleur groen. Misschien droeg het meisje op de omslagtekening een groene das. Of zag ze halfweg het boek groen van jaloezie.<\/p>\n<p>Had ik toen de smaak te pakken? Of ging mijn ontdekking van de Pittyreeks aan mijn geniepig rendez-vous met Linda vooraf? Met de beste wil van de wereld kan ik het me niet herinneren, net zoals de Pittyboeken zelf op de harde schijf van mijn geheugen bijzonder weinig sporen hebben getrokken.<\/p>\n<p>Ik herinner me vooral mijn bezitsdrang: die boeken waren van mij. Ik had mezelf ervan overtuigd dat niemand anders ze las. Ze vormden een geheime plek die dwingender was dan de zogeheten &#8216;echte&#8217; wereld. Ik had ook letterlijk een geheime plek: de overloop bij de werkkamer van mijn vader waar boekenkasten stonden. De meeste boeken in die kasten waren in het Duits, maar rechts onderaan stond een kleine collectie in het Nederlands. Anna Blaman. Arthur van Schendel. Aart van der Leeuw. Herman Teirlinck. Paul Lebeau. Marnix Gijsen. En ook Jef Geeraerts&#8217; Gangreen dat ik met kloppend hart las. En veel Russen in vertaling: Gogol, Tolstoj, Toergenjev. Allemaal heb ik ze gelezen, vaak zittend op de bovenste trede van de trap. Wisten mijn broer en mijn zus dat die schat daar voor het rapen lag? Dat je de kast maar hoefde open te schuiven en een boek uit te kiezen om in een wereld binnen te stappen? Mocht ik die boeken lezen? Wisten mijn ouders dat ik ze las? Waarmee dweepten zij?<\/p>\n<p>Oorlog en vrede smokkelde ik mee naar school. Ik legde het open op mijn schoot en las het tijdens de les. Een lerares die me betrapte, zei: &#8216;Lees maar verder.&#8217; Maar dat alles kwam pas later, toen ik Pitty was ontgroeid.<\/p>\n<p>Ik ben als schrijver niet anders dan de stiekeme lezer die ik ooit was: de boeken die ik schrijf, zijn mijn priv\u00e9domein. Ik heers er als heer en meester, als dame en meesteres. Is de lezer een voorafspiegeling van de latere schrijver? En kan een mens schrijven als hij nooit gelezen heeft?<\/p>\n<p>Bril en beugel<\/p>\n<p>Ik las dus Pitty. Waren het mijn boeken of die van mijn zus? Leende ik ze uit de bibliotheek? Ik las ze in ieder geval ongekaft. Mijn moeder had haar zegen aan de Pittyliefde van haar jongste gegeven. Die tenslotte een meisje was.<\/p>\n<p>Drie sc\u00e8nes herinner ik me.<\/p>\n<p>Een meisje in de Pittyklas draagt een bril en een beugel. Niemand wil met het lelijke eendje spelen. Maar dan, in deel vijf of zes, zet ze haar bril af en verdwijnt de beugel uit haar mond. Een zwaan is geboren.<\/p>\n<p>Ik droeg zelf een bril \u00e9n een beugel, maar geen seconde dacht ik dat de sc\u00e8ne op mij van toepassing was. Ik las niet om iets over mezelf te vernemen, maar om andere werelden te betreden. Misschien las ik om te achterhalen wie ik kon zijn. Of fascineerde mij het besef dat je iemand anders kon zijn. Wie ik was, werd bepaald door anderen. Ik was &#8216;onze&#8217; jongen, ik was het &#8216;kiekske&#8217; van Hemmerechts, ik was de dochter van Karel Hemmerechts, die zo keurig Nederlands sprak en halve encyclopedie\u00ebn uit zijn hoofd kende. Ik hield me niet bezig met wat er over mij werd gezegd. Ik was iemand die las. En vandaag ben ik iemand die schrijft.<\/p>\n<p>Tweede situatie die ik me herinner. In haar overmoed heeft Pitty een medeleerling gekwetst. Nu wordt ze streng berispt. Ze moet leren rekening te houden met de gevoelens van anderen. De plotwending is niet minder archetypisch dan de vorige. Ook in Jane Austens Emma vormt ze een scharniermoment. De les luidde: hoogmoed komt voor de val. Dat brachten ook de nonnen ons iedere dag bij. Maar nu kwam het uit een andere hoek.<\/p>\n<p>Voor de derde sc\u00e8ne durf ik niet mijn hand in het vuur te steken dat ze uit Pitty komt. Wie weet heb ik ze in Kleuterleidster Linda gelezen. Of in Billy Bradley. Andermaal is de centrale figuur een eigengereid meisje. Op school wordt een toneelvoorstelling gegeven waarin zij de hoofdrol speelt. Vlak voor het doek opgaat, gebeurt er iets waardoor bij haar de adrenaline gaat stromen. Ze speelt alsof haar leven ervan afhangt.<\/p>\n<p>Na afloop veert de zaal overeind en beloont haar met een daverend applaus. Een van de enthousiaste ouders in de zaal is journalist en besluit een stukje te wijden aan dit verbluffende talent. Zijn artikel lokt nieuwsgierige toeschouwers naar de laatste voorstelling, maar de adrenaline is uitgewerkt. Het meisje speelt op het brave niveau dat van een scholiere kan worden verwacht. Ontgoocheld verlaat het publiek de zaal, maar de orde is hersteld: schoolmeisjes horen niet te schitteren. Ze moeten worden klaargestoomd voor hun taken als echtgenote en moeder.<\/p>\n<p>Daarmee was voor mij de magie verbroken. Eindelijk doorzag ik het opvoedkundige project achter de fa\u00e7ade van spannende meisjesavonturen. Er werden ons voorbeelden en rolmodellen voorgehouden. De boodschap was niet mis te verstaan: spring niet te hoog!<\/p>\n<p>Seksistisch en racistisch<\/p>\n<p>Wat komt er eerst: het leven of de kunst? Imiteert de kunst het leven of imiteert het leven de kunst? Zouden wij \u00fcberhaupt kunnen leven als ons geen verhalen werden aangereikt, ongeacht of we die omhelzen dan wel verwerpen?<\/p>\n<p>In het begin was het woord. Niet alleen de woorden van Enid Blyton, al hebben ze een verpletterende indruk gemaakt. Vandaag staat op Wikipedia te lezen dat ze voor het moederschap weinig talent had. Dat beweert althans een van haar dochters. Er is berekend dat ze gemiddeld tienduizend woorden per dag haalde. Verondersteld wordt dat ze die niet allemaal zelf kan hebben geschreven. Wie haar bij die titanenklus heeft bijgestaan, blijft voorlopig een mysterie. Men schat dat ze in veertig jaar tijd achthonderd boeken heeft geschreven. Uit recente edities zijn de seksistische en racistische verwijzingen verwijderd. Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik die destijds nooit heb opgemerkt.<\/p>\n<p>Kristien Hemmerechts is schrijfster en medewerker van Vrij Nederland. Haar nieuwe roman &#8216;Kleine zielen&#8217; is net verschenen bij Uitgeverij Atlas.<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>De puberteit kwam met een boek. een boek dat je altijd bij je droeg, de bondgenoot die begreep wat er in je omging. Waarmee dweepten Pia de Jong, Herman Brusselmans, P.F. Thom\u00e9se en Kristien Hemmerechts voordat ze zelf gingen schrijven?<\/p>\n","protected":false},"author":1023,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"content-type":"","footnotes":""},"categories":[293,27],"tags":[],"acf":[],"author_name":"Kristien Hemmerechts, pia de jong, Herman Brusselmans, P.f. Thomese","_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/95465"}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/types\/post"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/comments?post=95465"}],"version-history":[{"count":0,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/95465\/revisions"}],"author":[{"embeddable":true,"name":"Kristien Hemmerechts, pia de jong, Herman Brusselmans, P.f. Thomese","href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/users\/1023"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/media?parent=95465"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/categories?post=95465"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/tags?post=95465"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}